Hoofdstuk 8: Weggestuurd

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Ze liep de wijk af in het donker, om vier uur, een uur eerder dan ooit. Het regende niet meer. Het veen lag zwart en stil onder een lucht vol natte sterren, en in de putten stond het water tot aan de rand. Ze liep zo snel dat ze bij de zevende vlonder weer uitgleed, net als die eerste ochtend in maart, en dit keer stond ze niet stil.

De achterdeur van Huize De Vaart was nog op slot. Ze moest wachten tot Mientje om half zes kwam, en Mientje keek naar haar gezicht en vroeg niets en deed de deur open.

De wasmand stond in de bijkeuken waar ze hem had achtergelaten. Ze tilde de bovenste lappen eruit. Theedoeken, een servet, een overhemd van mijnheer Willem met modder aan de manchetten. Haar schort lag halverwege, verfrommeld en nog vochtig. Ze stak haar hand in de zak.

Hij was leeg.


Om acht uur werd ze naar de voorkamer geroepen. Niet naar de werkkamer, maar naar de voorkamer, met de groene pluche stoelen en de piano waar Clara nooit op speelde en de portretten van grootouders aan de muur. Mevrouw Reinders zat in de stoel bij het raam, rechtop, met haar handen in haar schoot. Mijnheer Reinders stond bij de schoorsteen. Op het tafeltje tussen hen in lag de brief, opengevouwen, plat gestreken.

„Ga daar staan,” zei mevrouw. Ze wees naar het midden van het kleed.

Geesje ging daar staan.

„Ik zal niet vragen of je weet wat dit is,” zei mevrouw. „Ik zal ook niet vragen hoe lang dit al aan de gang is. Ik wil het niet weten. Ik wil alleen dat je begrijpt dat je vandaag uit dit huis vertrekt, en dat je niet terugkomt, en dat er geen getuigschrift komt.”

Haar stem verhief zich niet. Hij hoefde zich niet te verheffen.

„Ja, mevrouw,” zei Geesje.

„Je loon tot vandaag krijg je van Mientje. Meer niet.”

„Ja, mevrouw.”

Mijnheer Reinders keek naar de brief. Hij had de hele tijd niets gezegd. Nu pakte hij hem op, vouwde hem dicht en stak hem in zijn binnenzak.

„Dit,” zei hij, „gaat niet naar de advocaat.”

De deur ging open. Willem stond in de deuropening, met zijn haar door de war en zijn boord los, en hij keek van zijn moeder naar zijn vader naar haar, en ze zag aan zijn gezicht dat hij het pas net had gehoord. Clara, dacht ze. Clara had hem gewaarschuwd.

„Ze gaat niet weg,” zei hij.

„Ze gaat wel weg,” zei zijn moeder.

„Dan ga ik ook.”

„Willem.” Zijn vader zei het rustig. „Doe de deur dicht. En ga zitten.”

Willem deed de deur dicht. Hij ging niet zitten. Hij kwam naast Geesje staan, in het midden van het kleed, zo dichtbij dat hun mouwen elkaar raakten.

„Ik wil met haar trouwen,” zei hij.

Het werd zo stil dat Geesje de klok op de schoorsteen hoorde tikken, en de mussen in de dakgoot, en ver weg, op de Vaart, het gekraak van een praam die werd afgeduwd. Een praam vol Duitsers, dacht ze, op weg naar het veen van haar vader.

Mevrouw sloot haar ogen.

„Dan doe je dat,” zei mijnheer Reinders. „Morgen, als je wilt. Je bent vierentwintig. Ik kan je niet tegenhouden.” Hij trok aan zijn horlogeketting en keek naar de wijzerplaat, alsof hij wilde weten hoe lang dit nog ging duren. „Maar dan trouw je zonder dit huis. Zonder de zaak. Zonder een cent. En dan vraag ik me af hoe lang het duurt voordat zij inziet wat ze heeft binnengehaald. Een ingenieur zonder werk. Want werk krijg je niet, Willem, niet in Drenthe, daar zorg ik voor.”

„Dan ga ik ergens anders.”

„Doe dat.” Reinders knikte. „En haar broer? Die gaat naar Assen. Dilling heeft gezien dat hij die steen gooide. Ik weet niet of dat waar is. Jij weet het ook niet. Maar de rechter gelooft Dilling. Dat is de opzichter, Willem. Geen staker.”

Geesje voelde Willem naast zich verstijven.

„Wat wil je?” vroeg hij.

Zijn vader keek hem aan, lang, en Geesje begreep dat dit het moment was waar het hem de hele tijd om te doen was geweest. Niet om haar. Om dit.

„Daar praten we straks over,” zei Reinders. „Onder vier ogen.” Hij keek naar Geesje. „Jij kunt gaan.”


Ze ging niet meteen. Ze ging eerst naar de keuken, waar Mientje haar loon uittelde op de tafel, munt voor munt: twee gulden vijftig, en nog een kwartje, waarvan Geesje wist dat het er niet hoorde.

„Ik heb het niet gezien,” zei Mientje. „Van die brief. Ik heb niks gezien. Begrepen?”

„Begrepen.”

„Zij doet de was zelf. Altijd al. Ze vertrouwt niemand.” Mientje schoof de munten naar haar toe. „Ga nou maar. En zeg tegen Tijs dat ik zondag kom.”

Clara wachtte haar op bij het hek, met rode ogen en een boek onder haar arm dat ze haar zonder een woord in de handen duwde. Het was het boek over het meisje dat naar Australië ging.

„Ik heb het uit,” zei Clara. „Ze komt er goed aan. Dat wilde ik je even zeggen.”

Geesje liep die middag langs de Vaart naar huis, met het boek onder haar arm en twee gulden vijfenzeventig in haar zak. Het was nog licht. Ze was nog nooit op een werkdag om deze tijd langs de wijk gelopen, en alles zag er anders uit: de hutten met de deuren open, de vrouwen die de was ophingen tussen de berken, de kinderen die met stokken in het water sloegen omdat er geen turf te zetten was. Bij de derde vlonder lag geen praam. Bij de zevende stond haar moeder, met een emmer in haar hand, en die keek naar het boek en naar haar gezicht en vroeg niet waarom ze zo vroeg thuis was.

„Kom der maar in,” zei ze alleen. „Der is nog koffie.”


Willem vertrok vier dagen later.

Geesje zag het niet. Ze hoorde het van Hendrikje van de bakker, die het had gehoord van de knecht van Reinders: dat mijnheer Willem met de boot van tien uur was vertrokken, met twee koffers, naar Rotterdam. Dat hij daar een betrekking had gekregen bij een aannemer die voor de gemeente aan de havens werkte. Dat het via een kennis van zijn vader ging.

„Rotterdam,” zei Hendrikje, en ze keek Geesje aan met een blik die half medelijdend was en half iets anders. „Dat is ver.”

Geesje zei niets. Ze zat op de drempel van de hut, in de zon, en keek naar het veen. Er werd weer gewerkt. Niet door mensen uit Erica, maar door de mannen uit het Eemsland, die in barakken sliepen aan de rand van het veen en die 's ochtends in een lange rij naar de putten liepen met een marechaussee voorop en een achteraan. Ze spraken Duits en Plat, en soms, als de wind goed stond, kon je ze horen zingen.

As 't erop aankomt, dan stiet hij an de kant van zien vader.

Ze had niets van hem gehoord. Geen brief, geen boodschap, niets. Vier dagen had ze gewacht, en op de vijfde dag was hij weg.


De staking hield nog drie weken stand.

Toen was de kas leeg. Van Dijk kwam een laatste keer uit Amsterdam en sprak in het veen, tussen de turfruggen, voor een groep die elke week kleiner was geworden. Hij zei dat ze moedig waren geweest. Hij zei dat het niet voor niets was geweest. Hij zei dat de bond hen niet zou vergeten. Toen ging hij terug naar het station in Emmen, en hij kwam niet meer.

Op een maandag in juni stond Klaas Mulder om vier uur 's ochtends op het pad, met zijn spade over zijn schouder. Hij keek niemand aan. Hij liep naar zijn put. Een uur later volgde zijn buurman, en daarna nog twee, en tegen de middag stonden er twintig man in het veen.

Na een week was iedereen terug. Bijna iedereen.

Vader ging op woensdag. Hij stond op in het donker en trok zijn broek aan, en moeder keek naar hem vanuit de bedstee en zei niets. Toen hij bij de deur was, zei hij: „Ik heb 't zegd. Allemaol, of niemand.” En hij ging.

Dilling gaf hem een put aan de rand van het veen, waar het water het hoogst stond en het zwarte het dunst was. Het tarief was het nieuwe tarief. Twaalf procent eraf. De Duitsers bleven tot het eind van het seizoen.


Harm kwam thuis in juli. Zes weken had hij in het Huis van Bewaring in Assen gezeten. Niet voor de steen. De advocaat uit Groningen was toch gekomen, betaald door wie wist niemand, en hij had laten zien dat de steen uit een hoek kwam waar Harm niet kon hebben gestaan, en daarna was Dilling zijn getuigenis vergeten. Wat overbleef was deelname aan een ongeoorloofde samenscholing, en daar stonden zes weken op.

Hij was mager geworden. Zijn gezicht was bleek van het binnenzitten, en hij liep anders, voorzichtiger, alsof de grond onder hem niet meer helemaal te vertrouwen was.

Hij ging aan tafel zitten, op dezelfde plek als altijd, en moeder zette een kom pap voor hem neer. Hij at hem leeg zonder iets te zeggen. Toen schoof hij de kom van zich af.

„Ik stao op de lieste,” zei hij. „Niet allinnig bij Reinders. Bij allemaol. Van Zwartemeer tot Hoogeveen. Dilling het mien naam rondstuurd.”

„Dat wisten we,” zei moeder.

„En ik weet wie 't hem verteld het. Al die maanden. Wie der in de loods zat en alles deurgaf.” Hij keek naar Geesje. „Niet oe, zuster. Ik weet dat ie 't niet waren. Geert Mulder. Hij had vief jaor schuld bij de winkel. Dilling het 't uutgumd.”

Geesje dacht aan Geert, achter in de menigte bij de brug, met zijn handen in zijn zakken en zijn ogen op de grond.

„Wat gao ie doen?” vroeg vader.

Harm keek naar hem. Toen keek hij naar het raam, naar het veen waar de Duitsers stonden te steken in de putten die van hen waren geweest.

„Lammert het een brief van zien oom Derk,” zei hij. „Uut Michigan. Ze hebt der volk neudig, in de fabrieken. En der is grond.” Hij legde zijn handen plat op tafel, zoals hij dat als jongen deed als hij iets had besloten wat niemand hem meer uit zijn hoofd kon praten.

„Wij gaon naor Amerika,” zei Harm.