Hoofdstuk 6: Het tarief
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Dilling zei niets. Dat was het ergste. Februari ging voorbij, en maart, en Geesje wachtte elke ochtend in de keuken tot mevrouw Reinders binnen zou komen met dat gezicht van haar dat nooit hoefde te verheffen, en elke ochtend kwam mevrouw binnen voor haar thee met één klontje en een scheutje melk, en zei goedemorgen, en verder niets.
„Hij bewaart 't,” zei Harm, toen ze het hem vertelde. „Zoals ie een goeie turf bewaart veur de koudste dag.”
Ze had hem de rest ook verteld. Van de lijst, van de twaalf procent, van de winkelprijzen. Ze had het gezegd op een avond in de loods, met alleen Harm en Lammert erbij, en Harm had geluisterd zonder haar één keer te onderbreken. Daarna had hij gevraagd van wie ze het wist.
„Dat zeg ik niet.”
„Van hem.”
„Dat zeg ik niet, Harm.”
Lammert had van de een naar de ander gekeken, met een frons die langzaam dieper werd, en had toen zijn pet afgezet en weer opgezet, en was naar buiten gegaan om te kijken of het nog vroor.
Op de eerste maandag van april hing er een papier aan de deur van de winkel van Reinders. Het was met vier spijkers vastgeslagen, op elke hoek één, en er stonden twee kolommen cijfers op. Links het oude tarief, rechts het nieuwe. Daaronder de nieuwe prijzen. Meel, spek, stroop, petroleum.
Er stonden die ochtend wel veertig mensen voor de deur. De meesten konden het niet lezen, of niet goed, en daarom las Ome Tijs het voor, met zijn bril op het puntje van zijn neus en zijn stem die bij elke regel zachter werd. Toen hij klaar was, zei niemand iets. Een vrouw begon te huilen, stil, met haar schort voor haar gezicht. Een jongen gooide een steen naar de deur, en zijn vader gaf hem een draai om zijn oren, en daarna werd het weer stil.
Hilje Dilling stond achter het raam van de winkel. Ze keek naar buiten met haar armen over elkaar, en toen de mensen haar zagen, gingen ze naar huis.
De vergadering was in het café van Hemmen, aan de Vaart bij de brug, op de tweede zaterdag van april. Hemmen was een Groninger die zich niets van Reinders aantrok omdat hij zijn bier van een brouwer in Coevorden kreeg en zijn turf van een andere veenbaas, en zijn zaal was de enige in de omtrek waar meer dan vijftig mensen in pasten.
Er kwamen er honderdtwintig. Geesje had nooit zoveel mensen in één ruimte gezien, behalve in de kerk. Ze stonden tegen de muren en zaten op de vensterbanken en hingen in de deuropening, en de lucht werd al snel zo dik van pijprook en natte wol dat je de lampen alleen nog als vlekken zag.
Vrouwen hoorden er eigenlijk niet bij. Maar Geesje was er, en haar moeder, en Hendrikje van de bakker, en een stuk of twintig anderen, en niemand zei er iets van. Het was hun brood ook.
Van Dijk sprak als eerste. Hij stond op een stoel, zodat iedereen hem kon zien, en zijn bril glom in het lamplicht. Hij sprak niet hard. Hij hoefde niet hard te spreken. Hij vertelde over de bond, over de andere afdelingen, in Friesland, in Groningen, over de kas waaruit stakers werden betaald, niet veel, maar genoeg om niet van honger om te komen. Hij vertelde over de gedwongen winkelnering, waar Domela Nieuwenhuis in achtentachtig al over had gesproken in de Kamer, en over de heren in Den Haag die er sindsdien bitter weinig aan hadden gedaan. Hij zei: „Ze tellen jullie turf. Ze tellen jullie uren niet.” Iemand achter in de zaal riep iets, en de anderen lachten, en voor het eerst die avond werd de stilte minder zwaar.
Daarna sprak Harm. Hij was minder goed dan Van Dijk. Hij hakkelde in het begin en keek naar zijn handen. Maar toen hij de cijfers noemde, het oude tarief en het nieuwe, en uitrekende wat het betekende voor een gezin met vier kinderen, een week lang, werd het zo stil dat je het hout in de kachel hoorde knappen.
„Dat is gien loon,” zei hij aan het eind. „Dat is een schuld. Elke week een beetje meer.”
Er werd geklapt. Niet iedereen klapte.
Toen stond er iemand op die niemand had verwacht.
Jan Bakker had de hele avond achter in de zaal gezeten, op een bank tegen de muur, met zijn handen op zijn knieën. Geesje had niet eens geweten dat hij zou komen. Hij had thuis gezegd dat hij naar bed ging, en zij was weggegaan met haar moeder, en toen ze binnenkwamen, zat hij er al. Ze wist niet hoe hij gekomen was. Lopen kon hij nauwelijks.
Hij stond op. Langzaam, met een hand tegen de muur. De mensen om hem heen werden stil, en daarna de mensen om hen heen, tot de hele zaal naar hem keek.
„Ik was in Appelscha,” zei hij. „In achtentachtig.”
Hij sprak zacht. Zo zacht dat de mensen voorin zich omdraaiden en hun hand achter hun oor hielden.
„Ik was tweeëndertig. Ik had een vrouw en een jonge van drie. Wij stonden in 't veen van een baas die ons zes gulden in de week betaalde. Zes gulden. En wij mossen veertien uur maken, of zestien, in 't hoogseizoen. En van die zes gulden kregen we de helft in bonnen. Veur zien winkel.” Hij hoestte. Iemand gaf hem een kroes water, en hij dronk en gaf hem terug. „In maart hebt we de schoppen neergelegd. Eerst wij, toen de mannen in de volgende wieken, toen 't hele veen. Honderden. 't Was 't mooiste wat ik ooit zien heb. Al die schoppen in de grond. Niemand die stak.”
Hij keek de zaal rond. Zijn ogen bleven even op Harm hangen.
„Een paor weken,” zei hij. „Toen kwammen de marechaussees. Toen kwammen de mensen van buten, die ons wark overnammen. En wij hadden niks. Gien kas, gien bond, niks. Wij hadden alleen onze kwaodheid. En kwaodheid vult gien maag.” Hij zweeg even. „Ik bin weggaon toen ik gien wark meer kreeg. Niemand in Friesland wol mij nog. Ik bin hier kommen. Ik heb twintig jaor mien mond holden.”
Het was zo stil dat Geesje haar eigen hart hoorde.
„Ik zeg niet dat ie 't niet doen mot,” zei hij. „Ik zeg: as ie 't doen, doe 't dan allemaol. Niet de helft. Niet as 't makkelijk is. Allemaol, tot 't einde.” Hij ging weer zitten. Het duurde lang, omdat zijn knieën niet wilden. „Anders bliev dan thuus. Dan is 't minder erg.”
Niemand klapte. Maar toen Van Dijk na een tijdje vroeg wie er lid wilde worden, stonden er achtenzestig mensen op.
Op maandag, bij het middageten, ruzieden ze in de eetkamer van Huize De Vaart.
Geesje diende op. Erwtensoep, want het was nog koud, met roggebrood en spek. Ze zette de terrine op tafel en schepte op, eerst mijnheer, dan mevrouw, dan mijnheer Willem, dan Clara, en ze deed het met haar ogen op de pollepel en haar oren wijd open.
„Achtenzestig,” zei Willem. „In één avond.”
„Op papier,” zei zijn vader. „Op papier zijn ze moedig.”
„Je kunt geen achtenzestig man op een lijst zetten.”
„Ik kan er honderd op zetten. In Duitsland staan er duizend klaar die voor de helft willen werken. Uit het Eemsland, uit Meppen, uit Haren. Ze komen elk voorjaar al, voor de seizoensarbeid. Een paar schepen, meer is het niet.” Reinders brak zijn brood. „Ik heb er al met iemand over gesproken.”
Clara legde haar lepel neer. Mevrouw keek naar haar bord.
„Vader,” zei Willem. „Vijf procent. Geen twaalf. Vijf. En de bonnen eraf. Laat ze hun loon in geld krijgen, en laat ze kopen waar ze willen. Dan heb je ze rustig voor tien jaar.”
„En dan staat er volgend jaar weer een Van Dijk op een stoel, en dan willen ze vijf procent terug.”
„Misschien.”
„Niet misschien. Zeker.” Reinders keek zijn zoon aan. Hij was niet boos. Dat was het vreemde. Hij was rustig, en zijn stem was bijna vriendelijk. „Jij hebt in Delft geleerd hoe je water uit een veen krijgt, Willem. Dat is nuttig. Maar je hebt niet geleerd hoe je mensen erin houdt. Dat leer je hier. En de eerste les is dat je nooit, nooit, laat zien dat je bang bent.”
„Ik ben niet bang.”
„Nee,” zei zijn vader. „Jij bent verliefd op een idee. Dat is erger.”
Geesje zette de pollepel terug in de terrine. Haar hand trilde niet. Ze was er trots op, later. Ze liep de kamer uit, met de lege schaal, en ze hoorde achter zich Clara iets zeggen, en mevrouw iets terugzeggen, scherp, en daarna niets meer.
Die avond, in de bijkeuken, gaf hij haar een briefje. Een opgevouwen vel uit zijn notitieboekje.
„Voor je broer,” zei hij. „Ik wil met hem praten. Morgenavond, bij de loods. Alleen.”
„Waorover?”
„Over vijf procent. En over de bonnen. Als ik hem kan laten zien dat er een andere weg is, en ik kan het mijn vader laten zien ook...”
„Uw vader het nee zegd.”
„Mijn vader heeft nog nooit iemand tegenover zich gehad die niet bang was.” Hij keek haar aan. „Behalve misschien jou.”
Ze bracht het briefje. Harm las het bij het licht van het fornuis, terwijl hun vader sliep en hun moeder breide en deed alsof ze niets zag. Hij las het twee keer. Toen vouwde hij het op en stak het in zijn borstzak, bij de krant.
„Goed,” zei hij.
Ze ging niet mee. Harm wilde het niet, en Willem had het ook niet gevraagd. Ze zat thuis bij het fornuis met Trijntje, die een kous zat te stoppen en om de vijf minuten vroeg wat er aan de hand was, en ze luisterde naar elk geluid buiten. Om elf uur kwam Harm terug. Hij hing zijn jas aan de spijker en ging tegenover haar zitten.
„Hij meent 't,” zei hij. „Dat moet ik 'm laoten.”
„En?”
„Ik heb 'm vraagd of hij 't op papier wil zetten. Mit de handtekening van zien vader.” Harm haalde zijn schouders op. „Dat kon hij niet.”
„Hij probeert 't, Harm.”
„Probeern is gien tarief.” Hij keek naar het vuur. „Hij is een goeie jonge, Geesje. Dat zeg ik oe eerlijk. Maor hij is niet de baas. En wij kunnen niet staken op 't woord van iemand die niet de baas is.”
Op zaterdag kwam de afdeling opnieuw bij elkaar, in de zaal van Hemmen. Dit keer waren het er honderdvijftig. Er werd niet lang gepraat. Van Dijk las een papier voor, en Harm las het na hem nog een keer voor, in het Drents, zodat iedereen het begreep.
Er werd gestemd met handen. Geesje stond achterin en telde niet. Ze hoefde niet te tellen. Ze zag de handen omhooggaan, eerst langzaam, toen allemaal tegelijk, als een veld riet in de wind.
Op één mei, om vier uur 's ochtends, zou niemand in Erica nog een spade in het veen zetten.