Hoofdstuk 3: Kaas op de markt
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het Kerkplein was vol. Vol kramen, vol mensen, vol geluid.
Er was een kraam met appels en peren. Een kraam met sokken, drie paar voor vijf euro. Een kraam met vis, waar een man in een witte schort riep: „Haring! Verse haring!” Er was een kraam met stroopwafels. Die rook zo lekker dat Saar bleef staan en haar neus in de lucht stak, net als Bonkie.
„Eerst de fiets,” zei Pim.
„Eerst de stroopwafel,” zei Saar.
„Eerst allebei doorlopen,” zei Oma Truus. „Hand vasthouden, Saar. Het is hier druk.”
Saar pakte de hand van Oma Truus. Met haar andere hand hield ze Flip vast. Pim liep voorop, naast Bonkie. Hij keek overal. Tussen de kramen. Achter de kramen. Onder de kramen.
Hij zag een kinderwagen. Hij zag een man met een hond in een tas. Hij zag een meneer op een scootmobiel met een vlaggetje.
Maar geen groene bakfiets. En geen rode fiets.
Bonkie trok steeds harder. Zijn nagels tikten op de stenen. Tik-tik-tik-tik.
„Hij weet waar hij heen wil,” zei Pim.
„O ja,” zei Oma Truus. „Dat weet hij zeker.”
Aan het eind van de rij stond een grote kraam met een gele luifel. Op de luifel stond in groene letters: GERRIT KAAS. Op de toonbank lagen kazen zo groot als autobanden. Jonge kaas, oude kaas, kaas met komijn, kaas met brandnetel. Er stond een bordje met Proeven mag! En daaronder stond een schaaltje met blokjes kaas en prikkertjes.
Bonkie zag het schaaltje.
Toen ging alles heel snel.
Bonkie sprong. Met zijn korte pootjes kwam hij niet hoog. Maar wel hoog genoeg om met zijn neus tegen het schaaltje te stoten. Het schaaltje kantelde. De blokjes kaas regenden naar beneden. Op de stenen. Op Pims schoenen. Op Bonkies kop.
En Bonkie at. En at. En at.
„Bonkie!” riep Oma Truus. „Foei! Bonkie, nee!”
Bonkie at nog een blokje. Toen nog een. Toen keek hij omhoog. Er zat een stukje kaas op zijn witte oor.
Saar lag dubbel van het lachen. Zelfs Pim moest een beetje lachen. Het kwam vanzelf, uit zijn buik.
Achter de toonbank verscheen een grote man. Hij had een rond gezicht en een snor die aan de uiteinden omhoog krulde. Hij droeg een witte jas en een pet met een kaasje erop.
„Zo,” zei de man. „Dat is een hond met smaak.”
„Het spijt me vreselijk,” zei Oma Truus. Haar wangen werden nog roder dan ze al waren. „Ik betaal het natuurlijk.”
„Welnee,” zei de man. „Proeven mag. Dat staat er toch?” Hij wees naar het bordje. „Er staat niet bij dat het alleen voor mensen is.”
Hij boog zich over de toonbank en keek naar Bonkie. „Hoe heet die rakker?”
„Bonkie,” zei Saar. „En ik heet Saar. En dit is Flip. En dit is Pim. Pim is zijn fiets kwijt.”
„Gerrit,” zei de kaasboer, en hij tikte tegen zijn pet. „Je fiets kwijt? Dat is vervelend. Hoe ziet hij eruit?”
Pim stak weer zijn vingers op. Rood. Zilveren bel. Bliksem. Hij haalde de natte strik uit zijn jaszak.
„En deze zat erop,” zei hij. „Maar die is eraf gevallen. Bonkie heeft hem gevonden.”
„En een postbode heeft een man gezien,” zei Oma Truus. „Vanochtend vroeg. Op een groene bakfiets. Met iets roods in de bak.”
Gerrit trok aan zijn snor. Eerst aan de ene kant. Toen aan de andere kant.
„Een groene bakfiets,” zei hij langzaam. „Een oude? Die piept?”
„Ja!” riep Pim.
„Dan weet ik wie dat is,” zei Gerrit. „Dat is Henk.”
„Wie is Henk?”
„Henk komt hier elke zaterdag,” zei Gerrit. „Al jaren. Hij koopt altijd een stuk oude kaas. Met zoutkorrels erin, zo hard als een baksteen. Dat vindt hij het lekkerst. Vanochtend was hij er ook. Héél vroeg. Ik was mijn kraam nog aan het opbouwen.”
„Had hij een fiets bij zich?” vroeg Pim. „Een rode?”
Gerrit dacht na. „Er lag wel wat in zijn bak,” zei hij. „Maar er lag een deken overheen. Een oude paardendeken. Ik heb niet gezien wat eronder zat. Er stak wel een stuur uit. Dat weet ik nog. Want hij stootte bijna mijn luifel om.”
Pim keek naar Oma Truus. Oma Truus keek naar Pim.
Een stuur. Onder een deken.
„Waarom zou iemand een deken over een fiets leggen?” vroeg Pim.
„Zodat hij niet nat wordt,” zei Saar.
„Of zodat niemand hem ziet,” zei Pim.
Oma Truus zei: „Zo, zo.” Verder zei ze niks.
„Henk is geen boef, hoor,” zei Gerrit snel. „Henk is een prima vent. Hij helpt altijd mensen.”
„Hij heeft mijn fiets,” zei Pim.
„Misschien,” zei Gerrit. „Misschien ook niet. Er zijn veel rode fietsen op de wereld.”
„Niet met een bliksem,” zei Pim.
Daar had Gerrit niks op te zeggen.
„Waar is Henk nu?” vroeg Oma Truus.
Gerrit wees met zijn kaasmes naar de andere kant van het plein. „Hij zei dat hij nog bloemen ging kopen. Bij Jasmijn. Dat is de kraam met de tulpen, daar bij de kerk. Hij koopt altijd bloemen op zaterdag. Voor wie weet ik niet.”
„Dan gaan we daarheen,” zei Pim. Hij draaide zich al om.
„Wacht even,” zei Gerrit.
Hij sneed een plak van een grote jonge kaas. Toen nog een, en nog een. Hij wikkelde ze in papier en gaf het pakje aan Oma Truus.
„Voor onderweg,” zei hij. „Speurneuzen moeten eten. En deze is níét voor de hond.”
Bonkie keek naar het pakje. Hij likte zijn snuit af.
„Dank u wel,” zei Oma Truus. „Wat bent u aardig.”
„Hoeveel moet het kosten?”
„Een fiets met een bliksem,” zei Gerrit. „Als je hem vindt, kom je hem laten zien. Dat is genoeg.”
Pim knikte. Dat beloofde hij.
Ze liepen weg van de kaaskraam. Bonkie keek nog drie keer om. Bij de vierde keer trok Oma Truus hem mee.
Pim keek naar de kerk. Daar, onder de grote toren, zag hij emmers vol bloemen staan. Geel, oranje, roze, wit.
En achter de emmers, heel even, dacht hij iets groens te zien. Iets groots en groens, met een bak voorop.
„Daar!” riep hij. „Ik zie hem!”
En hij begon te rennen.