Hoofdstuk 10: Dat is mijn fiets!
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Pim zag de bliksem. Hij glom in de zon, op de rode stang.
„Dat is mijn fiets!” riep hij.
Hij riep het zo hard dat iedereen op het plein omkeek. De kinderen met helmen. De ouders met de koffie. Een meisje op een gele fiets reed van schrik tegen een pion.
De jongen op de rode fiets keek ook om. Hij was ongeveer net zo groot als Pim. Hij had zwart krullend haar onder een blauwe helm en een jas die een beetje te groot was. Hij hield het stuur heel stevig vast.
De grote man met de grijze baard draaide zich langzaam om. Hij had een oude spijkerbroek aan met olievlekken. Uit zijn borstzak stak een schroevendraaier. En naast hem, in de bak van de groene bakfiets, lagen oranje tulpen.
„Wat zeg je, jongen?” vroeg hij.
Pim liep naar hem toe. Zijn benen trilden. Maar hij liep toch.
„Dat is mijn fiets,” zei hij weer. Nu zachter. „Ik heb hem gekregen voor mijn verjaardag. Hij stond in onze tuin. In de Merelstraat. En vanochtend was hij weg.”
Henk keek naar Pim. Toen keek hij naar de fiets. Toen weer naar Pim.
Zijn wenkbrauwen gingen omhoog. Ze waren dik en grijs, net als zijn baard.
„In de Merelstraat?” zei hij. „Bij een heg? Naast een doos met speelgoed?”
„Ja!”
Henk krabde aan zijn hoofd. Hij keek ineens heel verdrietig, op een manier die Pim niet had verwacht.
„Maar er hing een bordje aan,” zei hij.
„Een bordje?”
Henk liep naar zijn bakfiets. Hij rommelde onder de tulpen. Onder een opgevouwen paardendeken. Onder een pomp en een doos pleisters.
Toen haalde hij iets tevoorschijn.
Het was een stuk karton. Er zat een touwtje aan. Het was helemaal ingekleurd, met roze en geel en heel veel glitter. En in het midden stonden grote zwarte letters.
G R A T I S.
Pim kon het lezen. Dat woord kende hij. Hij had het vaak gezien, bij de supermarkt en op de markt. Gratis. Dat betekende: je mag het zomaar hebben.
„Het hing aan het stuur,” zei Henk. „Ik kwam vanochtend vroeg door de Merelstraat. Dat doe ik op zaterdag altijd. Mensen zetten dan van alles buiten, voor wie het hebben wil. En daar stond een fiets. Zonder zijwieltjes. Met dit bordje eraan. Ik dacht: wat een mooi cadeau. Iemand geeft een fiets weg. Dan weet ik wel wie hem kan gebruiken.”
Hij keek naar de jongen met de blauwe helm.
Pim begreep er niks van. Wie hing er nou een bordje aan zijn fiets?
Toen hoorde hij een klein geluid achter zich. Een snikje.
Hij draaide zich om.
Daar stond Saar. Met Flip in haar ene hand en het touwtje van de ballon in haar andere. Haar gezicht was helemaal rood. Er liepen tranen over haar wangen.
„Dat is mijn bordje,” zei ze.
„Saar?”
„Dat is mijn bordje,” zei ze weer. Ze huilde nu echt. „Van mijn weggeefkist. Ik heb het zelf ingekleurd. Met glitter.”
Oma Truus kwam naast haar staan. Ze legde een arm om haar heen. „Vertel maar, Saartje,” zei ze. „Rustig maar.”
Saar snufte. Ze veegde haar neus af aan Flip.
„Gisteravond,” zei ze, „toen Papa de wieltjes eraf had gedaan. Toen ging ik nog even naar buiten. In mijn pyjama. En ik vond de fiets zo mooi. En het bordje was ook zo mooi. Met de glitter. En ik dacht: die passen bij elkaar. Dus heb ik het bordje aan het stuur gehangen. Omdat het mooi stond.”
„Maar Saar,” zei Pim. „Dan denken mensen dat hij weg mag!”
„Dat wist ik niet meer!” huilde Saar. „Mama had het wel gezegd. Wat er op het bordje stond. Maar ik kan nog niet lezen. Ik was het vergeten. Ik vond het gewoon een mooi bordje.”
Ze haalde diep adem. Haar schoudertjes schokten.
„En vanochtend was de fiets weg. En het bordje ook. En toen wist ik het ineens weer. Wat Mama had gezegd. Gratis betekent dat iedereen het mag meenemen. En toen werd mijn buik heel raar. En ik wilde het zeggen. Maar jij zei steeds: niet nu.”
Pim stond heel stil.
Dat was waar. Dat had hij gezegd. Bij de hoek, bij de bloemen. Steeds weer. Niet nu, Saar.
Hij keek naar zijn zusje. Ze was zo klein. Kleiner dan anders, leek het wel. Met haar natte laarsjes en haar konijn vol pap en haar ballon in de vorm van een fiets.
Hij was boos. Een beetje. Maar er was ook nog iets anders. Iets wat meer pijn deed dan boos zijn.
„Daarom ging je naar Bart,” zei hij langzaam. „Daarom wilde je zo graag helpen.”
Saar knikte. Ze kon niet meer praten.
Henk was op zijn hurken gaan zitten. Zijn knieën kraakten nog harder dan die van Oma Truus.
„Ach, meisje,” zei hij zacht. „Ach, meisje toch.” Hij hield het glitterbordje vast alsof het iets heel kostbaars was. „Het is niet jouw schuld. Ik had moeten aanbellen. Ik had moeten vragen of het echt de bedoeling was. Een nieuwe fiets weggeven, dat doet bijna niemand. Ik had het moeten snappen.”
Hij keek naar Pim.
„Het spijt me, jongen,” zei hij. „Het spijt me echt heel erg. Ik heb je strik ook verloren, geloof ik. Ergens onderweg. Hij zat vanochtend nog om het stuur.”
Pim haalde de strik uit zijn jaszak. Hij was nu droog, maar nog wel gekreukt.
„Bonkie heeft hem gevonden,” zei hij. „In de goot.”
„Slimme hond,” zei Henk.
Bonkie kwispelde. Hij snuffelde aan Henks broek. Die rook naar olie en naar oude kaas.
Het was heel stil op het schoolplein. Alle kinderen keken. Alle ouders keken. Het meisje op de gele fiets stond nog steeds naast haar omgevallen pion.
Toen klonk er een zacht geluid. Een klik. Het geluid van een standaard die naar beneden gaat.
De jongen met de blauwe helm was afgestapt. Hij had de rode fiets op de standaard gezet. Hij deed een stap achteruit. Zijn handen hingen langs zijn lijf, in de mouwen van zijn te grote jas.
„Hier,” zei hij. Hij keek Pim niet aan. Hij keek naar de grond. „Hij is van jou.”
Pim keek naar zijn fiets. Zijn mooie rode fiets, die nu nog meer glom dan eerst. Henk had hem gepoetst. Zelfs de bel blonk.
Hij had hem de hele dag gezocht. Hij had er de hele week naar uitgekeken.
Hij hoefde hem nu alleen maar te pakken.
Maar toen keek hij naar de jongen. En de jongen keek nog steeds naar de grond.