Hoofdstuk 5: Waar is Saar?

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Saar?”

Pim keek naar links. Daar stond de bloemenkraam. Geen Saar.

Hij keek naar rechts. Daar liepen mensen. Veel mensen. Benen en tassen en jassen. Geen Saar.

„Oma Truus! Saar is weg!”

Oma Truus draaide zich om. Ze was net bezig geld in Jasmijns hand te stoppen, voor de tulpen. Jasmijn wilde het niet hebben. Maar toen Oma Truus Pim hoorde, vergat ze het geld meteen.

„Weg? Ze stond hier net nog!”

„Ze is weg!” Pim raapte de gele tulp op. „Ze heeft haar bloem laten vallen!”

Oma Truus werd heel wit. Witter dan Bonkies witte oor.

„Saar!” riep ze. Haar stem was hoog en hard. „Saar! Saartje!”

Een paar mensen keken op. Een mevrouw met een rieten mand vroeg: „Bent u iemand kwijt?”

„Een meisje,” zei Oma Truus. „Vier jaar. Rode jas, laarsjes met lieveheersbeestjes. En een konijn.”

„Een echt konijn?”

„Een knuffelkonijn.”

Jasmijn kwam achter haar kraam vandaan. „Ik zoek mee,” zei ze. „Ik loop deze kant op. U die kant.”

Pims hart bonsde. Nog harder dan toen Fatima over de bakfiets vertelde. Zijn fiets kwijt was erg. Maar Saar kwijt was veel erger. Dat wist hij ineens heel zeker. Je kon een nieuwe fiets krijgen. Maar geen nieuwe Saar.

Hij dacht aan wat Saar had gezegd. Ik moet iets zeggen. Het is belangrijk. En hij had gezegd: Niet nu.

Dat had hij niet moeten doen.

Bonkie stond stil. Zijn neus ging op en neer. Hij snuffelde aan de gele tulp in Pims hand. Toen snuffelde hij aan de grond.

„Bonkie,” zei Pim. „Zoek Saar. Zoek!”

Bonkie keek hem aan met zijn hoofd scheef. Het witte oor omhoog, het bruine oor omlaag.

„Saar,” zei Pim nog eens. „Je weet wel. Ze geeft jou altijd haar korstjes.”

En Bonkie ging. Hij trok de riem uit Oma Truus' hand en rende weg. Pim rende achter hem aan. Oma Truus rende achter Pim aan, met de paarse trolley die over de stenen ratelde.

Langs de sokkenkraam. Langs de viskraam. De haringman riep: „Ho, ho, rustig aan!” Langs een kraam met telefoonhoesjes. Langs een draaiorgel, een grote, met poppetjes die met hun armen zwaaiden.

En toen bleef Bonkie staan. Hij ging zitten. Hij blafte één keer. Woef.

Ze stonden onder de wolk van ballonnen.

En onder de ballonnen, op een omgekeerd kratje, zat Saar.

Ze had een rode ballon in haar hand. Een ballon in de vorm van een fiets. Ze keek er heel ernstig naar.

Naast haar stond de lange man. Hij was echt heel lang. Zijn hoofd kwam bijna tot de onderste ballonnen. Hij had een gestreepte trui aan en een hoge hoed op. Om zijn pols zaten honderd touwtjes.

„Saar!” riep Pim.

Hij rende naar haar toe en sloeg zijn armen om haar heen. Zo hard dat de fietsballon tegen zijn hoofd botste.

„Au,” zei Saar. „Je drukt Flip plat.”

Oma Truus kwam aan. Ze zei niks. Ze ging op haar knieën zitten, op de natte stenen, en drukte Saar tegen zich aan. Krak, deden haar knieën. Ze lette er niet op.

„Nooit meer zomaar weglopen,” zei ze in Saars haar. „Hoor je me? Nooit meer.”

„Ik liep niet zomaar,” zei Saar. „Ik ging iets doen.”

„Wat dan?”

Saar wees naar de lange man.

„Ik ging het vragen,” zei ze. „Aan Bart. Van de fiets. Omdat Jasmijn zei dat Bart alles ziet. En ik wilde helpen. Ik wilde heel erg helpen.”

Ze keek naar Pim. Haar onderlip trilde. Net als die van Pim die ochtend.

„Ik wil dat je fiets terugkomt,” zei ze. „Echt heel erg.”

Pim wist niet goed wat hij moest zeggen. Dus hij zei: „Dank je wel, Saar.”

De lange man boog zich naar hen toe. Zijn hoge hoed wiebelde.

„Ze kwam hier aan als een raket,” zei hij. „En ze vroeg meteen: ‚Hebt u een man gezien met een groene bakfiets en een rode fiets met een bliksem?’ Ik zei: ‚Waar is je mama?’ En zij zei: ‚Bij de bakkerij.’ Toen heb ik haar maar even op mijn kratje gezet. Ik wist dat er wel iemand zou komen.” Hij knipoogde naar Bonkie. „Ik dacht alleen niet dat het een hond zou zijn.”

„U bent Bart,” zei Pim.

„Dat ben ik,” zei Bart. Hij tikte tegen zijn hoed. „Ballonnen-Bart. Al dertig jaar op dit plein.”

„Hebt u hem gezien?” vroeg Pim. „De man met de bakfiets? Hij heet Henk.”

„Henk,” zei Bart. „Natuurlijk ken ik Henk. Iedereen kent Henk.” Hij keek omhoog, alsof het antwoord tussen de ballonnen hing. „Ja. Hij reed hier langs. Een halfuur geleden, zoiets. Met tulpen voorop, en iets onder een deken.”

„Mijn fiets,” zei Pim.

„Dat kan best,” zei Bart. „Ik zag een rood wiel. Hij piepte vreselijk, die bakfiets. Ik riep nog: ‚Henk, je moet je eigen fiets eens maken!’ En hij riep terug: ‚Eerst die van een ander!’”

„Waar ging hij heen?” vroeg Oma Truus.

Bart wees met een lange arm. Over het plein, langs het stadhuis, naar een straat met hoge bomen.

„Naar het park,” zei hij. „Hij zei dat hij in de speeltuin moest zijn.”

„In de speeltuin?” zei Pim. „Wat moet een grote man in de speeltuin?”

„Dat moet je hem zelf maar vragen,” zei Bart.

Pim keek naar de straat met de bomen. Hij keek naar Saar met de fietsballon. Ze leek nu wat vrolijker. Ze liet de ballon dansen aan het touwtje.

„Wat kost de ballon?” vroeg Oma Truus. Ze pakte haar portemonnee.

„Die is al betaald,” zei Bart.

„Door wie?”

„Door haar,” zei Bart, en hij wees naar Saar. „Ze heeft me alles verteld over haar konijn. Dat vind ik genoeg.”

Saar straalde.

Oma Truus pakte Saars hand. Deze keer heel stevig. Pim pakte Saars andere hand. Zo liep Saar tussen hen in, met de ballon boven haar hoofd.

„Nu kunnen we je niet meer kwijtraken,” zei Pim. „We zien je altijd. Door de ballon.”

„Ik ben een vuurtoren,” zei Saar.

Bonkie liep voorop. Ze staken het plein over, langs het stadhuis, naar de straat met de hoge bomen.

Achter het hek van het park hoorde Pim kinderen gillen en lachen. En een bel. Een fietsbel. Tring tring.

Hij bleef stokstijf staan.

Want zo klonk zijn bel. Precies zo.