Hoofdstuk 6: De rode fiets in de speeltuin

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Tring tring.

Pim liet Saars hand los en rende door het hek.

De speeltuin lag midden in het park. Er was een klimrek in de vorm van een schip. Er waren schommels, een wip en een glijbaan die zo hoog was dat je er buikkriebels van kreeg. Rond de speeltuin liep een rond pad van rode tegels. En op dat pad reed een meisje op een fiets.

Een rode fiets. Met een zilveren bel.

„Hé!” riep Pim. „Hé, stop!”

Het meisje keek om. Ze slingerde even, maar ze viel niet. Ze remde, zette een voet op de grond en bleef staan. Ze had twee vlechtjes en een pleister op haar kin.

„Wat?” zei ze.

Pim kwam hijgend bij haar. Hij keek naar de fiets. Hij keek heel goed.

De fiets was rood. Dat klopte. Hij had een zilveren bel. Dat klopte ook. Maar voorop zat een mandje. Een wit mandje, met plastic bloemetjes eraan. En op de stang, waar de bliksem moest zitten, zat een sticker van een eenhoorn.

Het was zijn fiets niet.

„O,” zei Pim.

Meer kon hij niet zeggen. Het voelde alsof er een ballon in hem leegliep. Langzaam, met een piepend geluid.

„Wat is er?” vroeg het meisje. „Waarom riep je?”

Oma Truus kwam erbij, met Saar en Bonkie. Bonkie snuffelde aan het wiel van de fiets. Toen verloor hij zijn belangstelling en snuffelde aan een prullenbak.

„Pim zoekt zijn fiets,” zei Saar. „Hij is weg. Hij is ook rood. En hij heeft ook een bel. Maar geen mandje.”

„En geen eenhoorn,” zei Pim. „Een bliksem.”

„O,” zei het meisje. „Sorry.”

„Het is niet jouw schuld,” zei Pim.

Hij ging op de rand van de zandbak zitten. Hij had ineens geen zin meer om te rennen. Of om te zoeken. De zon was achter een wolk gekropen. Het was kouder geworden.

Het meisje zette haar fiets op de standaard. Ze kwam naast hem zitten.

„Ik ben Noor,” zei ze. „Ik ben zeven.”

„Pim. Zes.”

„Kun je al fietsen?”

Pim schudde zijn hoofd. „Met zijwieltjes wel. Zonder nog niet. Vandaag zou ik het leren. Maar nu is mijn fiets weg.”

Noor knikte, alsof ze dat heel goed begreep.

„Ik kon het eerst ook niet,” zei ze. „Ik viel steeds. Kijk.” Ze wees naar de pleister op haar kin. „Die is van vorige week. En ik heb er ook nog een op mijn knie. En op mijn elleboog had ik een korstje, maar dat heb ik eraf gehaald.”

„Bah,” zei Saar.

„Weet je wat het geheim is?” vroeg Noor.

Pim keek op. „Wat?”

Noor boog zich naar hem toe. Ze fluisterde, alsof het een heel groot geheim was.

„Je moet niet naar je voeten kijken,” zei ze. „Iedereen kijkt naar zijn voeten. Of naar het wiel. En dan val je. Je moet kijken naar waar je heen wilt. Heel ver weg. Naar een boom of zo. Dan gaat de fiets vanzelf die kant op.”

„Echt?”

„Echt. Dat heeft Henk gezegd.”

Pim schoot overeind. Zo snel dat hij bijna in de zandbak viel.

„Henk?” zei hij. „Ken jij Henk?”

„Natuurlijk,” zei Noor. „Henk de fietsendokter. Van hem heb ik deze fiets gekregen.”

Oma Truus kwam dichterbij. „Zo, zo,” zei ze. „Vertel eens, Noor. Hoe zit dat?”

Noor vertelde. Haar vorige fiets was gestolen. Echt gestolen, van het schoolplein. Haar mama had geen geld voor een nieuwe. Toen had de juf van school Henk gebeld. En Henk had een oude fiets gemaakt. Hij had hem geschuurd en geverfd en een nieuwe ketting erop gezet. En de bel. Het mandje had Noor er zelf aan gedaan.

„Henk maakt fietsen voor kinderen die er geen hebben,” zei Noor. „Hij vindt ze bij het grofvuil. Of mensen geven ze aan hem. En dan maakt hij ze weer heel. En daarna geeft hij ze weg.”

Pim zei niks. Hij dacht na. Dat was best moeilijk, want er zaten heel veel gedachten tegelijk in zijn hoofd. Ze botsten tegen elkaar op, als botsautootjes.

Henk maakte fietsen voor kinderen die er geen hadden. Dat was aardig. Heel aardig zelfs.

Maar Pim hád een fiets. En die had Henk meegenomen.

„Was Henk hier vandaag?” vroeg Oma Truus.

„Net,” zei Noor. „Hij kwam even kijken of mijn banden hard genoeg waren. Dat doet hij altijd. Hij zei dat ik heel goed fietste.” Ze glom een beetje. „En toen ging hij weer.”

„Had hij een rode fiets bij zich?” vroeg Pim. „In zijn bak?”

Noor haalde haar schouders op. „Er lag een deken in. En bloemen. Ik heb niet onder de deken gekeken.”

Natuurlijk niet. Niemand keek ooit onder die deken.

„Weet je waar Henk woont?” vroeg Pim.

Noor fronste. „Ergens bij het water,” zei ze. „Hij heeft een werkplaats. Met een blauwe deur. Ik ben er één keer geweest, met mama. Maar ik weet niet meer welke straat.” Ze dacht nog even na. „Er stond een boot voor. Een oude boot, met planten erop.”

Een blauwe deur. Bij het water. Een boot met planten.

Dat was een spoor. Een klein spoor, maar toch.

Er viel een druppel op Pims neus. Toen nog een. Op zijn hand. Op Flips oor.

Saar keek omhoog. „Het gaat regenen.”

„Het regent al,” zei Noor. Ze sprong op haar fiets. „Ik moet naar huis. Mama wordt boos als ik nat word.” Ze trapte. Het ging een beetje wiebelig, maar ze bleef rijden. Na een paar meter riep ze over haar schouder: „Niet naar je voeten kijken, Pim! Onthoud het!”

En weg was ze. Tring tring.

Het regende harder. Grote, koude druppels, die op de tegels spatten. De zandbak werd donker. De glijbaan werd glad. Een moeder met een buggy rende langs, met een regenhoes over het karretje.

„Kom,” zei Oma Truus. Ze zette haar gele regenmuts recht. „We moeten schuilen. Anders worden we soep.”

„Waar dan?” vroeg Saar. Haar ballon danste wild in de wind.

Oma Truus keek om zich heen. Toen glimlachte ze.

„Ik weet een goede plek,” zei ze. „Droog en warm. En vol met mensen die dingen weten.”

„Waar?” vroeg Pim.

„In de bibliotheek,” zei Oma Truus. „Die is hier vlakbij. Op de hoek van het Kerkplein.”

Pim keek naar het pad. Daar lagen nog de sporen van Noors fiets in het natte zand. Ze werden al uitgewist door de regen.

Kijk naar waar je heen wilt, dacht hij.

Maar waar wilde hij heen? Naar een blauwe deur. Ergens bij het water.

En hij wist niet eens waar dat was.