Hoofdstuk 12: Pim fietst
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Henk draaide de linkertrapper eraf. Toen de rechtertrapper. Hij legde ze naast elkaar op het bankje, als twee kleine zwarte koekjes.
Toen draaide hij aan het zadel. Het zakte naar beneden. Een heel stuk.
„Ga maar zitten,” zei hij.
Zonder trappers zag de fiets er raar uit. Net een fiets die zijn schoenen was vergeten.
„Hoe moet ik nou fietsen zonder trappers?”
„Je gaat niet fietsen,” zei Henk. „Je gaat lopen.”
Pim ging zitten. Nu kwamen zijn voeten plat op de grond. Dat voelde meteen veiliger.
„Loop maar,” zei Henk. „Met de fiets tussen je benen. Gewoon stappen. Links, rechts.”
Pim liep. Links, rechts. De fiets rolde mee. Het ging een beetje bonkerig.
„Nu grotere stappen,” zei Henk. „Duw je af. En dan even je voeten optillen. Heel even maar. Tel tot één.”
Pim duwde zich af. Hij tilde zijn voeten op. Eén.
De fiets rolde. Hij helde een beetje over. Pims voet ging vanzelf naar beneden. Maar hij viel niet.
„Nog een keer,” zei Henk. „Nu tot twee.”
Pim duwde. Voeten op. Eén. Twee.
„Nu tot drie.”
Een. Twee. Drie.
Saar stond langs de kant met haar ballon. „Vier!” riep ze. „Doe vier, Pim!”
Yusuf stond naast haar. „Vijf!” riep hij.
Pim duwde zich af. Hij tilde zijn voeten op. Hij rolde. En toen hoorde hij een stem in zijn hoofd. Een stem met twee vlechtjes en een pleister op haar kin.
Kijk niet naar je voeten. Kijk naar waar je heen wilt.
Pim keek op. Aan het eind van het schoolplein stond een boom. Een grote kastanjeboom, met kleine nieuwe blaadjes. Daar keek hij naar. Alleen naar die boom.
Eén. Twee. Drie. Vier. Vijf. Zes.
Hij rolde en rolde. Zijn voeten hingen in de lucht. De fiets bleef recht. Pas vlak voor de boom zette hij zijn voeten weer neer.
Hij draaide zich om. Saar sprong op en neer. Yusuf klapte. Zelfs een paar ouders klapten, met hun koffiebekertje onder hun arm.
„Ik rolde!” riep Pim. „Ik rolde helemaal tot de boom!”
„Dat is evenwicht,” zei Henk. „Nu weet je lichaam hoe het voelt. Dat vergeet het nooit meer.”
Ze deden het nog tien keer. Pim vond het niet eng meer. Het voelde een beetje als vliegen.
Toen draaide Henk de trappers er weer op. Het zadel ging een klein stukje omhoog.
„Nu het echte werk,” zei hij.
Oma Truus kwam naast hem staan. „Ik hou je vast,” zei ze. „Achter aan het zadel.”
„Kunt u wel rennen?” vroeg Pim. „Met uw knieën?”
„Mijn knieën kraken,” zei Oma Truus. „Maar ze rennen nog prima.”
Pim zette zijn voet op de trapper. Hij voelde de hand van Oma Truus achter op zijn zadel. Een stevige, warme hand.
„Niet loslaten, hoor,” zei hij.
„Kijk naar de boom,” zei Oma Truus.
Pim keek naar de boom. Hij duwde. Hij trapte. Eén keer. Twee keer. De fiets ging vooruit. Achter hem hoorde hij Oma Truus hijgen en haar schoenen op de tegels. Klap, klap, klap.
Hij trapte harder. De boom kwam dichterbij.
„Niet loslaten!” riep hij.
„Ik ben hier!” riep Oma Truus.
Maar haar stem klonk ver weg. Heel ver weg.
Pim keek niet om. Hij keek naar de boom. Hij trapte en trapte. Vlak voor de kastanje kneep hij in zijn rem, zoals Henk had gezegd. Hij zette zijn voet op de grond.
Hij stond stil. En hij stond nog steeds.
Toen draaide hij zich om.
Oma Truus stond helemaal aan de andere kant van het plein. Bij de hinkelbaan. Ze had haar handen in de lucht en ze zwaaide. Net als Sjoerd op de dijk. Net als het konijn in het boek.
„Ik heb losgelaten bij de pionnen!” riep ze. „Je deed het helemaal zelf!”
Pim keek naar de pionnen. Die stonden heel ver terug. Hij had dat hele stuk alleen gefietst.
„Ik fiets,” zei hij. Eerst zacht. Toen harder. „Ik fiets! Ik FIETS!”
En toen klonk er nog een stem. Een stem die hij heel goed kende.
„Ja, dat zie ik!”
Bij het hek van het schoolplein stond een man in een blauw jasje. Op zijn borst zat een embleem van de bus. Hij had zijn tas nog over zijn schouder.
„Papa!”
Pim stapte op. Hij duwde zich af. Hij keek naar Papa, niet naar zijn voeten. En hij fietste het hele plein over, tussen de pionnen door, met zijn bel. Tring tring tring. Vlak voor Papa remde hij.
Papa tilde hem op en draaide een rondje met hem.
„Oma Truus belde me,” zei Papa. „Ze zei: ‚Kom naar De Regenboog. Er is iets wat je moet zien.’ Wat is er allemaal gebeurd?”
„Dat is een lang verhaal,” zei Pim.
„Héél lang,” zei Saar. „Met kaas.”
Een tijdje later stonden ze allemaal bij de groene bakfiets. Henk had zijn pionnen opgeruimd. De andere kinderen gingen naar huis.
Henk gaf Pim het glitterbordje.
„Dit is van jullie,” zei hij.
Saar pakte het. Ze draaide het om. Aan de achterkant was het nog bruin karton.
Henk schreef er met een dikke stift iets op en las het voor.
„NIET GRATIS.”
Saar giechelde. „Die ga ik ook inkleuren,” zei ze. „Met nog meer glitter.”
Pim haalde de rode strik uit zijn jaszak. Papa hielp hem. Samen knoopten ze hem weer om het stuur. Hij was gekreukt, en er zat een scheurtje in. Maar hij zat er weer. Waar hij hoorde.
Henk pakte de oranje tulpen uit zijn bak. Hij keek er even naar. Toen gaf hij ze aan Oma Truus.
„Voor u,” zei hij. „Voor de beste fietsjuf van de stad.”
„Ik dacht dat ze voor niemand waren,” zei Oma Truus.
„Vandaag zijn ze voor iemand,” zei Henk.
Oma Truus kreeg nog rodere wangen dan die ochtend in de kou. „Zo, zo,” zei ze. Maar ze lachte erbij.
Yusufs moeder was gekomen om hem op te halen, met een zusje op haar arm.
Pim fietste naar hem toe. Een beetje wiebelig nog, maar hij viel niet.
„Volgende week krijg jij de blauwe,” zei hij. „Zaterdag.”
Yusuf knikte.
„Dan kunnen we samen fietsen,” zei Pim. „Naar de markt. Dan laten we onze fietsen zien aan Gerrit van de kaas. Dat heb ik beloofd. En dan naar de bibliotheek, want daar ligt een boek voor mij.”
„Met een beer,” zei Saar.
„Mag Bonkie ook mee?” vroeg Yusuf.
Bonkie hoorde zijn naam. Hij blafte. Woef. Woef.
„Twee keer,” zei Saar. „Hij wil een koekje.”
Iedereen lachte. Oma Truus gaf Bonkie een koekje. Dat had hij wel verdiend. Ondanks de kaas, de tulpen en de kat.
Toen fietste Pim naar huis. Over de brug, waar Wim zwaaide uit zijn huisje. Langs het kanaal, waar meneer Okafor zijn tomaten water gaf.
Papa liep naast hem, met Saar op zijn schouders en de ballon boven alles uit. Oma Truus kwam erachteraan, met Bonkie en de trolley en een bos oranje tulpen.
Pim keek niet naar zijn voeten.
Hij keek naar waar hij heen wilde. Naar huis. Naar de Merelstraat. Naar de heg, waar de lege plek straks niet meer leeg zou zijn.
Tring tring.