Geschiedenis van de openbare bibliotheek
Inhoud
De openbare bibliotheek zoals je die nu kent, ontstond rond 1900 met de eerste openbare leeszalen, te beginnen in Utrecht in 1892. Daarvoor waren er al eeuwenlang kerk-, stads- en universiteitsbibliotheken en vanaf de achttiende eeuw volksbibliotheken. Hieronder volg je de belangrijkste stappen, van de leeszaalbeweging tot de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen van 2015.
Voor 1900: kerk, stad en Nut
De oudste bibliotheken in Nederland waren verbonden aan kloosters, kerken, stadsbesturen en universiteiten. De Librije in Zutphen (1564) en de Universiteitsbibliotheek Leiden (1575) zijn daar bekende voorbeelden van; je leest erover bij de oudste bibliotheken van Nederland. Ze waren bedoeld voor geleerden, predikanten en bestuurders, niet voor het brede publiek.
Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw kwamen er volksbibliotheken. Een belangrijke rol speelde de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, opgericht in 1784, die zich inzette voor volksontwikkeling. In veel plaatsen ontstonden zogenoemde Nutsbibliotheken. Daarnaast waren er commerciële leesbibliotheken, waar je tegen betaling romans kon lenen.
1892–1908: de leeszaalbeweging
Het keerpunt kwam aan het eind van de negentiende eeuw. Naar Engels en Amerikaans voorbeeld wilden hervormers een bibliotheek die voor de hele bevolking openstond, zonder onderscheid naar stand of geloof. In 1892 opende in Utrecht de eerste openbare leeszaal en bibliotheek, in het gebouw Concordia. Hendrik Adriaan van Beuningen was een van de oprichters. Dordrecht volgde op 1 mei 1899, daarna kwamen onder meer Den Haag, Rotterdam, Groningen en Leeuwarden.
In 1907 kwam de eerste rijkssubsidie. Op 18 april 1908 richtten zes openbare leeszalen samen de Centrale Vereniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken op. H.E. Greve was veertig jaar lang secretaris en een van de drijvende krachten achter de verdere uitbreiding. In datzelfde jaar startte in Dordrecht de eerste jeugduitlening.
1921–1972: groei en verzuiling
Een subsidieregeling uit 1921 bleef tot 1975 de basis voor rijkssteun. Het aantal bibliotheken groeide, maar langs verzuilde lijnen: naast de algemene ('neutrale') bibliotheken waren er katholieke en protestants-christelijke bibliotheken met eigen koepels. Het CBS telde in 1950 nog maar 153 vestigingen van openbare bibliotheken.
Vanaf de jaren zestig hielpen de provinciale bibliotheekcentrales om ook op het platteland bibliotheekwerk op te zetten, vaak met een bibliobus. In 1972 gingen de algemene, katholieke en protestantse koepels samen op in het Nederlands Bibliotheek- en Lectuurcentrum (NBLC). In 2003 werd het NBLC omgedoopt tot de Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB), lees meer bij de landelijke organisaties.
1975–1987: een eigen bibliotheekwet
Onder het kabinet-Den Uyl werd de openbare bibliotheek onderwerp van centraal overheidsbeleid. In 1975 werd een bibliotheekwet aangenomen, onder verantwoordelijkheid van staatssecretaris Wim Meijer. Van 1975 tot 1987 vergoedde het Rijk de kosten op basis van een goedgekeurde begroting. Het gebruik groeide sterk: in 1990 telde het CBS 4,3 miljoen leden en bijna 186 miljoen uitleningen, ruim drie keer zoveel als in 2024.
In 1987 verviel die regeling. De bibliotheek viel voortaan onder de Welzijnswet en gemeenten kregen het geld via het Gemeentefonds. Daarmee werd de bibliotheek een gemeentelijke keuze, en dat is in grote lijnen nog steeds zo. Hoe dat nu werkt lees je bij financiering.
2000–2010: bibliotheekvernieuwing en fusies
In april 2000 verscheen het rapport Open poort tot kennis van een commissie onder leiding van dezelfde Wim Meijer. Het pleitte voor schaalvergroting en samenwerking in zogenoemde basisbibliotheken. In 2001 sloten Rijk, provincies (IPO) en gemeenten (VNG) een koepelconvenant om die vernieuwing uit te voeren. Het gevolg was een fusiegolf: het CBS telde 542 bibliotheekorganisaties in 2000 en nog 166 in 2010.
2015 tot nu: de Wsob en de KB
Op 1 januari 2015 trad de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in werking. De wet legde vijf bibliotheekfuncties vast, gaf de KB een coördinerende rol en maakte de online Bibliotheek een landelijke taak. Sinds 2016 bestaat ook de mogelijkheid om met je pas als gastlid bij andere bibliotheken te lenen.
De jaren na de kredietcrisis brachten bezuinigingen en sluitingen, die je terugleest bij bibliotheeksluitingen. Sinds 2023 investeert het Rijk weer in het fysieke netwerk, en in 2026 ligt een wetsvoorstel voor een gemeentelijke zorgplicht bij de Tweede Kamer. Over de geschiedenis van de nationale bibliotheek zelf lees je meer bij de geschiedenis van de KB.
Veelgestelde vragen
Wat was de eerste openbare bibliotheek van Nederland?
De eerste openbare leeszaal en bibliotheek voor de hele bevolking opende in 1892 in Utrecht. Dordrecht volgde in 1899 en wordt soms ten onrechte als eerste genoemd.
Wat waren Nutsbibliotheken?
Volksbibliotheken die vanaf eind achttiende eeuw werden opgezet door afdelingen van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen (1784), bedoeld om gewone mensen te laten lezen en leren.
Sinds wanneer betalen gemeenten de bibliotheek?
Sinds 1987, toen de financiering via de Welzijnswet en het Gemeentefonds liep. Daarvoor vergoedde het Rijk sinds 1975 een groot deel van de kosten.
Waarom zijn er nu veel minder bibliotheekorganisaties dan vroeger?
Door de bibliotheekvernieuwing na 2000 fuseerden veel kleine bibliotheken tot grotere regionale organisaties. Het aantal organisaties daalde volgens het CBS van 542 in 2000 naar 131 in 2024.
Bijgewerkt: