Hoofdstuk 10: De winter van vader

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Dokter Kuipers kwam om drie uur 's nachts, met Roelof achter zich aan, die zo hard had gerend dat hij op de drempel moest overgeven. De dokter stapte over hem heen, zette zijn tas op tafel en boog zich over de bedstee. Hij bleef er lang over gebogen. Toen hij zich weer oprichtte, keek hij niet naar vader, maar naar moeder.

„Zijn longen,” zei hij. „Het is wat ik twee jaar geleden al vreesde.”

Hij zei het woord niet. Hij hoefde het niet te zeggen. Iedereen langs de wijk kende iemand die het had gehad, of die eraan was gestorven, en iedereen wist wat het betekende als de dokter na zo'n nacht niet meer over rusten sprak.

„Hoe lang?” vroeg moeder.

„Dat weet ik niet. Weken. Een paar maanden misschien, als hij warm blijft en niet meer het veen in gaat.” Hij keek naar de muren van plaggen, naar de vochtplekken in de hoeken, naar het kleine raam waar de wind langs de kieren floot. „Warm,” zei hij nog een keer, zachter, alsof hij zelf wist hoe dat klonk.


Ze hielden hem warm. Ze deden wat ze konden. Harm kwam terug uit het dorp, waar hij in de winter bij een timmerman werkte, en dichtte de kieren met mos en klei. Geesje nam ontslag bij de strooiselfabriek, want iemand moest thuis zijn, en moeder kon niet tegelijk bij de bedstee zitten en de was doen voor de boerinnen in Westenesch, waarmee ze nu het meeste verdiende. Trijntje, veertien inmiddels, ging in haar plaats naar de fabriek. Ze kwam 's avonds thuis met stof in haar wimpers en zei dat het wel ging.

Lammert kwam elke zondag. Hij bracht kolen mee, echte steenkool, die hij van zijn stoomboot had meegenomen en waarvan niemand vroeg hoe hij eraan kwam. Hij zat bij vader en vertelde over Delfzijl, over de schepen uit Noorwegen met hout, en vader luisterde met zijn ogen dicht en glimlachte soms. Lammert vroeg Geesje niets. Hij keek haar alleen aan als hij wegging, bij de deur, en zij keek terug, en dan ging hij.

Ze had hem nog altijd geen antwoord gegeven. Kerstmis was voorbijgegaan. Het was een stille Kerstmis geweest, met een kip die moeder van een boerin had gekregen en een kaars op de tafel, en vader die rechtop zat in de bedstee en de psalm meezong tot hij moest hoesten.


In januari werd hij beter. Dat dacht ze tenminste. Hij hoestte minder en at meer, en op een middag stond hij zelfs op en liep naar de deur en keek naar buiten, naar het veen onder de sneeuw. Het was helemaal wit, van de wijk tot aan de horizon, met de turfruggen als lange, zachte heuvels en de putten als donkere ogen waar het ijs het water niet helemaal had kunnen dichten.

„Mooi,” zei hij. „Zo is 't mooi.”

Hij ging weer liggen. Die nacht kwam de koorts.


Het was eind januari toen hij haar bij zich riep. Moeder was naar Westenesch met de was, Harm was bij de timmerman, Roelof op school. Geesje zat bij het fornuis met een pan soep die niemand zou opeten, en ze hoorde hem haar naam zeggen.

Ze ging op de rand van de bedstee zitten. Hij was zo mager geworden dat ze de vorm van zijn schedel onder zijn huid kon zien. Zijn baard was helemaal grijs nu, en zijn ogen lagen diep, maar ze waren helder. Helderder dan ze in maanden waren geweest.

„Onder 't bed,” zei hij. „Achter de klompen. Pak 't.”

Ze bukte. Achter zijn oude klompen, in het stof, stond een sigarenkistje. Van het goedkope soort, met een papieren etiket waarop een Indiaan met een veren tooi stond. Ze had het nooit eerder gezien.

„Doe 't open.”

Er zat geld in. Munten, vooral. Stuivers en dubbeltjes en kwartjes, een paar guldens, een rijksdaalder. En onderin, plat gevouwen, twee briefjes van tien. Ze keek ernaar, en toen naar hem.

„Twintig jaor,” zei hij. „Elke week een stuiver. As 't kon, een dubbeltje. Soms niks.” Hij hoestte, en ze gaf hem water, en hij dronk een slokje. „Zesentachtig gulden en veertig cent. Ik heb 't elke zundag teld.”

„Weet moe 't?”

„Moe weet alles.” Er gleed iets over zijn gezicht wat bijna een glimlach was. „Mar ze het 't nooit zegd. Dat is moe.”

„Waor was 't veur?”

Hij keek naar het kleine raam, waar de sneeuw weer was begonnen te vallen.

„Veur 't land achter de wijk,” zei hij. „Een hectare. Dalgrond. Om aardappels op te zetten, en rogge, en een koe. Zodat ik niet meer veur een ander 't veen in hoefde.” Hij was even stil. „Ik heb uutrekend dat 't nog tien jaor zul duren. In achtennegentig heb ik dat uutrekend. Toen nog een keer in vief. Toen in negen, nao de staking. Elke keer was 't nog tien jaor.”

Ze kneep in zijn hand. Ze kon niets zeggen.

„Harm wil naor Amerika,” zei hij. „Dat is goed. Harm hoort hier niet meer. Ze laot 'm hier nooit meer wat worden. Mar ie, Geesje.” Hij draaide zijn hoofd op het kussen, zodat hij haar recht aankeek. „Ie bin as ik. Ie bin hier geboren. Ie kent dit veen. Ie weet hoe 't ruikt as 't regent en hoe 't klinkt as 't vriest. Dat neem ie nich mit, op een boot.”

„Lammert het mij vraogd,” zei ze. „Om mit te gaon.”

„Ik weet 't.”

„En…” Ze slikte.

„En de jonge van Reinders,” zei hij. „Dat weet ik ook.”

Ze keek hem aan. Hij lachte, zacht, en het werd een hoest, en ze moest hem overeind houden tot het over was.

„Ie dacht dat ik niks zag,” zei hij, toen hij weer kon praten. „Ik zag 't op de dag dat hij mij meneer noemde. In de put. Ie keek naor 'm as of hij de zun was.” Hij liet zich terugzakken. „Ik zeg niet wat ie doen mot. Dat heb ik nooit kund. Ik zeg alleen: kies niet omdat ie bang bin. Niet veur hem, niet veur Lammert, niet veur Harm. Ik heb mien hele leven keuzes maakt omdat ik bang was. Kiek waor 't mij brocht het.”

Hij wees met zijn kin naar het kistje.

„Dat is van oe,” zei hij. „Niet van Harm. Niet van moe. Van oe. Doe der wat mee waor ie nooit spijt van krieg.”


Die avond, toen iedereen sliep, schreef ze eindelijk terug.

Ze deed het aan de keukentafel, bij het laatste stompje kaars, op een vel dat ze uit Roelofs schoolschrift had gescheurd. Ze had geen inkt, dus ze schreef met potlood, het korte potlood van het deksel van Harms blikken doos. Ze begon vier keer opnieuw. De eerste keer was het te boos, de tweede keer te zacht, de derde keer klonk het als een verzoek, en ze wilde niets van hem vragen.

De vierde keer schreef ze alleen wat waar was. Dat haar vader stierf. Dat hij haar een kistje had gegeven. Dat ze de brieven had gelezen, alle vijf, en dat ze ze bewaarde. Dat ze nog niet wist wat ze wilde, maar dat ze niet langer wilde dat hij dacht dat ze niets wilde.

Ie hebt over mij beslist, schreef ze, en ze streepte het ie door en schreef u, en streepte dat ook door en liet het staan. Dat doe ik voortaan zelf. G.

Ze vouwde het dicht en adresseerde het aan juffrouw C. Reinders, Groningen, met de straat die Clara haar had gegeven. De volgende ochtend bracht ze het naar het postkantoor in Nieuw-Amsterdam, en ze keek de beambte niet aan toen ze de postzegel betaalde.


Hij stierf op de vierde februari, in de vroege ochtend, met moeder aan zijn ene kant en Geesje aan de andere. Het ging stil. Na al die maanden van hoesten ging het zo stil dat ze het pas merkten toen moeder zijn hand losliet en die niet meer bewoog.

Moeder huilde niet. Ze stond op, waste zijn gezicht met een doek en warm water, kamde zijn baard en deed zijn ogen dicht. Toen ging ze naar buiten, de sneeuw in, en bleef een hele tijd bij de wijk staan, met haar armen om zichzelf heen, terwijl de zon opkwam boven het veen. Geesje keek naar haar door het raam en ging niet naar haar toe. Sommige dingen deed je alleen.


Ze begroeven hem vijf dagen later, op het kerkhof van Erica. Het had gedooid en weer gevroren, en de grond was zo hard dat Harm en Lammert en Klaas Mulder er een hele middag over hadden gedaan om het graf te graven. Klaas had erom gevraagd. Hij had bij de deur van de hut gestaan met zijn spade en zijn pet in zijn handen en gevraagd of hij mocht helpen, en Harm had hem lang aangekeken en toen ja gezegd.

Er kwamen meer mensen dan Geesje had verwacht. Ome Tijs, met zijn bril op zijn neus. Mientje Wolters, in haar beste zwarte jurk, die Geesje bij de hand pakte en niets zei. Hemmen van het café. Hendrikje van de bakker. Bijna de hele wijk. Zelfs Van Dijk, die met de trein uit Amsterdam was gekomen en achteraan stond met zijn hoed in zijn handen.

De dominee sprak kort. Hij las een psalm en zei iets over arbeid en rust, en over de aarde waaruit we zijn genomen, en Geesje hoorde het niet. Ze keek naar de kist, die van ruw grenen was, door Harm zelf getimmerd in de werkplaats van de timmerman. Ze dacht aan het sigarenkistje onder haar matras. Zesentachtig gulden en veertig cent.

Toen de kist in de grond zakte, keek ze op.

Aan de rand van het kerkhof, bij het hek, stond iemand. Een man in een lange zwarte jas, zonder hoed, met zijn handen langs zijn zij. Hij stond daar alleen, buiten de groep, alsof hij niet wist of hij dichterbij mocht komen. De wind blies zijn haar in zijn gezicht, en hij streek het niet weg.

Harm zag hem ook. Geesje zag zijn kaak verstrakken.

„Wat doet hij hier?” zei Harm, binnensmonds.

Het was Mientje die antwoord gaf. Ze stond naast Geesje en hield nog steeds haar hand vast, en ze sprak zo zacht dat alleen zij tweeën het konden horen.

„Mijnheer Reinders heeft drie weken geleden een beroerte gehad,” zei ze. „Hij kan niet meer praten. Niet meer lopen. Mevrouw heeft een telegram gestuurd naar Rotterdam.” Ze kneep in Geesjes hand. „Mijnheer Willem is gisteren teruggekomen. Hij gaat niet meer weg.”