Hoofdstuk 9: De brug gaat open

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Tingeling, tingeling, tingeling.

De slagbomen zakten. Er gingen rode lampen knipperen. Een fietser die net de brug op wilde, remde en zette zijn voet op de grond.

„Nee!” riep Pim. „Nee, nee, nee!”

Hij rende naar de slagboom. Hij pakte hem vast. Het was een lange paal, rood en wit gestreept, nat van de regen.

„Ho, ho, jongeman,” zei een stem boven hem.

Naast de brug stond een klein huisje. Het was van hout, met ramen aan alle kanten. Net een vogelhuisje, maar dan voor een mens. Uit een van de ramen leunde een man met een oranje jas en een koptelefoon om zijn nek. Hij had een kop thee in zijn hand.

„Niet aan de slagboom hangen,” zei de man. „Die is niet om mee te spelen.”

„Ik moet erover!” zei Pim. „Ik moet naar de school! Mijn fiets is daar!”

„Dan moet je even wachten,” zei de man. „Want er komt een boot.”

Hij wees. Over het kanaal kwam heel langzaam een schip aangevaren. Het was een lang zwart schip met een witte stuurhut. Op het dek stonden bloempotten en een fiets en een wasrek met sokken eraan. Er lag een hond op het dak, die lui naar ze keek.

Het schip ging zo langzaam. Langzamer dan een slak die moe was.

Toen begon de brug te draaien.

Pim had nog nooit een brug zien draaien. Het ging met een zoemend geluid. De hele brug, met de stoep en de leuning en een lantaarnpaal, draaide om een paal in het midden. Tot hij precies in de lengte van het kanaal lag. Nu was er links en rechts een gat, met water. Daar kon het schip door.

„Wow,” zei Saar. Ze vergat even al het andere. „De brug danst.”

Pim vond het ook wel mooi. Maar hij vond het vooral heel stom.

„Hoelang duurt het?” vroeg hij.

„Tien minuten,” zei de man in het huisje. „Misschien een kwartier. Die schipper heeft geen haast.”

Een kwartier! Pim ging op de stoep zitten. Hij sloeg zijn armen om zijn knieën.

„Ik ben Wim,” zei de man. „Ik ben de brugwachter. Al twintig jaar. Willen jullie een snoepje? Ik heb pepermuntjes.”

„Wij hebben dropjes,” zei Oma Truus.

„Ruilen?” zei Wim.

Dat deden ze. Wim kreeg een dropje. Pim en Saar kregen een pepermuntje. Bonkie kreeg niks en zuchtte weer zo'n diepe hondenzucht.

„Wat is er met je fiets?” vroeg Wim.

Pim vertelde het verhaal nog een keer. Het werd steeds langer. Er zaten nu ook een kaasschaaltje, een emmer tulpen, een kwijtgeraakt zusje, een beer op een fiets en een kat die Tomaat heette in.

„En nu heeft Henk hem,” zei hij. „En hij geeft hem vanmiddag aan een andere jongen. Op de fietsles. Op De Regenboog.”

Wim floot zachtjes. „Henk,” zei hij. „Ja. Die kwam hier een halfuur geleden langs. Ik had de brug net dicht. Hij piepte er vrolijk overheen.”

„Had hij een rode fiets?”

„In zijn bak, ja. Zonder deken. Hij glom als een appel. Henk riep nog: ‚Wim, vandaag wordt een mooie dag!’” Wim nam een slok thee. „Hij heeft ook pionnen bij zich. Oranje pionnen. Voor de fietsles, denk ik.”

Pim keek naar de overkant van het kanaal. Hij kon de school bijna zien. Achter de bomen. Een gebouw met ramen in alle kleuren: rood, geel, blauw, groen. Net een regenboog.

Zo dichtbij. En toch zo ver.


Oma Truus kwam naast hem zitten op de stoep. Dat ging weer langzaam. Krak, deden haar knieën.

„Weet je,” zei ze, „ik heb fietsen geleerd op een dijk.”

Pim keek op. „Op een dijk?”

„In Friesland,” zei Oma Truus. „Waar ik vroeger woonde. Ik was al negen. Veel ouder dan jij. We hadden thuis maar één fiets, en die was van mijn grote broer, Sjoerd. Een zwarte, veel te groot voor mij. Als ik op het zadel zat, kwam ik niet eens bij de trappers.”

„Hoe kon je dan fietsen?”

„Ik stond,” zei Oma Truus. „De hele tijd. En Sjoerd hield de bagagedrager vast. Hij rende achter me aan, over de dijk. Links water, rechts koeien. En de wind. O, die wind. In Friesland waait het altijd.”

„Viel je?”

„Heel vaak. In het gras. Eén keer bijna in de sloot.” Ze lachte. „En op een dag rende Sjoerd achter me aan. Dat dacht ik, tenminste. Ik riep: ‚Niet loslaten, hoor! Niet loslaten!’ En toen keek ik om. En Sjoerd stond heel ver achter me. Bij een koe. Hij zwaaide.”

„Net als het konijn in het boek!” riep Saar.

„Precies zoals het konijn in het boek,” zei Oma Truus. „Ik fietste al een hele tijd alleen. En ik had het niet eens gemerkt.”

„En toen?” vroeg Pim.

„Toen viel ik,” zei Oma Truus. „Van schrik. Recht in een koeienvlaai.”

Saar gierde het uit. Pim moest ook lachen, hoewel hij het eigenlijk niet wilde. Zelfs Wim lachte, in zijn huisje. Zijn thee klotste over de rand van zijn kopje.

„Maar de volgende dag kon ik het,” zei Oma Truus. „Gewoon. Alsof ik het altijd al had gekund.”

Pim keek naar het kanaal. Het zwarte schip was nu bijna door het gat. De hond op het dak tilde zijn kop op en keek naar Bonkie. Bonkie keek de andere kant op.

„Oma Truus,” zei Pim.

„Ja, jongen?”

„Wat als die andere jongen mijn fiets al heeft? Als Henk hem al gegeven heeft?”

Oma Truus dacht na. Ze zei niet meteen zo, zo. Ze dacht echt na.

„Dan gaan we met Henk praten,” zei ze. „Rustig. Want Henk weet iets niet wat wij wel weten. En wij weten iets niet wat Henk wel weet. Als je dat allemaal bij elkaar legt, komt het meestal goed.”

Pim snapte het niet helemaal. Maar het klonk goed.

Naast hem schuifelde Saar met haar laarsjes over de stoep. Ze keek naar Flip. Ze keek naar de ballon. Ze keek overal naar, behalve naar Pim.

Het zoemen begon weer. De brug draaide terug. Langzaam, langzaam, tot hij weer recht over het water lag. De rode lampen gingen uit. De slagbomen gingen omhoog.

„Daar gaan jullie,” zei Wim. „Succes!”

Pim was al op de brug. Hij rende. Zijn voeten bonkten op het ijzer. Onder hem zag hij het water door de spleten glinsteren. Saar rende achter hem aan, met de ballon. Oma Truus met de trolley. Tadoem, tadoem.

Aan de overkant meteen rechts. Een hek. Een plein met een hinkelbaan en een klimrek. Oranje pionnen in een lange slinger. Kinderen met helmen. Ouders langs de kant, met paraplu's en koffie.

En in het midden van het plein stond een grote man met een grijze baard. Naast hem stond een groene bakfiets.

En voor hem, op het zadel van een rode fiets, zat een jongen.