Hoofdstuk 7: Regen in de bibliotheek

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De bibliotheek was een oud gebouw met grote ramen. Boven de deur stond een stenen uil. Hij had regen op zijn kop en keek heel streng.

De deuren schoven vanzelf open. Er kwam warme lucht naar buiten. Het rook naar papier en koffie en een beetje naar natte jassen.

„Ah,” zei Oma Truus. „Heerlijk.”

Ze schudde haar gele regenjas uit. Pim schudde zijn haar uit. Bonkie schudde zichzelf uit, van zijn neus tot zijn staart. Het water vloog in het rond. Een meneer die bij de krantenbak stond, deed een stapje opzij.

„Mag Bonkie hier wel naar binnen?” fluisterde Pim.

„Als hij zich gedraagt,” zei een stem.

Achter een lange balie stond een vrouw. Ze had kort grijs haar en een bril aan een kettinkje. Op haar trui zat een badge: Anouk. Ze glimlachte.

„Bonkie is heel braaf,” zei Saar. „Bijna altijd.”

„Behalve bij kaas,” zei Pim.

„En bij tulpen,” zei Saar.

„En bij mussen,” zei Oma Truus.

Anouk lachte. „Hier hebben we geen kaas, geen tulpen en geen mussen,” zei ze. „Alleen boeken. Dan komt het vast goed.”

Saars ballon botste tegen het plafond. Hij bleef daar hangen, boven de balie, als een rode fiets in de lucht.

„O,” zei Saar.

„Die haal ik straks wel met een bezem naar beneden,” zei Anouk. „Komen jullie schuilen?”

„Ja,” zei Oma Truus. „En zoeken.”

„Naar een boek?”

„Naar een fiets,” zei Pim.

Anouk trok haar wenkbrauwen op. Ze zette haar bril op haar neus. „Een fiets? In de bibliotheek? Dat is nieuw.”

Ze liepen naar de kinderafdeling. Daar stonden lage kasten en grote zachte kussens in de vorm van stenen. Er was een hoek met een tapijt met een plattegrond erop: straten, een rivier, een treinspoor. Saar ging er meteen op liggen, met Flip op haar buik.

Oma Truus pakte het pakje van Gerrit uit haar trolley. „Niet tussen de boeken eten,” zei ze. „Maar daar bij het raam staat een tafel. Daar mag het wel, denk ik.”

„Daar mag het,” zei Anouk.

Ze aten de kaas. Pim had niet gemerkt dat hij zo'n honger had. Het was jonge kaas, zacht en een beetje zoet. Bonkie zat onder de tafel. Hij keek met grote, natte ogen omhoog. Hij deed zijn best om er zo zielig mogelijk uit te zien.

„Nee,” zei Oma Truus. „Jij hebt al genoeg gehad.”

Bonkie zuchtte. Een diepe hondenzucht. Hij legde zijn kop op Pims schoen.

Pim gaf hem stiekem een heel klein stukje korst. Oma Truus deed alsof ze het niet zag.

Anouk kwam erbij zitten, op een stoel die eigenlijk te klein voor haar was. „Vertel eens,” zei ze. „Welke fiets?”

Pim vertelde het. Hij hoefde nu niet eens meer na te denken. Rood, zilveren bel, bliksem, strik. De lege plek. Fatima. Gerrit. Jasmijn. Bart. Noor.

En Henk.

Bij die naam zette Anouk haar bril recht.

„Henk?” zei ze. „Met een grijze baard? En een groene bakfiets die piept als een muis met keelpijn?”

„Ja!” riepen Pim en Saar tegelijk.

„Ssst,” zei een mevrouw achter een tijdschrift.

„Sorry,” fluisterde Pim. „Ja. Die.”

„Die ken ik heel goed,” zei Anouk zacht. „Wij hebben hier ook een bakfiets. Een boekenbakfiets. Daarmee brengen we boeken naar mensen die niet meer zelf kunnen komen. Mensen die oud zijn, of ziek. Vorige winter was hij kapot. De ketting was gebroken en de rem deed het niet. Toen heeft Henk hem gemaakt. Hij wilde er niks voor hebben. Alleen een boek over oude fietsen.”

„Weet u waar hij woont?” vroeg Pim. „Noor zei: bij het water. Met een blauwe deur.”

„En een boot met planten,” zei Saar vanaf het tapijt.

„Dat klopt,” zei Anouk. „Op de Kanaalweg. Aan het kanaal, achter het station. Als je de Kanaalweg in loopt, ligt er een oude boot met tomatenplanten erop. Daar tegenover is een blauwe deur. Dat is zijn werkplaats.”

Pim sprong op. „Dan gaan we daarheen!”

„Nu?” zei Oma Truus. Ze keek naar het raam. De regen kletterde nog steeds tegen het glas. In de goot stroomde een riviertje.

„Wacht maar even,” zei Anouk. „Zo'n bui is zo voorbij. En weet je wat? Ik heb iets voor je, voor het wachten.”

Ze liep naar een kast en kwam terug met een boek. Het was een prentenboek. Op de voorkant stond een tekening van een beer op een fiets. De beer had een helm op en zijn tong uit zijn mond.

„Hoe leer je fietsen,” las Anouk voor. „Met stappen. Voor beren en voor kinderen.”

Pim pakte het boek. Hij sloeg het open. Hij kon nog niet alles lezen. Maar hij kon wel de plaatjes zien.

Op de eerste bladzijde stond de beer naast zijn fiets. Op de tweede zat hij erop, met zijn voeten op de grond. Op de derde liep hij met de fiets tussen zijn benen. Zo leerde hij sturen. Op de vierde hield een konijn de beer vast, achter aan het zadel. En op de vijfde...

„Daar laat het konijn los,” zei Saar. Ze was naast hem komen zitten. „Kijk. Hij weet het niet eens.”

Het was waar. De beer fietste. Het konijn stond achter hem en zwaaide. En de beer had het niet door.

„Waar kijkt die beer naar?” vroeg Anouk.

Pim keek goed. „Naar een boom,” zei hij. „Heel ver weg. Niet naar zijn voeten.”

„Slimme beer,” zei Anouk.

Pim las het boek nog een keer. En nog een keer. Saar las ook mee, al kon ze nog helemaal niet lezen. Ze deed het gewoon met haar vinger.

Toen keek Oma Truus op de grote klok boven de deur.

„Kwart over twee,” zei ze. „En kijk eens. Het is droog.”

Het was echt droog. De zon was terug. Hij scheen op de natte straat, die nu glom als een spiegel.

„Mag ik dit boek lenen?” vroeg Pim.

„Heb je een pasje?”

Pim schudde zijn hoofd.

„Kinderen kunnen gratis lid worden,” zei Anouk. „Daar heb ik je mama of papa wel voor nodig. Kom maar een keer terug met ze. Dan leg ik het voor je opzij.” Ze schreef iets op een geel briefje en plakte het op het boek. Voor Pim. Niet uitlenen!

Ze haalde met een bezemsteel de ballon van het plafond. Saar pakte hem blij aan.

„Succes,” zei Anouk bij de deur. „Kanaalweg. Blauwe deur. Boot met tomaten.”

„Dank u wel!” riep Pim.

„Ssst,” zei de mevrouw achter het tijdschrift.

Buiten was de lucht fris en schoon. Een merel zat op de stenen uil en zong.

„Nog maar één uur en drie kwartier,” zei Pim. „Dan komt Papa thuis.”

„Dan moeten we opschieten,” zei Oma Truus.

En Bonkie, die het allemaal heel goed begreep, trok al aan de riem. Richting het station.