Hoofdstuk 8: De blauwe deur
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Achter het station was het stil. Er reden geen auto's. Er liepen bijna geen mensen. Alleen een man met een hond, en een meeuw die op een paaltje zat en heel hard lachte.
Daar was het kanaal. Het water was groen en bruin en een beetje glimmend van de regen. Aan de kant lagen boten. Een witte met gordijntjes. Een zwarte met een fiets op het dak. Een rode met een hond aan dek, die blafte toen hij Bonkie zag.
Bonkie blafte niet terug. Hij had het vandaag al druk genoeg.
Op een paal stond een bordje: Kanaalweg.
„Hier is het,” zei Pim. „Nu de boot met de tomaten.”
Ze liepen langs het water. Saars ballon dobberde boven hun hoofd. Oma Truus' trolley maakte een hobbelgeluid over de klinkers. Tadoem, tadoem, tadoem.
„Daar!” riep Saar.
Het was een oude houten boot. Hij was breed en laag, met een rond dak. Op het dak stonden potten en bakken en emmers. Er groeiden planten in. Heel veel planten. Kleine groene tomaatjes, nog niet rijp. Kruiden. Een zonnebloem die nog niet bloeide. En helemaal achteraan een geranium in een oude laars.
„Een boot met een tuin,” zei Saar. „Wat mooi.”
Pim draaide zich om. Aan de andere kant van de straat stond een rij lage huisjes. Grijs, met kleine ramen. En in het middelste huisje zat een deur.
Een blauwe deur.
Pims hart maakte een sprongetje. Hij stak de straat over. Hij keek niet eens goed uit. „Pim!” riep Oma Truus. Maar er kwam geen auto. Er kwam hier nooit een auto.
De deur was oud. De verf bladderde een beetje af. Ernaast hing een bord met een getekende fiets. Eronder stond: Henk – fietsen, stoelen, radio's, en alles wat kapot is.
Pim klopte. Bonk, bonk.
Niets.
Hij klopte nog een keer, harder. Bonk, bonk, bonk.
Weer niets.
„Hij is niet thuis,” zei Saar.
Pim drukte zijn neus tegen het raam naast de deur. Het glas was vies. Hij maakte er met zijn mouw een rondje in schoon.
Binnen was het donker, maar hij kon toch van alles zien. Overal hingen fietsen. Aan haken aan het plafond, tegen de muur, op hun kop op een werkbank. Blauwe, gele, zwarte. Een paarse zonder wielen. Op de grond lagen banden en kettingen en een kist vol bellen.
Maar geen rode fiets met een bliksem.
„Hij is er niet,” zei Pim. „Mijn fiets is er niet.”
„Kijk eens,” zei Oma Truus.
Op de deur, een beetje scheef, hing een briefje. Het was met een punaise vastgeprikt. Het papier was nat geworden van de regen en de letters waren wat uitgelopen. Maar je kon het nog lezen.
Oma Truus las het voor.
„Ben op het schoolplein van De Regenboog. Fietsles voor kinderen, van drie tot vijf. Kom gerust. Henk.”
„Fietsles?” zei Pim.
„Van drie tot vijf,” zei Oma Truus. Ze keek op haar horloge. „En het is nu bijna drie.”
„Waar is De Regenboog?”
„Dat is een school,” zei Oma Truus. „Maar ik weet niet waar. Ik kom hier eigenlijk nooit.”
Op dat moment zag Bonkie de kat.
Het was een dikke rode kat. Hij lag op de rand van de tomatenboot, in een plekje zon. Hij likte aan zijn poot. Hij keek heel zelfvoldaan.
Bonkie hield niet van katten. Bonkie vond katten nog brutaler dan mussen.
Hij schoot weg. De riem glipte uit de hand van Oma Truus. Bonkie vloog over de straat, over de kade, over de loopplank. En toen stond hij op de boot.
De kat stond meteen op. Hij zette een hoge rug. Hij blies. Ffffffff.
Bonkie bleef staan. Hij had niet gedacht dat de kat zo groot zou worden. Hij keek om. Hij keek naar de kat. Hij deed een stapje achteruit. Tegen een emmer. De emmer viel om. Er rolde een kluit aarde over het dek.
„Bonkie!” riepen Pim, Saar en Oma Truus tegelijk.
„Wat is hier aan de hand?”
Uit een luikje in het dak kwam een hoofd omhoog. Een hoofd met een groene pet en een grijze baard. Even dacht Pim: dat is Henk! Maar toen kwam de rest van de man ook omhoog, en hij was het niet. Deze man was kleiner en had een lach in zijn gezicht, zelfs nu.
„Ach,” zei de man. Hij keek naar de kat, die nog steeds blies. Naar Bonkie, die nu helemaal plat op het dek lag. En naar de emmer. „Kijk nou. Gezelschap.”
„Sorry!” riep Pim. „Hij wil altijd achter katten aan. Maar hij is niet gemeen. Hij is alleen een beetje dom.”
De man lachte. Hij pakte de kat op en zette hem in het luikje. „Naar binnen, Tomaat. Genoeg drama voor vandaag.” Toen pakte hij Bonkie op. Bonkie liet het gebeuren. Hij leek blij dat hij gered werd.
De man kwam met Bonkie de loopplank af en gaf hem aan Oma Truus.
„Meneer Okafor,” zei hij, en hij gaf iedereen een hand. Ook Saar. Ook Flip. „Ik woon hier. En dat was Tomaat, mijn kat. Hij is niet bang voor honden. Honden zijn bang voor hem.”
„Uw tomatenplant is omgevallen,” zei Saar.
„Die staat zo weer,” zei meneer Okafor. „Wat komen jullie doen, zo ver van het centrum?”
„We zoeken Henk,” zei Pim. „Hij heeft mijn fiets.”
Meneer Okafor keek naar de blauwe deur. „Henk? Henk is mijn buurman. Al vijftien jaar.” Hij krabde in zijn baard. „Je fiets, zeg je? Is het toevallig een rode?”
Pim knikte zo hard dat zijn hoofd ervan duizelde.
„Met een bliksem?”
„Ja!”
„Die heb ik vanochtend gezien,” zei meneer Okafor. „Henk stond hier op de stoep. Hij was hem aan het poetsen. Hij floot erbij. Hij zei: ‚Kijk eens, Okafor. Deze moet glimmen. Vanmiddag krijgt een jongen hem, die nog nooit een eigen fiets heeft gehad.’”
Pim kreeg een knoop in zijn buik.
Vanmiddag. Op de fietsles. Van drie tot vijf.
„Waar is De Regenboog?” vroeg hij. Zijn stem trilde. „Alstublieft. Het is heel belangrijk.”
Meneer Okafor wees langs het kanaal. Daar, in de verte, lag een brug. Een brug van ijzer, wit geverfd. Aan de overkant zag Pim daken en een paar bomen.
„Over de draaibrug,” zei hij. „Dan meteen rechts. De school met de gekleurde ramen. Je kunt het niet missen.”
„Dank u wel!”
Pim rende al. Saar rende achter hem aan, met de ballon. Oma Truus volgde met Bonkie en de trolley. Tadoem, tadoem, tadoem.
„Niet zo hard!” riep meneer Okafor hen na. „De brug...”
Maar de rest hoorde Pim niet meer.
Want aan het eind van de kade begon een bel te rinkelen. Niet een fietsbel. Een grote, harde bel.
En de rood-witte slagbomen voor de brug gingen langzaam naar beneden.