Hoofdstuk 4: Tulpen voor niemand

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Pim rende tussen de mensen door. Langs een mevrouw met een tas vol prei. Langs een kind in een buggy dat hem met grote ogen nakeek.

„Pim! Wacht!” riep Oma Truus achter hem.

Maar Pim wachtte niet. Hij zag het groene ding. Het stond naast de bloemenkraam, half achter de emmers. Het had wielen. Het had een bak.

Hij was er bijna. Nog drie stappen. Nog twee.

Toen stond hij stil.

Het was geen bakfiets. Het was een kar. Een houten handkar, groen geverfd, met twee grote wielen. In de kar stonden nog meer emmers met bloemen. Op de zijkant stond met witte krulletters: Bloemen van Jasmijn.

Pim voelde zich ineens heel klein. Zo klein als een tulpenbol.

Oma Truus kwam hijgend aan. Saar hing aan haar hand. Bonkie liep voorop, met zijn tong uit zijn bek.

„Jij... bent... snel,” zei Oma Truus. Ze moest even op adem komen.

„Het was een kar,” zei Pim zacht. „Gewoon een kar.”

En toen gebeurde er weer iets.

Bonkie had een emmer gezien. Een grote zinken emmer, vol water en gele tulpen. Op de rand van de emmer zat een mus. Bonkie hield niet van mussen. Bonkie vond dat mussen veel te brutaal waren.

Hij sprong naar de mus. De mus vloog weg. Bonkie niet. Bonkie botste tegen de emmer.

De emmer wiebelde. Hij wiebelde nog een keer.

En toen viel hij om.

Plons.

Het water stroomde over de stenen. De tulpen lagen in een plas. Bonkie stond er middenin, met natte pootjes en een verbaasde kop. Er hing een tulp over zijn witte oor. Net een hoedje.

„O nee,” zei Oma Truus. „O nee, o nee. Eerst de kaas en nu dit.”

Achter de kraam kwam een jonge vrouw tevoorschijn. Ze had krullend zwart haar met een geel lint erin en ze droeg een groene schort met natte vlekken. Ze keek naar de plas. Ze keek naar Bonkie met de tulp op zijn oor.

Toen begon ze te lachen. Zo hard dat ze zich aan de kraam moest vasthouden.

„Nou,” zei ze, toen ze weer kon praten. „Dat is de mooiste hond die ik vandaag heb gezien.”

„Het spijt me zo,” zei Oma Truus. „Ik betaal het. Echt.”

„Ach,” zei de vrouw. „Ze waren toch al een beetje slap. Ik ben Jasmijn.” Ze zette de emmer weer recht en raapte de tulpen op. Pim hielp mee. Saar ook. Flip hielp niet, want Flip was een konijn.

„Zoeken jullie iets?” vroeg Jasmijn. „Jij kwam hier aanrennen alsof er brand was.”

Pim vertelde het weer. Hij was er nu goed in. Van de lege plek, van het spoor, van de strik in de goot. Van Fatima en de groene bakfiets. Van Gerrit en de man die Henk heette.

„Gerrit zei dat Henk hier bloemen ging kopen,” zei Pim. „Is hij hier geweest?”

Jasmijn knikte meteen.

„Henk? Ja hoor. Een uur geleden, of zo. Hij koopt elke zaterdag een bosje. Vandaag oranje tulpen.” Ze glimlachte. „Hij zegt altijd dat ze voor niemand zijn. ‚Voor niemand, Jasmijn,’ zegt hij dan. ‚Gewoon voor in de vensterbank.’ Maar ik denk dat ze voor iemand zijn.”

„Had hij een fiets?” vroeg Pim. „In zijn bak? Een rode?”

Jasmijn dacht na. Ze draaide een tulp rond tussen haar vingers.

„Er lag iets onder een deken,” zei ze. „Ik vroeg nog: ‚Wat heb je daar, Henk? Nieuwe klant?’ En toen tilde hij een puntje van de deken op. En ik zag een wiel. Een rood wiel. Met een bel ernaast, dacht ik. Zo'n zilveren.”

Pim kreeg het warm en koud tegelijk.

„Dat is hem,” zei hij. „Dat is mijn fiets.”

„En wat zei Henk?” vroeg Oma Truus.

Jasmijn legde de tulp neer.

„Hij zei: ‚Deze is voor een kind dat hem hard nodig heeft.’”

Het werd stil. Even hoorde Pim alleen de markt. Het orgeltje. De haringman. Een kind dat ergens huilde.

Toen zei hij: „Maar ík heb hem hard nodig!”

Het kwam er harder uit dan hij wilde. Een paar mensen keken om.

„Ik ga vandaag fietsen zonder zijwieltjes,” zei hij. „Om vier uur. Met Papa. Dat is al de hele week zo. Hij kan mijn fiets niet zomaar aan een ander kind geven. Dat mag niet. Het is míjn fiets!”

Zijn ogen prikten. Hij wreef er hard met zijn mouw over.

Oma Truus legde een hand op zijn schouder. Een warme hand, die een beetje naar kaas rook.

„Natuurlijk is het jouw fiets,” zei ze. „Niemand zegt dat het niet zo is.”

„Henk wel,” zei Pim.

„Henk weet het misschien niet,” zei Oma Truus. „Dat is iets anders.”

Pim snapte niet hoe je dat niet kon weten. Er zat een bliksem op. Er zat een strik op. Nou ja, eerst.

Saar stond heel stil naast hem. Ze had Flip zo stevig vast dat zijn oren plat lagen.

„Pim,” zei ze. „Ik moet iets zeggen.”

„Niet nu, Saar.”

„Maar het is belangrijk.”

„Mijn fiets is belangrijk!”

Saar deed haar mond dicht. Ze keek naar haar laarsjes. Een lieveheersbeestje was nat geworden van het tulpenwater.

Jasmijn keek van Pim naar Saar. Toen ging ze op haar hurken zitten, zodat ze net zo groot was als zij.

„Weet je wat ik denk?” zei ze. „Ik ken Henk al heel lang. En Henk is iemand die alles maakt wat kapot is. Stoelen. Radio's. Mijn kar daar ook, toen er een wiel af was. Henk pakt nooit iets af. Dat is gewoon niet wat hij doet.”

„Waar is hij nu?” vroeg Pim.

„Hij had zijn bakfiets daar gezet,” zei Jasmijn. Ze wees naar de hoek van de kerk, waar een paar fietsen tegen een hek stonden. „En hij liep de markt over. Toen ik weer keek, waren hij en de bakfiets weg.”

„Welke kant op?”

„Dat heb ik niet gezien. Sorry, jongen. Ik had het druk met de tulpen.”

Pim liet zijn schouders zakken. Weg. Weer weg.

Jasmijn stond op. Ze pakte een gele tulp uit de omgevallen emmer. Hij was nog heel. Ze schudde het water eraf en gaf hem aan Saar.

„Voor jou,” zei ze. „Omdat je zo goed hebt geholpen met oprapen.”

Saar keek naar de tulp. Ze zei niet eens dank je wel. Ze stopte hem tussen Flips oren.

„En voor jou,” zei Jasmijn tegen Pim, „heb ik een tip. Vraag het aan Bart. Bart staat daar, met de ballonnen. Bart ziet alles. Hij staat de hele dag op dezelfde plek en hij is heel lang.”

Pim keek. Aan de andere kant van het plein zag hij een wolk van ballonnen. Rood, blauw, groen, een paarse in de vorm van een eenhoorn. Eronder stond een man die inderdaad heel lang was.

„Kom,” zei Pim. „Saar, kom.”

Hij draaide zich om.

Maar naast hem stond niemand meer.

Er lag alleen een gele tulp op de grond.