Hoofdstuk 9: Strooisel
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het stof kwam overal. In je haar, in je oren, in de plooien van je ogen, onder je nagels, in je brood. 's Avonds hoestte je het op, bruin en fijn, en 's ochtends lag het op je kussen alsof je de hele nacht in het veen had geslapen.
Geesje werkte sinds de herfst van 1909 in de strooiselfabriek aan de Vaart bij Klazienaveen. Het was niet van Reinders. Daar had ze voor gezorgd. Het was een lange loods van hout en golfplaat waar het bovenste, lichte veen, het grauwe dat niet goed brandde, werd gedroogd, gemalen en in balen geperst. Turfstrooisel. De boeren in Holland strooiden het in hun stallen, en de paardenhouders in de steden ook, en in Engeland en Duitsland, zei de voorman, gebruikten ze het zelfs in de ziekenhuizen. Het nam vocht op als niets anders. Ook dat van je longen, zei de vrouw die naast haar aan de pers stond.
Ze verdiende er twee gulden twintig in de week. Zonder kost. Het was meer dan bij Reinders, en het was minder.
Ze liep elke ochtend een uur heen en elke avond een uur terug, langs de Vaart, en ze telde geen vlonders meer.
Harm werkte niet in het veen. Niemand in het veen wilde hem hebben. Hij had die eerste winter kunnen dorsen bij een boer in Westenesch, en in het voorjaar was hij met een ploeg naar Duitsland gegaan, naar de grote boerderijen bij Lingen, om bieten te dunnen. Hij kwam in juli terug met zeventien gulden en een zonnesteek. Hij legde de zeventien gulden in een blikken doos onder zijn matras, bij de krant. Er lag al geld in. Van Lammert, die nu als knecht voer op een stoomboot tussen Groningen en Delfzijl en elke maand iets opzijlegde. Het was hun overtochtsgeld. Ze telden het op zondag, samen, aan de keukentafel, en schreven de som op de binnenkant van het deksel met een potloodje, en elke keer dat Geesje het zag, was het getal een beetje groter en het potlood een beetje korter.
„Twee kaarten,” zei Harm. „Veur Lammert en mij. Derde klas, Rotterdam–New York, mit de Holland-Amerika Lijn. En dan de trein naor Michigan. Oom Derk het schreven wat 't kost. Nog een jaor. Hooguit anderhalf.”
„En dan?”
„Dan wark ik daor. En dan stuur ik geld. Veur de rest.” Hij keek naar moeder, die bij het fornuis stond, en naar vader, die bij het raam zat. „Veur ons allemaol.”
Vader zei niets. Hij zei steeds minder, dat jaar. Hij werkte nog, in zijn natte put aan de rand van het veen, en 's avonds kwam hij thuis en ging aan tafel zitten en at, en daarna ging hij naar bed. Als Harm over Amerika begon, keek hij naar zijn handen.
In juni 1910 kwam Clara.
Het was een zondagmiddag. Geesje zat buiten op een stoel in de zon de kousen van Roelof te stoppen, die er elke week een nieuw gat in liep, en ze hoorde een fietsbel. Toen ze opkeek, stond Clara Reinders bij de eerste vlonder, met haar rok opgeschort en een nieuw fietsje met een mandje voorop. Ze was negentien nu. Ze droeg haar haar opgestoken en zag er ouder uit, maar haar sproeten waren hetzelfde, en haar grijns ook.
„Ik mag hier niet komen,” zei ze. „Dus ik ben hier niet.”
Ze zaten op de bank achter de hut, waar niemand hen vanaf het pad kon zien, en Clara vertelde over het huis. Dat het stil was. Dat haar vader minder thuis was en dat haar moeder meer brieven schreef. Dat Mientje een nieuwe dienstmeid had, een meisje uit Schoonebeek dat bang was voor de kachel. Dat zij, Clara, in september naar Groningen ging, naar een pension voor jongedames, om er Engels te studeren bij een juffrouw die vroeger gouvernante in Londen was geweest.
Toen haalde ze een brief uit haar mandje.
„Hij heeft er al een jaar een,” zei ze. „Ik bedoel: hij heeft er een jaar lang elke maand een geschreven. Aan jou. En ze nooit verstuurd.” Ze legde de brief op Geesjes schoot. „Deze is de eerste die hij wel stuurt. Aan mij. Met het verzoek om hem aan jou te geven.”
Geesje keek naar de envelop. Mej. C. Reinders, Huize De Vaart, Nieuw-Amsterdam. In dat kleine, scheve handschrift.
„Waorum nou?”
„Lees maar,” zei Clara. „Ik ga een eindje fietsen. Ik ben er over een uur weer.”
Ze las hem twee keer. De eerste keer snel, alsof ze bang was dat de woorden zouden verdwijnen als ze te lang op één plek bleef kijken. De tweede keer langzaam.
Hij schreef over Rotterdam. Over de havens, die groter waren dan ze zich kon voorstellen, met kranen als ijzeren reigers en schepen die zo hoog waren dat je je hoofd in je nek moest leggen. Over zijn werk, de nieuwe Waalhaven, die ze uit de polder groeven, waar hij de berekeningen deed voor de damwanden. Over zijn kamer, op een zolder in Kralingen, met uitzicht op een binnenplaats waar een vrouw elke ochtend om zes uur haar kleden klopte.
Toen schreef hij over de afspraak.
Zijn vader had het hem die ochtend voorgelegd, in de werkkamer, onder vier ogen. Als Willem uit Drenthe vertrok, voor een jaar op zijn minst, en in dat jaar geen enkel contact met Geesje Bakker had, dan zou Dilling zich zijn getuigenis niet meer zo goed herinneren. Dan zou Harm Bakker niet voor geweldpleging worden veroordeeld, maar voor iets kleiners. Een paar weken. Geen jaren.
Ik heb ja gezegd, schreef hij. Ik heb ja gezegd zonder het jou te vragen, en dat neem ik mezelf het meest kwalijk. Ik dacht dat ik je broer redde. Misschien heb ik dat ook gedaan. Maar ik heb ook over jou beslist alsof je niet in de kamer stond, en dat is precies wat mijn vader altijd doet, met iedereen. Ik weet dat nu.
Het jaar is om. Ik heb mijn woord gehouden. Nu schrijf ik je, en ik vraag niets. Alleen of je wilt terugschrijven. Al is het maar om te zeggen dat ik dat niet moet doen.
W.
Clara kwam terug na een uur, met bezwete wangen en een bos margrieten in haar mandje die ze in de berm had geplukt. Ze keek naar Geesje, die nog steeds op de bank zat met de brief op haar schoot.
„En?” vroeg ze.
„Hij het mij ruilt,” zei Geesje. „Veur Harm.”
„Hij heeft zichzelf geruild. Voor Harm.” Clara ging naast haar zitten. „Dat is iets anders.”
„Is 't dat?”
Clara gaf geen antwoord. Ze trok een margriet uit de bos en begon de blaadjes eraf te plukken, één voor één, en liet ze in het gras vallen. Geesje vroeg niet wat ze aftelde.
„Schrijf je terug?” vroeg Clara ten slotte.
„Ik weet 't niet.”
„Ik ga in september naar Groningen. Dan kan ik ze niet meer brengen.” Ze stond op en veegde haar rok af. „Maar ik kan ze wel vanuit Groningen doorsturen. Als je dat wilt. Dan weet niemand het.”
Geesje vouwde de brief op en stak hem in haar jak, tegen haar borst. Ze had geleerd dat je brieven niet in je schort bewaarde.
„Ik weet 't niet,” zei ze nog een keer.
Ze schreef niet terug. Niet in juni, niet in juli. In augustus kwam er via Clara een tweede brief, en in september een derde, van Groningen gestuurd met een postzegel van de koningin erop, en ze las ze allemaal, op de bank achter de hut, en ze bewaarde ze in het boek over het meisje dat naar Australië ging, tussen de bladzijden. Maar ze schreef niet terug.
Ze wist niet waarom niet. Of ze wist het wel, maar ze kon er geen woorden voor vinden die niet klonken als iets wat Harm zou zeggen. Omdat hij in Rotterdam zat en zij in het stof. Omdat hij een zolderkamer had met uitzicht op een vrouw die kleden klopte, en zij een plaggenhut met uitzicht op een put waar haar vader elke dag een beetje meer in verdween. Omdat er een jaar was voorbijgegaan waarin hij over haar had beslist, en zij over niets.
In oktober vroeg Lammert haar ten huwelijk.
Hij deed het zonder omhaal, op een zaterdagavond, toen hij thuis was van zijn boot en ze samen langs de Vaart naar huis liepen. Hij bleef staan bij de grote brug, op de plek waar ze ooit een koffer uit het water had gevist en waar ze daarna op een avond in september iets anders had gedaan, en dat wist hij niet, en dat maakte het erger.
„Ik heb genoeg,” zei hij. „Bijna. In 't veurjaor van twaalf kunnen Harm en ik gaon. En ik zul willen dat ie mitgaon. Niet as zuster van Harm. As mien vrouw.”
Ze keek naar hem. Naar zijn brede, eerlijke gezicht, naar zijn handen die hij niet wist waar hij ze moest laten. Lammert, die haar uit de wijk had getrokken toen ze zes was. Lammert, die zijn boot had opgegeven voor iets wat hij eer noemde.
„Ik weet dat ie nich verliefd op mij bin,” zei hij. „Ik bin niet dom, Geesje. Mar ik zul goed veur oe wezen. En daor, in Michigan, daor maakt 't niet uut wie oen vader was. Daor begin ie opnij.”
„Ik kan nou geen antwoord geven,” zei ze.
„Dat hoeft ok niet.” Hij lachte, maar niet zoals vroeger. „Veur Kerstmis. Geef mij veur Kerstmis een antwoord. Dan weet ik of ik één kaart extra mot sparen.”
Ze gaf hem geen antwoord voor Kerstmis.
Want op de tweede zondag van december, in de nacht, werd ze wakker van een geluid dat ze kende en dat ze toch nog nooit zo had gehoord. Het kwam uit de bedstee van haar ouders. Een hoest, maar geen hoest meer, eerder iets wat van heel diep kwam en niet ophield, niet ophield, niet ophield.
Moeder stak de lamp aan. In het gele licht zag Geesje haar vader zitten, overeind in de bedstee, met zijn handen tegen zijn borst gedrukt. Het laken voor hem was rood.
„Roelof,” zei moeder. Haar stem was vlak en kalm, zoals altijd als het erop aankwam. „Kleed oe an. Loop naor dokter Kuipers. Zo hard as ie kunt.”