Hoofdstuk 2: De rode strik
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De Merelstraat was een lange straat. Er stonden huizen met rode daken en huizen met grijze daken. Voor elk huis lag een tuintje. In sommige tuintjes stonden tulpen. In één tuintje stond een kabouter met een hengel.
Bonkie snuffelde aan alles.
Aan een lantaarnpaal. Aan een vuilnisbak. Aan de kabouter.
„Bonkie, dat is geen fiets,” zei Pim.
Bonkie tilde zijn poot op bij de kabouter.
„Bonkie!” riep Oma Truus.
Saar giechelde. Het was voor het eerst die ochtend dat ze lachte.
Pim lachte niet. Hij keek naar de stoep. Naar de straat. Naar de tuintjes. Overal zag hij dingen die rood waren. Een rode auto. Een rode brievenbus. Een rode bal in een vijvertje. Maar geen rode fiets.
„Hoe ziet hij er ook alweer uit?” vroeg Oma Truus. „Je fiets. Dan weet ik waar ik op moet letten.”
Pim stak zijn vingers op.
„Hij is rood,” zei hij. Eén vinger. „Hij heeft een zilveren bel.” Twee vingers. „Er zit een bliksem op. Een sticker.” Drie vingers. „En er zit een strik om het stuur. Een grote. Ook rood.”
„Van je verjaardag,” zei Saar.
„Die mag nooit af,” zei Pim.
„Zo, zo,” zei Oma Truus. „Een fiets met een strik. Die herken ik uit duizenden.”
Halverwege de straat woonde meneer Poelstra. Hij stond in zijn tuin met een schoffel. Zijn hond, een grote zwarte, keek over het hek naar Bonkie. Bonkie keek terug. Toen besloot Bonkie dat hij die hond niet had gezien, en liep snel verder.
„Meneer Poelstra!” riep Pim. „Hebt u mijn fiets gezien?”
Meneer Poelstra leunde op zijn schoffel. „Je fiets? Die rode?”
„Ja!”
„Gisteravond nog. Bij jullie heg.” Hij krabde onder zijn pet. „Vanochtend niet. Toen sliep ik nog. Ik slaap op zaterdag altijd lang. Mijn hond niet. Mijn hond is om zes uur wakker.”
De zwarte hond blafte. WOEF. Dat klonk heel anders dan bij Bonkie. Meer als een donderslag.
„Dank u wel,” zei Oma Truus beleefd. En ze liepen een beetje sneller door.
Aan het eind van de straat was een hoek. Daar liep de Merelstraat over in de Lijsterlaan. Op de hoek stond een bankje. Naast het bankje was een stoeprand met een goot.
Bonkie bleef staan.
Hij snuffelde. Hij snuffelde nog eens. Zijn witte oor ging omhoog. Zijn bruine oor ging ook omhoog. Dat gebeurde bijna nooit.
Toen dook hij met zijn neus in de goot. Er spatte water op. Saar sprong opzij.
„Bah, Bonkie!”
Bonkie kwam weer omhoog. Hij had iets in zijn bek. Iets nats. Iets roods. Hij keek er heel trots bij.
Pim ging op zijn hurken zitten. „Geef maar,” zei hij. „Geef maar, Bonkie.”
Bonkie liet het niet los.
„Hij wil iets terug,” zei Oma Truus. Ze rommelde in haar jaszak en haalde er een hondenkoekje uit. Bonkie liet het rode ding meteen vallen. Hap, weg was het koekje.
Pim pakte het op. Het was nat en vies. Er zat een blaadje aan. Maar hij wist meteen wat het was.
„Mijn strik,” fluisterde hij.
Het was echt zijn strik. De grote rode strik van zijn verjaardag. Hij was een beetje gekreukt. Er zat een scheurtje in het lint.
„Dus je fiets is hierlangs gekomen,” zei Oma Truus. „Goed zo, Bonkie. Jij bent een speurhond.”
Bonkie kwispelde. Hij keek naar de jaszak van Oma Truus.
„Maar waar is de rest?” zei Pim. „Een strik zonder fiets is niks.”
„Een strik is een spoor,” zei Oma Truus. „We weten nu welke kant we op moeten. Dat is al heel wat.”
Pim kneep het water uit de strik. Hij stopte hem voorzichtig in zijn jaszak. Daar zat ook een knikker en een stukje touw. Nu zat de strik er ook in.
Op dat moment kwam er iets aanzoemen. Het was een klein wit wagentje met een oranje streep. Erachter zat een vrouw met een blauwe hoofddoek en een dikke jas. Het was Fatima, de postbode. Ze bracht elke dag de post in de Merelstraat. Ook op zaterdag.
„Hé, Pim!” riep ze. „Hé, Saar! Hoe gaat het met de fietsheld?”
Fatima wist van de fiets. Ze had vorige week een groot pakje gebracht, met een kaart van Pims tante. Toen had ze de fiets gezien, met de strik nog erop.
„Niet goed,” zei Pim. „Hij is weg.”
„Wie?”
„Mijn fiets.”
Fatima stopte haar wagentje. Ze zette de motor uit. „Weg? Hoezo weg?”
Pim vertelde het. Van de lege plek. Van het spoor in de aarde. Van de strik in de goot. Saar vertelde ook iets, maar dat ging over Flip, en Flip had er niks mee te maken.
Fatima fronste. Ze tikte met haar vinger tegen haar stuur.
„Wacht eens,” zei ze. „Vanochtend vroeg. Héél vroeg, het was nog een beetje donker. Toen haalde ik de post op bij het postkantoor. En toen zag ik iemand op de Lijsterlaan. Een man op een bakfiets.”
„Een bakfiets?” vroeg Pim.
„Zo'n fiets met een grote bak voorop,” zei Oma Truus. „Waar je boodschappen in kunt doen. Of kinderen.”
„Of een andere fiets,” zei Fatima. „Het was een groene bakfiets. Een oude. Hij piepte heel hard. En er stak iets uit de bak. Iets roods.”
Pims hart begon te bonzen. Bonk, bonk, bonk. Net zo hard als Bonkies staart op de stoep.
„Dat was mijn fiets!” riep hij. „Waar ging die man heen?”
Fatima wees. Langs het bankje, de Lijsterlaan af, naar de toren van de kerk die je boven de daken uit zag steken.
„Die kant op,” zei ze. „Naar het Kerkplein. Daar is vandaag markt.”
„Dan gaan wij ook naar de markt,” zei Oma Truus. „Ik moest toch nog kaas.”
„We moeten geen kaas,” zei Pim. „We moeten mijn fiets.”
„Allebei,” zei Oma Truus. „Je kunt prima twee dingen tegelijk zoeken.”
Fatima startte haar wagentje weer. „Succes, speurneuzen,” zei ze. „Als ik een groene bakfiets zie, zeg ik dat jullie hem zoeken.”
Ze zoemde weg. Bij de volgende brievenbus stopte ze alweer.
Saar trok aan Pims mouw.
„Pim,” zei ze zacht.
„Wat?”
Saar keek naar haar laarsjes. De lieveheersbeestjes keken terug.
„Niks,” zei ze. „Laat maar.”
Pim had geen tijd voor niks. In de verte hoorde hij de markt al. Mensen die riepen. Een orgeltje dat speelde. En Bonkie trok alweer aan de riem.
Want Bonkie rook iets. En deze keer wist Oma Truus heel zeker wat het was.
„Kaas,” zei ze. „Hij ruikt kaas. Houd je vast, kinderen.”