De kleine kapitein

Inhoud
  1. Waar gaat De kleine kapitein over?
  2. Samenvatting
  3. Thema's en motieven
  4. Personages
  5. Stijl
  6. Ontvangst en bewerkingen
  7. Waarom lees je het vandaag nog?
  8. Tips voor je boekverslag
  9. Veelgestelde vragen

De kleine kapitein van Paul Biegel is een fantasierijk avonturenboek over een jongen die zichzelf kapitein noemt en met een paar dorpskinderen de zee op gaat. Ze zijn op weg naar het eiland Groot en Groei, waar je in één nacht volwassen wordt. Onderweg ontmoeten ze vreemde wezens en gevaren. Het boek won in 1972 de Gouden Griffel en is het eerste deel van een trilogie.

AuteurPaul Biegel (1925–2006)
Verschenen1970, Uitgeverij Holland, Haarlem
IllustratiesCarl Hollander
GenreAvonturenverhaal, fantasy, denkbeeldige reis
LeeftijdVoorlezen vanaf ongeveer 6 jaar, zelf lezen vanaf ongeveer 8 jaar
PrijsGouden Griffel (1972)
VervolgdelenDe kleine kapitein in het land van Waan en Wijs en De kleine kapitein en de schat van Schrik en Vreze

Waar gaat De kleine kapitein over?

Op het strand bij een dorp ligt een schip, de Nooitlek. Een jongen van een jaar of tien woont erin en zegt dat hij de kleine kapitein is. Hij wil varen naar het eiland Groot en Groei: wie daar een nacht doorbrengt, wordt groot. De volwassenen in het dorp nemen hem niet serieus.

Tijdens een storm sluipen drie kinderen uit het dorp aan boord, en het schip wordt door het water meegenomen. Zo begint een lange zeereis. De kinderen krijgen elk een taak aan boord en ontdekken dat de zee vol wonderlijke dingen zit: eilanden die niet zijn wat ze lijken, rotsen die tot leven komen en mensen die al jaren op redding wachten.

Samenvatting

Let op: spoilers. Hieronder lees je wat er in het verhaal gebeurt, inclusief het einde.

Aan boord zijn de kleine kapitein, Dikke Druif die de stoker wordt, Marinka die kookt en Bange Toontje, de dekknecht die overal bang voor is. Onderweg vinden ze Gijs, een schipbreukeling die op het eiland Groot en Groei een reus is geworden. Hij is daar groter geworden, maar niet wijzer. Omdat hij te groot is voor het schip, wordt hij op een vlot achter de Nooitlek aan gesleept.

Op een ander eiland treffen ze Driekus, een schipbreukeling van hetzelfde schip als Gijs, en een groep circusdieren die daar is achtergebleven. Ze overleven er een vulkaanuitbarsting. Daarna komen ze in de Spookstad, een grijze stad midden in zee. Daar woont de Norse Heerser, die alle kleur heeft verboden en een verzonnen vrouw, Galatea, aanbidt. Ook Van Dommelen, nog een schipbreukeling, blijkt daar te leven. Met een vermomming slagen de kinderen erin de Heerser te misleiden en te ontsnappen. Daarna heft hij zijn verbod op kleur op.

Aan het eind varen ze verder, in de hoop meer opvarenden van het schip van Gijs te vinden. Hun avonturen gaan door in de twee vervolgdelen.

Thema's en motieven

  • Groot worden. De kinderen willen naar het eiland waar je volwassen wordt. Gijs laat zien dat groter worden niet hetzelfde is als wijzer worden.
  • Moed en angst. Bange Toontje is overal bang voor, maar ook hij groeit tijdens de reis.
  • Fantasie. De zee zit vol vreemde wezens en plaatsen; alles kan.
  • Samenwerken. Iedereen aan boord heeft een eigen taak, en alleen samen redden ze het.
  • Mythen. Rotsen die overdag draken worden, verwijzen naar de botsende rotsen uit het Griekse verhaal van de Argonauten. De Heerser die verliefd is op een verzonnen Galatea doet denken aan de mythe van Pygmalion.

Personages

  • De kleine kapitein: een jongen van ongeveer tien zonder naam, dapper en vastberaden.
  • Dikke Druif: de stoker, sterk en goedmoedig.
  • Marinka: de kok aan boord.
  • Bange Toontje: de dekknecht, die steeds bang is.
  • Gijs: een schipbreukeling die een reus is geworden.
  • Driekus en Van Dommelen: andere schipbreukelingen.
  • De Norse Heerser: de heerser van de grijze Spookstad.

Stijl

Biegel vertelt beeldend en met humor, in korte hoofdstukken die elk een eigen avontuur bevatten. Het verhaal verscheen eerst als stripverhaal in het weekblad Donald Duck, van 1969 tot 1971, met tekeningen van Carl Hollander. Volgens Biegel ontstond het idee doordat Hollander graag boten wilde tekenen. De korte hoofdstukken zijn een overblijfsel van die afleveringen en maken het boek prettig om voor te lezen.

Ontvangst en bewerkingen

Het boek kreeg in 1972 de Gouden Griffel, de belangrijkste prijs voor Nederlandse kinderboeken. In 2006 verscheen een muziektheaterversie, met Hugo Konings als de kleine kapitein, Lottie Hellingman als Marinka en Herman Bolten als Dikke Druif. de Volkskrant noemde het de beste kindervoorstelling van dat jaar. In 2014 werd de voorstelling opnieuw gespeeld, met aria's uit Händels opera Giulio Cesare.

Waarom lees je het vandaag nog?

Het boek is spannend, grappig en vol verbeelding. De vraag of je groot wilt worden, en wat dat eigenlijk betekent, is voor elk kind herkenbaar. Wie Biegel goed bevalt, kan ook Het sleutelkruid lezen.

Tips voor je boekverslag

  • Beschrijf hoe Bange Toontje verandert tijdens de reis.
  • Leg uit wat het eiland Groot en Groei betekent, en wat Gijs ons daarover leert.
  • Zoek de Griekse mythen op waarnaar het boek verwijst.
  • Vergelijk het boek met een ander fantasieavontuur, zoals Pluk van de Petteflet.
  • Lees een vervolgdeel en vergelijk de avonturen.

Het boek is te leen bij de bibliotheek, en goed om voor te lezen; lees meer over voorlezen. Kinderen zijn meestal gratis lid; lees meer over het jeugdlidmaatschap. Meer jeugdklassiekers staan bij de klassiekers.

Veelgestelde vragen

Wie schreef De kleine kapitein?

Paul Biegel. Het boek verscheen in 1970, met illustraties van Carl Hollander, en won in 1972 de Gouden Griffel.

Hoe heet het schip van de kleine kapitein?

Het schip heet de Nooitlek.

Waar gaat de kleine kapitein naartoe?

Naar het eiland Groot en Groei, waar je in één nacht volwassen wordt.

Heeft De kleine kapitein vervolgdelen?

Ja, twee: De kleine kapitein in het land van Waan en Wijs en De kleine kapitein en de schat van Schrik en Vreze.

Bijgewerkt: