Hoofdstuk 7: Stilte op het veen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op de ochtend van één mei werd Geesje om vier uur wakker van de stilte.

Ze wist eerst niet wat het was. Ze lag in de bedstee met Trijntjes knieën in haar rug en luisterde, en het duurde even voordat ze begreep wat ze miste. Elke ochtend van mei tot september begon met hetzelfde geluid: het geschuifel van klompen op het pad, het rammelen van kruiwagens, mannen die elkaar groetten in het donker, een spade die tegen een vlonder tikte. Een geluid dat zo gewoon was dat je het niet meer hoorde.

Nu hoorde ze het, omdat het er niet was.

Ze stond op en keek door het kleine raam. Langs de hele wijk, voor elke hut, zag ze mensen in de deuropening staan. Mannen in hun hemd, vrouwen met een omslagdoek, kinderen met slaap in hun ogen. Ze stonden daar alleen maar. Ze keken naar het veen, dat grijs en stil in de ochtendnevel lag, met de putten als donkere vlekken en de turfruggen als slapende dieren.

Niemand ging erheen.

Achter haar kwam haar vader uit de bedstee. Hij liep naar de deur, langzaam, en ging op de drempel zitten met zijn pijp, die hij niet aanstak. Harm stond al buiten. Hij keek de wijk af, naar links en naar rechts, en Geesje zag zijn schouders zakken, alsof iemand een zak meel van zijn rug had getild.

„Allemaol,” zei hij. „Ze stoan der allemaol.”


Ze ging die ochtend gewoon naar haar werk. Ze had er lang over nagedacht, en Harm ook, en het was Harm die had gezegd dat ze moest gaan. „Wij hebt oen loon neudig,” had hij gezegd. „Meer as ooit.” Want de kas van de bond betaalde vier gulden in de week aan een gezin, en dat was niet genoeg, en Reinders had op de eerste dag van de staking laten weten dat er in zijn winkel niets meer op de pof ging.

Dus liep ze langs de wijk, elf vlonders, en bij elke hut stonden mensen die haar nakeken. De meesten zeiden niets. Sommigen knikten. Bij de achtste vlonder stond Grietje Mulder, de moeder van Geert en Klaas, en die spuugde voor haar voeten in de modder.

„Dienstmeid,” zei ze. Meer niet.

Geesje liep door.

In Huize De Vaart was het ook stil, maar het was een andere stilte. Mijnheer Reinders zat de hele dag in zijn werkkamer, met de deur dicht. Mevrouw schreef brieven. Clara las niet, voor het eerst sinds Geesje haar kende, maar zat aan het raam van de voorkamer en keek naar de Vaart, waar geen enkele turfpraam voer. Mientje kookte alsof er een leger moest worden gevoed, en toen Geesje vroeg voor wie al dat eten was, zei ze: „Voor wie het nodig heeft,” en schoof haar 's avonds een pan met aardappelen en spek toe om mee naar huis te nemen.

„Van mevrouw?” vroeg Geesje.

„Van mij,” zei Mientje. „Mijn broer staakt ook.”

Ome Tijs. Geesje had het al gedacht, sinds ze zijn naam op de lijst had gezien. Ze nam de pan mee, en die avond aten ze in de hut van Bakker met negen mensen van één pan, en niemand vroeg waar het vandaan kwam.


In de tweede week kwamen de marechaussees.

Het waren er twaalf, te paard, in donkerblauwe uniformen met witte koorden, en ze kwamen uit Coevorden over de weg langs de Vaart. Ze reden stapvoets, in een lange rij, en de mensen kwamen hun huizen uit om naar ze te kijken. Niemand riep iets. De kinderen renden naast de paarden mee tot hun moeders ze terugriepen.

Ze namen hun intrek in het café van Hemmen. Dat was de grootste zaal, en Hemmen kon niet weigeren, en vanaf dat moment werd er bij Hemmen niet meer vergaderd. De afdeling kwam voortaan bij elkaar in de loods van Hoving, en later, toen de marechaussees daar ook gingen kijken, in het veen zelf, 's avonds laat, tussen de turfruggen.

Willem kwam elke ochtend in de keuken. Hij zag er slecht uit. Hij sliep weinig, zei Clara, en hij en zijn vader spraken alleen nog over de noodzakelijke dingen. Hij dronk zijn koffie staand en keek Geesje aan over de rand van zijn kopje, en ze wisten allebei dat ze nu niets konden zeggen, niet hier, niet nu, met Mientje bij het fornuis en de hele wereld die op zijn kop stond.

Op een ochtend, toen Mientje even naar de kelder was, zei hij: „Ze komen donderdag.”

„Wie?”

„De Duitsers. Tachtig man, uit het Eemsland. Ze komen via Ter Apel, met de schepen. Mijn vader heeft ze gehuurd voor de rest van het seizoen.” Hij zette zijn kopje neer. „Ik heb geprobeerd het tegen te houden. Het lukt niet.”

„Met welke schepen?”

Hij keek haar aan, en ze zag aan zijn gezicht dat hij het wist en dat hij het liever niet zei.

„De Twee Gebroeders is erbij,” zei hij. „En de Hendrika, van Wubbe. En nog twee.”


Lammert wist het al. Toen Geesje die avond naar de loods ging, zat hij op een kist met zijn hoofd in zijn handen, en zijn oom Jakob stond tegenover hem, een kleine, kromme man met een baard die tot zijn borst kwam.

„Twintig gulden per vaort,” zei oom Jakob. „Twintig gulden. Weet ie wat dat is? Dat is de huur van de boot veur een half jaor. Dat is de reparatie van 't roer. Dat is eten.”

„Het is verraod,” zei Lammert.

„Het is wark. Wij bint schippers, jonge. Wij bint gien veenarbeiders. Wij vaort wat ze ons te vaoren gaeven. Altied zo west.”

„Dan vaort ie zonder mij.”

Oom Jakob keek hem lang aan. Toen draaide hij zich om en liep de loods uit, en zijn klompen klonken op het pad tot ze ergens in het donker verdwenen.

Lammert keek op. Hij zag Geesje in de deuropening staan.

„Hij vaort toch,” zei hij. „Mit een knecht uut Ter Apel. Hij het 't al regeld.” Hij lachte, kort en bitter, op een manier die ze nog nooit van hem had gehoord. „En ik heb gien boot meer. Gien boot, gien wark, niks. Mar ik heb mien eer. Daor kun ie vast een hoop mee kopen in Amerika.”


Donderdag regende het. Een harde, koude regen die schuin over het veen joeg en de wijken deed overlopen. Geesje was in de keuken toen ze het hoorde: geroep, ver weg, uit de richting van de grote brug. Ze liet de aardappels in de pan vallen en rende naar buiten, zonder omslagdoek, zonder iets te zeggen.

Ze kwam te laat.

Toen ze bij de brug aankwam, was het voorbij. De schepen lagen aan de kade, vier stuks, met de Twee Gebroeders voorop, en op de dekken zaten mannen in natte jassen met hun knieën opgetrokken en hun spades tussen hun benen. Ze keken angstig naar de wal. Op de wal stonden de marechaussees, met hun paarden in een rij, en daarachter een menigte van honderd, tweehonderd mensen uit Erica, doorweekt en stil.

Er lag een man op de grond. Een van de marechaussees. Een collega zat bij hem met een doek tegen zijn hoofd, en er zat bloed op de doek. Even verderop lag een steen, zo groot als een vuist.

En tussen twee marechaussees in, met zijn handen op zijn rug en zijn pet in de modder, stond Harm.

„Ik heb niks gooid,” zei hij. Hij zei het niet tegen de marechaussees, maar tegen de menigte, tegen de mensen die hem kenden. „Ik heb niks gooid.”

„Hij stond vooraan,” zei iemand. Geesje draaide zich om. Het was Dilling, met zijn paraplu boven zijn hoofd, droog en rustig. „Hij stond vooraan, en de steen kwam uit zijn hoek. Ik heb het gezien.”

„Leugenaar!” riep een vrouw.

Dilling haalde zijn schouders op. „Dat zullen ze in Assen dan wel beslissen.”

Geesje zocht in de menigte naar Geert Mulder. Hij had naast Harm gestaan bij de vergaderingen, altijd, en hij zou nu ook naast hem moeten staan. Ze vond hem achteraan, tegen een boom, met zijn handen diep in zijn zakken. Hij keek naar de grond. Hij keek niet op toen ze zijn naam riep.

Ze namen Harm mee. Op een kar, naar Coevorden, met twee marechaussees naast zich. Hij keek om, één keer, en zag haar staan in de regen. Hij zei iets wat ze niet verstond. Toen draaide de kar de weg op en was hij weg.


Die avond kwam Willem naar de bijkeuken met zijn jas nog aan. Hij was in Coevorden geweest. Hij had met de officier gesproken, en met de burgemeester, en ze hadden allebei beleefd geknikt en niets beloofd.

„Hij gaat naar Assen,” zei hij. „Voor de rechter. Ik heb een advocaat gevraagd. Iemand uit Groningen, die ik ken van vroeger.”

„Waorum?”

„Omdat Dilling liegt.” Hij haalde een papier uit zijn zak. „Ik heb hier opgeschreven wat ik weet. Wie er die dag op de kade stond, wie wat heeft gezien. Ik heb het niet allemaal. Maar het is een begin. Wil je het aan je moeder geven? Ze moet het aan de advocaat laten zien als hij komt.”

Ze pakte het papier aan. Het was een brief, twee kanten vol, in dat kleine, scheve handschrift dat ze kende van de natte tekeningen. Onderaan stond iets wat niet voor de advocaat bedoeld was. Ze zag het in één oogopslag: G., ik ben bij je, wat er ook gebeurt. W.

Ze vouwde het op en stak het in de zak van haar schort, en daarna ging ze aan het werk, omdat er niets anders te doen was.

Pas thuis, laat die avond, toen ze haar moeder de brief wilde geven, merkte ze dat ze haar schort niet meer aanhad. Ze had hem uitgedaan in de bijkeuken, nat en vies van de regen, en hem in de wasmand gegooid. Zoals elke avond. Zoals Mientje haar had geleerd.

En de was van Huize De Vaart werd 's ochtends om zes uur gesorteerd. Door mevrouw Reinders zelf, die nooit een zakdoek de deur uit liet gaan zonder hem eerst te tellen.