Hoofdstuk 4: De markt in Emmen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het was niet Dilling die als eerste iets zei, op die middag in juni. Het was Willem, die vlak achter hem over het pad kwam en zijn jas in het gras liet vallen toen hij zag wie er op de grond lag.
„Een kar,” zei hij. „Is hier ergens een kar?”
Iemand had een kruiwagen. Iemand anders wist dat de boer van het eerste perceel een paard had. Binnen een half uur lag Jan Bakker op een bed van zakken op een boerenwagen, en binnen een uur zat dokter Kuipers uit Nieuw-Amsterdam op een krukje naast de bedstee in de plaggenhut, met zijn tas op zijn knieën en zijn oor tegen vaders borst.
Geesje had nooit begrepen hoe de dokter zo snel was gekomen. Pas later, in de keuken van Huize De Vaart, hoorde ze van Mientje dat mijnheer Willem op de fiets van de knecht naar Nieuw-Amsterdam was gereden, zonder hoed, en de dokter van zijn eigen tafel had gehaald.
„Zijn longen,” had de dokter gezegd, terwijl hij zijn handen afveegde aan een doek die haar moeder hem gaf. „En zijn hart. Hij moet rusten. Geen water. Geen putten. Een paar maanden op zijn minst, en daarna licht werk.”
„Licht wark,” zei haar moeder. „In 't veen.”
De dokter had haar aangekeken met een blik die zei dat hij dit gesprek vaker had gevoerd, in vaker zulke hutten, en dat het nooit anders afliep. Daarna had hij zijn tas dichtgeklikt en geen geld gevraagd. Dat was het tweede wat Geesje niet begreep, tot ze het ook begreep.
De zomer ging voorbij zoals zomers in het veen voorbijgingen: heet, lang en dan ineens voorbij. Vader lag zes weken in de bedstee. Daarna zat hij drie weken op een stoel voor de deur, met een deken over zijn knieën in augustus, en keek naar de wijk. Harm stak zijn put alleen, en daarna samen met Klaas Mulder, en Dilling liet weten dat Bakker zijn put mocht houden zolang het dagwerk werd gehaald. Hoe ze dat haalden, was hun zaak.
In september zette vader weer ringen. Tussen de vrouwen en de kinderen, met zijn rug krom en zijn handen traag. Hij zei er niets over. Niemand zei er iets over. Maar Geesje zag hoe hij 's avonds aan tafel zat en naar zijn handen keek alsof het de handen van een ander waren.
Ze had mijnheer Willem willen bedanken. Ze had het steeds willen doen, en ze had het steeds niet gedaan. Elke ochtend in de keuken, als hij binnenkwam voor zijn koffie, lag het op haar tong, en elke ochtend slikte ze het in. Omdat het iets anders zou worden als ze het zei. Omdat het een schuld zou worden, en ze wist hoe schulden werkten in het veen: je betaalde ze nooit helemaal af.
De markt in Emmen was op een dinsdag. Mientje gaf haar vrij zonder dat ze erom vroeg, wat Geesje inmiddels gewend was, en om zeven uur 's ochtends stond Lammert bij de hut met een geleende boerenkar en het oude paard van de familie Mulder ervoor.
„Klaas en Geert gaon ook,” zei hij. „En Hendrikje van de bakker. Dan is 't netjes.”
„Wie het zegd dat 't netjes mos?”
„Oe moe,” zei Lammert, en knipoogde naar Aaltje, die in de deuropening stond met haar armen over elkaar en een gezicht dat niets toegaf.
Het was twee uur rijden. De weg ging over zand en door heide, langs de essen van de oude dorpen, waar de boerderijen laag en breed onder de eiken lagen, heel anders dan de rechte rijen hutjes langs de wijken. Hendrikje zong, vals en hard. Klaas en Geert deden een wedstrijdje wie het verst kon spugen. Lammert hield de teugels en vertelde over Groningen, over de havens waar schepen lagen die zo groot waren als kerken, over zijn oom Derk, die vijf jaar geleden naar Amerika was gegaan.
„Grand Rapids,” zei hij. Hij sprak het uit zoals het geschreven stond. „In Michigan. Hij het mij schreven dat ze der meubels maken. Hele fabrieken vol. Hij verdient der in een week wat wij hier in een maand verdienen. En de grond is der goedkoop.”
„Goedkoop is niet niks,” zei Geesje.
„Goedkoper as hier. En ie mot 'm nich eerst onder 't veen vandaan graven.”
Ze keek naar hem, naar zijn handen aan de teugels, bruin en groot. Hij meende het. Dat zag ze. Het was geen praatje om indruk te maken. Hij had het er al eerder over gehad, met Harm, in de loods, en ze had gedacht dat het mannenpraat was, zoals het praat over vrouwen was en over de koning en over wat ze zouden doen als ze een ton gewonnen hadden.
„Wanneer?” vroeg ze.
„As ik genoeg heb. Veur de overtocht. Nog twee jaor, misschien drie.” Hij keek haar niet aan. „Ik zul nich alleen willen gaon.”
Emmen was vol. Er stonden paarden op de Markt, honderden, aan touwen langs de bomen, en er hingen kooplui en boeren omheen die met hun handen op elkaars handen sloegen en riepen en lachten. Er waren kramen met snoepgoed, met aardewerk, met lappen stof, met paling. Er was een man die tanden trok op een stoel op een kar, en een vrouw die de toekomst las uit je hand voor een dubbeltje. En er was een draaimolen, een grote, met houten paarden en een orgel dat je tot in de zijstraten hoorde, en daarnaast, hoog, de zweefmolen uit Duitsland.
Ze gingen erin, alle vijf. Geesje zat in een stoeltje aan een ketting en vloog boven de daken van Emmen, en het was het vreemdste wat ze ooit had gevoeld. Ze zag de Hondsrug liggen, het oude land met de eiken, en verder naar het oosten de lange bruine vlakte van het veen tot aan de horizon. Ze zocht Erica en vond het niet. Alles leek kleiner dan het was. Alles leek dichterbij.
Toen ze er weer uit stapte, stond de grond te draaien en moest ze zich aan Lammerts arm vastgrijpen. Hij lachte en hield haar vast, iets langer dan nodig was.
Daarna ging het zoals het altijd ging met jongens op de markt. Klaas en Geert vonden een tent waar bier werd geschonken, en Lammert ging mee om er één te drinken, en toen nog één. Hendrikje vond een neef. Geesje liep alleen langs de kramen, met haar handen om een zakje gebrande amandelen dat Lammert voor haar had gekocht.
„Geesje!”
Ze draaide zich om. Clara Reinders, in een lichtgroene jurk met een strohoed, die zich door de menigte wurmde alsof ze er thuishoorde. En achter haar, met zijn handen in zijn zakken en een gezicht dat probeerde te kijken alsof dit toeval was, mijnheer Willem.
„Ik heb gezegd dat ik naar de paarden wilde,” zei Clara buiten adem. „Moeder dacht dat ik het meende. Willem moest mee als chaperonne. Hij vindt paarden saai.”
„Dat heb ik nooit gezegd,” zei Willem.
„Je zei dat ze naar hooi ruiken.”
„Dat doen ze ook.”
Clara keek van de een naar de ander en zei toen, heel onschuldig, dat ze daar een kraam met linten zag en dat ze daar even naar moest kijken, en verdween.
Ze stonden tegenover elkaar tussen de mensen. Om hen heen werd geroepen en geduwd, en ergens hinnikte een paard.
„Hoe is het met je vader?” vroeg hij.
„Hij zet weer ringen.”
„Dat is goed.”
„Nee,” zei Geesje. „Dat is niet goed. Hij is turfgraver. Ringen zetten is wat kinderen doen.”
Hij knikte langzaam. Ze dacht dat hij nu iets zou zeggen over de dokter, en ze had haar antwoord al klaar, scherp en trots, en toen zei hij het niet. Hij zei: „Wil je een amandel?” en wees naar haar eigen zakje.
Ze moest lachen. Ze wilde het niet, maar het gebeurde. Ze hield hem het zakje voor, en hij nam er een, en ze stonden daar amandelen te eten tussen de paarden alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
„Waorum hebt u de dokter betaald?” vroeg ze ten slotte. Ze merkte pas achteraf dat ze in het Drents was overgegaan.
„Omdat het moest.”
„Dat is gien antwoord.”
„Dat zei je ook toen ik vroeg van wie het land achter de wijk zou zijn.” Hij keek naar de zweefmolen, waar de stoeltjes weer begonnen te draaien. „Ik heb er een rapport over geschreven. Voor mijn vader. Over de putten, over het pompen, over het tarief. Hij heeft het gelezen en in de kachel gegooid.”
„Wat stond er in?”
„Dat je geen veen kunt ontginnen met mensen die er dood aan gaan.” Hij zei het zacht, alsof hij het tegen zichzelf zei. „Dat het dom is. Niet alleen slecht. Dom.”
Lammert kwam niet uit de biertent. Om vier uur keek Geesje naar binnen en zag hem met Klaas aan een tafel zitten, rood en luid, met een arm om een man die ze niet kende. Ze wachtte tot vijf uur. Toen begon ze te lopen.
Twee uur rijden was drie uur lopen. Ze wist dat. Ze liep toch. Ze had geen zin om op een kar te zitten naast een dronken Lammert die zou zingen en haar hand zou willen vasthouden. Ze trok haar klompen uit toen de weg zandig werd en liep op haar kousen, met de klompen in haar hand.
Ze was een uur onderweg toen ze een fietsbel hoorde.
Hij stapte af naast haar. Hij was alleen. Clara, zei hij, was met de koetsier van de dokter mee naar huis gereden, en hij had gezegd dat hij de fiets nam, omdat hij nog iets in Weerdinge moest kijken.
„Weerdinge ligt de andere kant op,” zei Geesje.
„Dat weet ik,” zei hij.
Hij liep naast haar met de fiets aan de hand. Ze zeiden niet veel. De zon zakte en het licht werd koperkleurig, en over de heide trok een zwerm spreeuwen als rook. Toen ze bij de Vaart kwamen, was het bijna donker. Het water lag stil en glad, met een streep rood erin waar de lucht nog licht was, en aan de overkant brandden de eerste lampen achter de ramen van Nieuw-Amsterdam.
Bij de brug bleven ze staan.
„Hier moet ik af,” zei ze. „Naor de wijk.”
„Ik weet het.”
Ze keek naar hem op. Ze kon zijn gezicht maar half zien in het schemerdonker. Ze wist dat ze moest gaan. Ze wist precies wat er gezegd zou worden als iemand hen hier zag, de dienstmeid en de zoon, en ze wist ook dat het er niet toe deed, niet op dit moment, met het rode licht op het water en de spreeuwen die in het riet neerstreken met een geluid als regen.
Hij zei haar naam. Alleen haar naam. En toen kuste hij haar, of zij hem, ze wist het later niet meer, en het was kort en voorzichtig en het smaakte naar gebrande amandelen.
Ze liet los. Ze deed een stap terug. Ze zei niets, want er was niets wat ze kon zeggen, en ze draaide zich om en liep het pad langs de wijk op, op haar kousen, met haar klompen in haar hand zonder één keer om te kijken.
Bij de eerste vlonder stond iemand. Een man, in het donker, met zijn handen in zijn zakken. Hij was uit de richting van het dorp gekomen en stond stil op de planken.
„Goeienaovend, zuster,” zei Harm.