Hoofdstuk 5: Namen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Harm had haar die avond in september niet geslagen, niet uitgescholden, niet eens bij haar arm gepakt. Hij had naast haar gelopen, de hele wijk af, elf vlonders lang, en pas bij de deur van de hut had hij iets gezegd.

„Ie weet wat ze in 't dorp van zukke wichter zeggen.”

„Ik weet 't.”

„En ie weet dat hij oe nooit trouwt. Nooit. Al zul hij 't willen.”

Ze had geen antwoord gegeven. Harm had naar het water gekeken, en toen naar haar, en zijn gezicht was niet boos geweest maar moe, zo moe dat hij even op hun vader leek.

„Ik zeg 't niet tegen moe,” had hij gezegd. „Maor ik zeg oe één ding. As 't erop aankomt, Geesje, dan stiet hij an de kant van zien vader. Dat doen ze altied.”


De winter kwam vroeg dat jaar en bleef lang. In december vroor het al, en na Nieuwjaar vroor het zo hard dat de Vaart dichtging van Hoogeveen tot Zwartemeer. De schepen lagen vast in het ijs met hun masten als kale bomen. Het veenwerk lag stil, zoals elk jaar in de winter, en de mannen die geen ander werk hadden, zaten thuis bij de kachel met de turf die ze zelf hadden gestoken en die ze, voor het eerst die winter, bij de winkel van Reinders moesten kopen omdat hun eigen voorraad op was.

Op zondag werd er geschaatst. Heel Nieuw-Amsterdam kwam op het ijs, en heel Erica ook, en voor één middag in de week maakte het niet uit wie je was. De dominee schaatste in zijn zwarte jas met zijn handen op zijn rug. De kinderen van de arbeiders reden op houten schaatsjes met ijzers die hun grootvaders nog hadden gesmeed. Clara Reinders zwierde in een rode muts tussen iedereen door, onvermoeibaar, en kwam met roze wangen bij Geesje staan om te vertellen dat ze in Groningen een meisje had ontmoet dat medicijnen wilde studeren.

„Medicijnen,” zei Clara. „Een vrouw. Stel je voor.”

„Doe ik,” zei Geesje.

„En jij? Wat zou jij willen worden, als je kon kiezen?”

Geesje keek over het ijs. In de verte, bij de brug, stond Willem met een paar jongemannen uit de betere huizen van het dorp. Hij lachte om iets wat iemand zei, en toen keek hij op, over al die mensen heen, recht naar haar.

„Ik zul een stuk grond willen,” zei ze. „Van mijzelf.”

Clara volgde haar blik en zei niets. Dat was het fijne aan Clara. Ze las zoveel dat ze wist wanneer een zin geen antwoord nodig had.


Ze hadden elkaar dat najaar vaker gezien dan goed was. Niet vaak. Niet zo vaak als Geesje 's nachts in de bedstee naast Trijntje had gewild. Maar vaker dan goed was.

In de tuin, achter de rododendrons, op de avonden dat ze laat de vuilnisemmers buiten zette. In de bijkeuken, één keer, toen Mientje naar de kerk was en mevrouw sliep, waar hij haar een boek gaf dat ze onder haar schort mee naar huis nam en in een week uitlas, bij het licht van een stompje kaars, en waar ze daarna met hem over praatte alsof ze nog nooit over iets anders had gepraat. Over het water. Over Delft, waar de grachten zo smal waren dat je de buren aan de overkant kon horen hoesten. Over Amerika, waar Lammert naartoe wilde. Over zijn vader, over wie hij weinig zei, en over haar vader, over wie zij veel zei.

Hij had nooit iets beloofd. Dat was het vreemde. Hij had niets beloofd en niets gevraagd, en zij ook niet, en toch voelde het alsof ze ergens aan begonnen waren wat al een vorm had, zoals een put een vorm heeft voordat je de eerste spade in de grond zet.


Op een dinsdag in januari, terwijl het buiten twaalf graden vroor en de ijsbloemen op de keukenruit zo dik zaten dat je niet meer naar buiten kon kijken, zei Mientje dat mijnheer Reinders haar wilde spreken.

„Mij?”

„In de werkkamer.” Mientje keek haar niet aan. Ze sneed uien, snel en fijn, en haar mes ging harder op de plank dan nodig was. „Doe je schort recht.”

De werkkamer van Albertus Reinders rook naar sigaren en naar leer. Er stond een groot bureau met een groen vloeiblad, een kast vol ordners, en aan de muur een kaart van het hele veen, met de wijken erin getekend en de percelen genummerd. Reinders zat achter het bureau. Hij keek op toen ze binnenkwam en wees naar de stoel tegenover hem.

Ze bleef staan.

„Ga zitten, Geesje.”

Ze ging zitten. Op de rand van de stoel, met haar handen in haar schoot.

„Je doet je werk goed,” zei Reinders. „Mientje is tevreden. Mijn vrouw is tevreden. Dat hoor je niet vaak, dus ik zeg het je maar.” Hij leunde achterover, en zijn horlogeketting ving het licht van de lamp. „Hoe is het met je vader?”

„Beter, mijnheer.”

„Mooi. Mooi. Hij heeft altijd hard gewerkt, Jan Bakker. Twintig jaar bij ons. Nooit een klacht.” Hij liet een stilte vallen. „Niet hier, tenminste.”

Geesje zei niets.

„Ik zal je niet lang ophouden. Er is iets waar ik je hulp bij nodig heb.” Hij trok een la open en haalde er een vel papier uit. Hij legde het op het vloeiblad, met de beschreven kant naar beneden. „Er loopt hier sinds de zomer een man rond uit Amsterdam. Van Dijk heet hij. Hij heeft een stadse jas en een bril en hij praat graag in schuren. Weet je wie ik bedoel?”

„Nee, mijnheer.”

„Nee.” Reinders knikte, alsof hij dat antwoord had verwacht en het niet erg vond. „Die man wil een afdeling oprichten. Van de bond. Hij wil mijn mensen vertellen dat ze beter af zijn als ze hun contributie aan hem betalen in plaats van hun brood bij mij te kopen. Dat mag hij vinden. We leven in een vrij land. Maar ik wil weten wie er naar hem luistert.”

Hij draaide het papier om. Er stonden namen op. Een stuk of tien, in een strak handschrift dat ze kende van de loonlijsten. Bovenaan stond H. Bakker.

Ze keek ernaar. Ze zag ook G. Mulder en K. Mulder, en L. Hoving, en een naam die ze niet kende, en T. Wolters, en haar hart sloeg over, want dat was Ome Tijs, en Wolters was ook de naam van Mientje.

„Ik heb begrepen,” zei Reinders, „dat jouw broer graag in die schuren zit. Dat is jammer. Harm is een goede werker. Sterk. Maar ik kan geen mensen gebruiken die tegen mij praten achter mijn rug. Dat begrijp je.”

„Ja, mijnheer.”

„Dus wat ik wil weten, is dit. Klopt deze lijst? Zitten hier mensen op die er niet op horen? En ontbreken er mensen?” Hij vouwde zijn handen op zijn buik. „Je hoeft niets op te schrijven. Je hoeft alleen ja of nee te zeggen. En als je dat doet, zal ik ervoor zorgen dat je vader zijn put houdt, ook als hij het dagwerk niet meer haalt. En dat je broer volgend jaar nog steeds bij ons kan werken. Dat beloof ik je.”

Geesje keek naar de lijst. Ze keek naar de kaart aan de muur, naar de genummerde percelen, naar het perceel achter de wijk waar haar vader twintig jaar had gegraven. Ze dacht aan Harm op de vlonder in het donker. As 't erop aankomt.

Ze dacht ook aan iets anders. Aan haar vader, in de put, met zijn witte voeten. Aan de dokter die geen geld had gevraagd. Ze dacht: als ik nu ja zeg, krijgt vader zijn put. Als ik nee zeg, krijgt niemand iets.

„Ik weet het niet, mijnheer,” zei ze.

„Je weet het niet.”

„Mijn broer zegt niks tegen mij. Ik ben maar een meisje. Ik werk hier, van zes tot zes, en daarna slaap ik. Ik weet niet in welke schuren hij zit.”

Reinders keek haar lang aan. Ze hield haar ogen op zijn horlogeketting gericht, op de schakels die op en neer gingen met zijn adem.

„Dat is jammer,” zei hij ten slotte. „Dat is echt heel jammer, Geesje.” Hij legde de lijst terug in de la. „Je kunt gaan.”


Ze ging niet terug naar de keuken. Ze ging naar de bijkeuken, waar het ijskoud was en de wasketel leeg stond, en ze leunde tegen de muur en sloot haar ogen. Haar handen trilden. Ze kneep ze tot vuisten.

De deur ging open. Ze hoefde niet te kijken.

„Wat wilde hij?” vroeg Willem.

„Namen.”

Hij kwam naast haar staan. Hij raakte haar niet aan. Hij stond alleen naast haar, met zijn schouder bijna tegen de hare, en keek naar dezelfde lege muur.

„Er is een lijst,” zei hij zacht. „Ik heb hem gezien. Op zijn bureau, vorige week. Hij krijgt de namen van Dilling, en Dilling krijgt ze van iemand in Erica. Ik weet niet van wie.”

„Harm staat bovenaan.”

„Ik weet het.” Hij zweeg even. „In het voorjaar gaat het tarief omlaag. Twaalf procent. Hij heeft het besloten. En de prijzen in de winkel gaan omhoog. Hij denkt dat ze dan wel gaan staken, en dat hij dan iedereen op de lijst kan ontslaan, en dat het daarna weer jaren stil blijft. Zoals na achtentachtig.”

„En u?”

„Ik heb gezegd dat het dom is.” Hij lachte, zonder vreugde. „Hij heeft gezegd dat ik nog veel moet leren.”

Ze keek hem aan. In het grauwe licht van de bijkeuken zag hij er jonger uit dan hij was, en ouder ook.

„Waorum vertelt u mij dit?”

„Zodat je het je broer kunt vertellen.”

Het bleef stil. Ergens in het huis sloeg een klok.

„Dan bin ik toch een spion,” zei Geesje. „Alleen niet veur uw vader.”


Die zondag, de laatste zondag van januari, vroor het nog steeds. Het ijs was zwart en hard en zong onder de schaatsen. Tegen vieren, toen de zon rood en laag boven het veen hing en de meeste mensen al naar huis gingen, reed Geesje alleen naar de bocht voorbij de grote brug, waar het riet hoog stond en het ijs smal werd.

Hij was er al. Hij reed haar tegemoet, met zijn handen op zijn rug, en draaide naast haar mee. Ze zeiden niets. Ze reden samen de bocht door, in het lange, platte ritme van mensen die al schaatsen sinds ze konden lopen, en toen ze het riet voorbij waren en niemand hen meer kon zien, stak hij zijn hand uit.

Ze pakte hem. Ze reden hand in hand over het zwarte ijs, naar het rode licht toe, en even was er niets anders dan het geluid van hun ijzers en de kou in haar longen en de warmte van zijn hand door twee paar wollen wanten heen.

Toen ze terugkeerden, stond er een man op de wal. Een zware man, in een dikke jas, met een wandelstok onder zijn arm. Hij stond tussen het riet, alsof hij daar al een tijdje stond. Hij tikte aan zijn pet.

„Goeienmiddag, mijnheer Willem,” zei Berend Dilling. „Goeienmiddag, Geesje.”

En hij glimlachte.