Hoofdstuk 11: Twee jongens, één fiets

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Hoe heet je?” vroeg Pim.

De jongen keek op. Hij had donkere ogen met heel lange wimpers.

„Yusuf,” zei hij.

„Ik ben Pim. Hoe oud ben je?”

„Zes.”

„Ik ook,” zei Pim.

Ze keken elkaar aan. Toen keken ze allebei naar de fiets.

Henk kwam overeind. Hij legde een grote hand op Yusufs helm.

„Yusuf woont hier pas een maand,” zei hij. „Hij is verhuisd, met zijn moeder en zijn twee zusjes. Van heel ver weg. Ze hadden alles achter moeten laten. Ook zijn fiets.” Hij keek naar Pim. „Daarom dacht ik vanochtend: wat een geluk. Een fiets in precies de goede maat.”

Pim zei niks. Hij keek naar Yusufs jas. Naar de mouwen die over zijn handen hingen.

„Kun je al fietsen?” vroeg hij.

Yusuf haalde zijn schouders op. „Een beetje. Vroeger had ik een fiets. Een groene. Maar die was heel klein. Mijn benen werden te lang.”

„Ik kan het nog niet,” zei Pim. „Zonder zijwieltjes.”

„O,” zei Yusuf.

„Vandaag zou ik het leren. Om vier uur. Met mijn papa.”

Pim keek naar de fiets. Toen naar Yusuf. Toen naar Henk. In zijn hoofd botsten de botsautootjes weer. Maar deze keer wist hij welke de goede kant op reed.

„Henk,” zei hij. „Hebt u nog een andere fiets? Voor Yusuf?”

Henk dacht na. Hij trok aan zijn baard.

„Ik heb een blauwe in de werkplaats,” zei hij. „Een mooie. Maar hij moet nieuwe banden. En de ketting is roestig. Volgende week is hij klaar, denk ik. Zaterdag.”

„Dan krijgt Yusuf die,” zei Pim. „En vandaag...”

Hij slikte. Het was moeilijk om te zeggen. Moeilijker dan hij dacht.

„Vandaag mag hij nog even op de mijne,” zei hij. „Eén rondje. Of twee. Omdat hij al een beetje kan. En dan ik.”

Yusuf keek op. Zijn ogen werden groot.

„Echt?”

„Echt,” zei Pim. „Maar wel voorzichtig met de bel. Die is nieuw.”

Oma Truus zei niks. Maar ze kneep heel even in Pims schouder. Heel even maar.


Yusuf stapte op. Hij duwde zich af met één voet. De fiets wiebelde. Toen trapte hij. Eén, twee, drie. En hij reed.

Het ging niet heel recht. Hij zwalkte een beetje tussen de pionnen. Hij raakte er één, en nog één. Maar hij viel niet. Bij de hinkelbaan maakte hij een bocht. Hij belde. Tring tring.

Hij lachte. Een hele grote lach, die zijn hele gezicht vulde.

„Hij kan het!” riep Saar. Ze was gestopt met huilen. Ze hield haar ballon omhoog als een vlag. „Yusuf kan het!”

Yusuf reed nog een rondje. Toen remde hij vlak voor Pim. Hij stapte af en hield de fiets vast.

„Dank je wel,” zei hij. „Hij is heel goed. De bel is ook heel goed.”

„Ja,” zei Pim. „Ik weet het.”

Nu was het zijn beurt.

Henk deed de helm van een ander kind op Pims hoofd. Hij was een beetje te groot en zakte over zijn ogen. Henk draaide aan een knopje achterop. Toen zat hij goed.

Pim pakte het stuur. Het stuur van zijn eigen fiets. Het voelde koud en glad.

Hij ging op het zadel zitten. Zijn voeten kwamen net bij de grond, op zijn tenen.

„Je hoeft niet meteen te trappen,” zei Henk. „Eerst...”

Maar Pim luisterde niet. Pim wilde het nú kunnen. Hij had al de hele dag gewacht. Hij zette zijn voet op de trapper. Hij duwde.

De fiets ging vooruit. Eén meter. Toen helde hij naar links. Pim keek naar zijn voet. Naar het wiel. Naar de grond, die ineens heel snel dichterbij kwam.

Boem.

Hij lag op de tegels. De fiets lag op hem. De bel deed een zielig tring, helemaal uit zichzelf.

Het deed pijn. Aan zijn knie. Hij keek. Er zat een gat in zijn broek. En daaronder een schaafwond, met kleine rode puntjes.

Pim beet op zijn lip. Hij voelde dat de tranen kwamen. Alle tranen van de hele dag. Van de lege plek en de strik en het briefje en de brug. Ze kwamen allemaal tegelijk.

„Ik kan het niet,” huilde hij. „Ik kan het gewoon niet. Ik kan het nooit.”

Oma Truus was er al. Ze tilde de fiets van hem af. Henk hielp hem overeind. Saar kwam aanrennen en sloeg haar armen om zijn middel.

„Niet huilen, Pim,” zei Saar. „Flip mag ook op je knie. Flip is heel zacht.”

Henk haalde de doos pleisters uit zijn bakfiets. Hij zocht. Hij vond een pleister met dinosaurussen erop.

„Die zijn voor de dapperste kinderen,” zei hij. „Ik geef ze bijna nooit weg.”

Hij plakte de pleister op Pims knie. Oma Truus veegde met haar zakdoek zijn gezicht schoon. Ze gaf hem een dropje. Een heel groot dropje, in de vorm van een munt.

Pim snufte. Hij keek naar de klok op de muur van de school. Hij zag de grote wijzer. Die stond bijna op de acht. De kleine wijzer stond tussen de drie en de vier.

„Twintig voor vier,” zei Oma Truus.

Nog twintig minuten. Dan was Papa thuis. En Pim kon nog steeds niet fietsen. Hij was alleen maar gevallen.

„Weet je wat het is,” zei Henk. Hij ging op een bankje zitten, naast de hinkelbaan. „Fietsen is twee dingen tegelijk. Trappen en evenwicht houden. Dat is veel. Dat is te veel, voor de eerste keer.”

„Yusuf kon het wel,” zei Pim.

„Yusuf had al een fiets gehad. Hij wist al hoe evenwicht voelt.” Henk keek naar Pims fiets. „Jij nog niet. Want jij had zijwieltjes. Die houden het evenwicht voor jou. Dus je lichaam weet het nog niet.”

Hij stond op. Hij pakte de schroevendraaier uit zijn borstzak. Toen pakte hij nog iets uit zijn bakfiets: een grote sleutel, van zilverkleurig metaal.

Hij liep naar Pims fiets. Hij ging ernaast op zijn knieën zitten.

En hij zette de sleutel op de trapper.

„Wat doet u?” riep Pim. „Niet doen! U maakt hem kapot!”

Henk keek op. Zijn ogen twinkelden boven zijn grijze baard.

„Nee, jongen,” zei hij. „Ik maak hem beter.”

En hij draaide.