Hoofdstuk 1: De lege plek

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Pim werd wakker van de zon. Die scheen door een gaatje in het gordijn, precies op zijn neus.

Hij deed één oog open. Toen het andere.

En toen wist hij het weer.

Het was zaterdag. De zaterdag. Vandaag ging hij fietsen zonder zijwieltjes.

Pim sprong uit bed. Hij trok zijn broek verkeerd om aan, merkte het niet en rende de trap af. Op de onderste tree lagen twee kleine wieltjes met een paar schroefjes. Zijwieltjes. Papa had ze gisteravond van de fiets gedraaid.

„Morgen om vier uur, als ik thuis ben van mijn werk,” had Papa gezegd. „Dan gaan we oefenen. Samen.”

Vier uur. Dat was nog héél lang.

Pim was zes. Zijn fiets was rood. Hij had hem vorige week gekregen, voor zijn verjaardag. Er zat een zilveren bel op die tring deed, een sticker van een bliksem op de stang en een grote rode strik om het stuur. Die strik mocht nooit af. Dat had Pim besloten.

In de keuken zat Saar aan tafel. Saar was vier. Ze had pap op haar kin en pap op haar konijn. Het konijn heette Flip. Flip had altijd pap op zijn oren.

„Waar is Mama?” vroeg Pim.

„Naar de bakkerij,” zei Saar. „Brood maken voor alle mensen. En Papa rijdt de bus. En Oma Truus komt zo.”

Dat wist Pim ook wel. Op zaterdag werkten Papa en Mama allebei. Dan paste Oma Truus op. Oma Truus was niet hun echte oma. Ze woonde naast hen, op nummer veertien. Maar ze had zelf gezegd dat ze zo mocht heten. „Truus is zo kaal,” zei ze altijd. „Met oma ervoor klinkt het gezelliger.”

Pim pakte een boterham uit de broodtrommel. Hij at hem staand op, in vier happen.

„Ik ga alvast kijken,” zei hij met volle mond.

„Waarnaar?”

„Naar mijn fiets.”

Hij deed de voordeur open. De lucht was koud en rook naar natte aarde. Het had vannacht geregend. De straat glom.

Pims fiets stond altijd in de voortuin. Tegen de heg, naast het hekje. Papa had hem daar gisteravond neergezet, zonder zijwieltjes. Pim had nog door het raam gekeken, met zijn pyjama al aan. Zijn fiets had daar gestaan in het licht van de lantaarnpaal. Rood en glimmend.

Pim keek naar de heg.

Hij keek nog een keer.

Daar stond niks.

Er lag alleen een plek. Een lege plek. Het gras was er een beetje platgedrukt, in de vorm van twee wielen.

„Saar,” zei Pim. Zijn stem klonk raar. Piepend, als een deur die olie nodig heeft. „Saar! Kom eens!”

Saar kwam naar buiten op haar sokken. Ze had Flip onder haar arm.

„Wat is er?”

„Mijn fiets is weg.”

Saar keek naar de heg. Ze keek naar Pim. Toen keek ze naar haar sokken.

„Misschien is hij gaan wandelen,” zei ze.

„Fietsen gaan niet wandelen!”

„Flip wel. 's Nachts.”

„Flip is een knuffel!”

Naast de heg stond een kartonnen doos. Dat was Saars weggeefkist. Gisteren had ze er met Mama oude spulletjes in gedaan: een puzzel met drie stukjes kwijt, een rammelaar, twee boekjes en een plastic dino zonder staart. Iedereen uit de straat mocht er iets uit pakken. Mama had er nog een bordje bij gemaakt, met grote letters erop. Saar had het helemaal ingekleurd, met roze en geel en heel veel glitter.

De kist stond er nog. Maar het bordje was weg.

Pim zag het niet eens. Hij zag alleen de lege plek.

„Goedemorgen, goedemorgen!”

Over de heg verscheen een gele regenmuts. Daaronder zat het gezicht van Oma Truus. Ze had rode wangen van de kou. Aan een riem trok een klein bruin hondje. Het had korte pootjes, een dikke buik en één wit oor. Het andere oor was bruin. Dat was Bonkie.

Bonkie blafte één keer. Woef. Dat betekende goedemorgen. Twee keer betekende: ik wil een koekje.

„Oma Truus!” riep Pim. „Mijn fiets is gestolen!”

„Zo, zo,” zei Oma Truus. Dat zei ze altijd als ze moest nadenken. Ze kwam door het hekje de tuin in. Bonkie rende meteen naar de lege plek en begon te snuffelen.

„Weet je het zeker?” vroeg Oma Truus. „Heeft Papa hem niet in de schuur gezet?”

Pim schudde zijn hoofd. Ze gingen toch kijken. In de schuur stonden de fiets van Mama, een grasmaaier en een zak potgrond. Geen rode fiets.

Ze keken achter het huis. Ze keken onder de trap. Saar keek zelfs in de wasmand.

„Daar past een fiets toch niet in,” zei Pim.

„Je weet het nooit,” zei Saar.

Toen gingen ze weer naar voren. Pims onderlip begon te trillen. Hij beet erop. Hij wilde niet huilen. Niet vandaag. Vandaag was de dag van fietsen zonder zijwieltjes.

Oma Truus hurkte neer bij de lege plek. Dat ging langzaam, want haar knieën kraakten.

„Kijk eens,” zei ze zacht.

In de natte aarde naast het tuinpad stond een streep. Een dunne streep, van een fietsband. Die liep naar het hekje.

En naast de dunne streep liep nog een streep. Een brede. Veel breder dan van een fiets. Het leek wel of er een kar was langsgekomen.

„Wat is dát?” vroeg Pim.

„Dat weet ik niet,” zei Oma Truus. „Maar het is een spoor. En een spoor kun je volgen.”

Saar hield Flip voor haar gezicht. Ze zei niks. Dat was raar, want Saar zei altijd wel iets.

Bonkie trok aan de riem. Hij snuffelde aan het tuinpad, aan het hekje, aan de stoep. Zijn staart ging heen en weer als een ruitenwisser.

„Hij ruikt iets,” zei Oma Truus.

„Hij ruikt mijn fiets!” riep Pim.

„Of een kat,” zei Oma Truus. „Bij Bonkie weet je dat nooit.”

Pim keek op de klok in de gang. Hij kon al een beetje klokkijken. De kleine wijzer stond op de negen.

„Papa komt om vier uur thuis,” zei hij. „Dan moet mijn fiets er weer zijn. Anders kunnen we niet oefenen.”

Oma Truus kwam overeind. Krak, deden haar knieën.

„Dan hebben we nog zeven uur,” zei ze. „Dat is genoeg om een fiets te vinden. Saar, schoenen aan. Pim, je broek zit binnenstebuiten. Ik pak mijn boodschappentrolley.”

„Waarom?” vroeg Saar.

„Voor de dropjes,” zei Oma Truus. „Een zoektocht zonder dropjes is geen zoektocht.”

Vijf minuten later stonden ze op de stoep van de Merelstraat. Pim met zijn broek goed. Saar met Flip en haar laarsjes met lieveheersbeestjes. Oma Truus in haar gele regenjas, met haar paarse trolley. En Bonkie, met zijn neus al tegen de grond.

Bonkie blafte. Woef. Woef.

„Hij wil een koekje,” zei Saar.

„Nee,” zei Pim. „Hij wil die kant op.”

En Bonkie trok, zo hard als een klein hondje met korte pootjes maar kan trekken. Naar het eind van de straat.