Hoofdstuk 3: Het veen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

In juni stonk het veen naar zon. Dat was het enige woord dat Geesje ervoor had. Het water in de putten werd lauw en bruin, de turf op de ruggen droogde tot hij klonk als hout als je erop klopte, en boven alles hing een zware, zoete geur van rottend riet en warme aarde die in je kleren trok en er tot de herfst niet meer uit ging.

Om vier uur 's ochtends stonden de mannen al in de put. Om acht uur 's avonds stonden ze er nog. Wie in juni turf stak, at in het veen, dronk in het veen en sliep er soms ook, onder een zeil tegen een turfrug, omdat de weg naar huis langer duurde dan de nacht.

Geesje had een vrije middag. Mientje had het zo geregeld, zonder uitleg: „Woensdag hoef je pas om zes uur terug te zijn.” Mevrouw ging met Clara naar familie in Assen en mijnheer Reinders zat in Coevorden voor zaken, en een leeg huis hoefde niet gepoetst te worden. Geesje had een kan koffie gezet in haar moeders keuken, een half roggebrood in een doek gewikkeld en een stuk spek dat ze van haar eigen loon had gekocht, en was het veen in gelopen.

Het pad was droog en hard. Ze liep langs de putten, langs de vrouwen die de natte turf in ringen zetten om te drogen, langs kinderen met blote benen die de kruiwagens duwden. Trijntje was er ook, twaalf jaar en mager als een bonenstaak, met een doek om haar hoofd tegen de zon. Ze stond tot haar enkels in het slik en zette de turven twee aan twee tegen elkaar, schuin, zodat de wind erdoor kon. Roelof, negen, droeg ze aan.

„Geesje!” Roelof liet een turf vallen en rende naar haar toe. „Hest wat mitnommen?”

„Niet veur oe,” zei ze, en gaf hem een korst.


Haar vader stond in de diepste put. Hij stond tot zijn knieën in het water en stak met de lange, smalle turfspade in de zwarte wand, een snelle, korte beweging, steeds dezelfde: steken, wrikken, tillen. Elke turf kwam los als een natte steen, glimmend en zwaar, en hij legde hem op de rand, waar Harm hem oppakte en op de kruiwagen zette. Ze werkten zonder te praten, in een ritme dat ze niet hoefden te tellen omdat hun lichamen het al twintig jaar kenden. Of, in Harms geval, tien.

Jan Bakker was tweeënvijftig. Op die middag in de put zag hij eruit als zeventig. Zijn rug was krom, zijn armen dun en taai als oude touwen, en zijn baard, die vroeger rood was geweest, had de kleur van as. Hij hoestte niet. Hij hoestte nooit als hij werkte. Hij bewaarde het voor de nacht.

„Vader,” riep Geesje. „Koffie.”

Hij keek op, kneep zijn ogen tot spleetjes tegen het licht en stak nog één turf. Toen pas klom hij uit de put, met water dat uit zijn broekspijpen stroomde en zijn voeten wit en gerimpeld als die van een verdronkene.

Ze gingen in de schaduw van een turfrug zitten. Harm, vader, Trijntje, Roelof en zij. Ze dronken de koffie om de beurt uit dezelfde kom, zoals altijd, en vader at langzaam, met kleine hapjes, omdat zijn tanden niet meer wilden.

„Hoe is 't in 't grote huus?” vroeg hij.

„Goed.”

„Ze behandelt oe netjes?”

„Mientje is streng. Mevrouw zegt niks. Clara is aorig.”

„En de jonge?”

Geesje keek naar haar handen. „Die is der veul nich.”

Dat was niet waar, en Harm wist dat het niet waar was, want hij keek haar aan over de rand van de kom. Maar hij zei niets, en vader knikte tevreden en nam nog een hap spek.


Ze zagen ze aankomen voordat ze ze hoorden. Twee mannen over het smalle pad tussen de putten, de een groot en zwaar met een wandelstok, de ander slank, met zijn jas over zijn arm en zijn hemd tot de ellebogen opgerold. Dilling en mijnheer Willem.

Vader stond op voordat ze er waren. Harm bleef zitten.

„Bakker,” zei Dilling. Hij keek naar de put, naar de rug met turf, naar de kom koffie. „Gien wark vandaag?”

„Schoft,” zei vader. „Tien menuten.”

„Tien menuten zijn tien turf.” Dilling tikte met zijn stok tegen de natte rand van de put. Hij sprak Drents tegen de arbeiders en Hollands tegen de baas; hij had het allebei in zijn mond als twee gereedschappen in een kist. „Mijnheer Reinders hier wil weten hoe diep jullie zitten.”

Willem stapte naar voren. Hij keek Geesje niet aan, en zij hem ook niet, en toch voelde ze dat hij wist dat ze er was, zoals je de warmte van een kachel voelt als je er met je rug naartoe staat.

„Goedemiddag,” zei hij tegen haar vader. „U bent meneer Bakker?”

Het werd even stil. Niemand had haar vader ooit meneer genoemd.

„Jan Bakker,” zei vader. „Joa.”

„Ik ben bezig met een plan voor een nieuwe wijk, hier verderop. Ik wil weten hoe het veen er hier bij staat. Hoe diep is het zwarte? Hoeveel water komt er in de put als u een nacht niet pompt?”

Vader keek naar Dilling. Dilling keek naar de lucht.

„Dat verschilt,” zei vader.

„Van wat?”

„Van 't weer. Van de plek.” Hij wreef in zijn baard. „Hier vier meter, misschien meer. 's Nachts loopt de put half vol.”

„En dan pompt u hem 's ochtends leeg? Met de hand?”

„Met de hand.”

„Hoe lang duurt dat?”

„Een uur. Anderhalf.” Vader haalde zijn schouders op. „Dat hoort derbij.”

„Wordt dat uur betaald?”

Dilling draaide zijn hoofd heel langzaam naar Willem toe. Harm, die nog steeds op de grond zat, legde de kom neer.

„Het tarief is per dagwerk,” zei Dilling. „Per dagwerk turf. Hoe ze dat halen, is hun zaak.”

„Zo,” zei Willem. Meer niet. Hij haalde een notitieboekje uit zijn zak en schreef iets op. Toen keek hij naar haar vaders voeten, die wit en gezwollen in de modder stonden, en naar zijn handen, en hij schreef nog iets op.

„Dank u, meneer Bakker,” zei hij.

Ze liepen door. Dilling met zijn stok, Willem met zijn boekje. Bij de volgende put bleef Willem staan om iets aan een jongen te vragen, en Dilling wachtte op hem met zijn armen over elkaar en een gezicht als een dichtgeslagen deur.

„Wat wol die?” vroeg vader, toen ze buiten gehoor waren.

„Weten hoe 't is,” zei Harm.

„Daor hebt ze toch Dilling veur.”

„Precies,” zei Harm.


Ze bleef langer dan ze van plan was. Ze hielp Trijntje met de ringen, omdat het meisje rood aanliep van de hitte en haar handen vol blaren zaten, en ze liet Roelof op haar schouders zitten toen hij een reiger wilde zien die in een verlaten put stond te vissen. Om vijf uur liep ze terug langs de wijk, met de lege kan in haar hand en het zweet in haar nek.

Bij de derde vlonder lag een praam aan de kant. Een lange, platte boot vol turf, met een mast die gestreken was en een zeil dat opgerold op het dek lag. De Twee Gebroeders stond er in witte letters op de achtersteven, en op het voordek zat Lammert Hoving in zijn hemd een stuk touw te splitsen.

„Geesje Bakker,” zei hij. „Ie hebt de zun op oe neuze.”

„En ie hebt teer op oe kin.”

Hij veegde er met zijn mouw overheen, wat het erger maakte, en lachte. Lammert lachte veel. Dat was het eerste wat iedereen van hem wist. Het tweede was dat hij zijn hele leven al op het water zat, eerst bij zijn vader en nu, sinds zijn vader dood was, bij zijn oom Jakob, en dat hij elke turf van Erica tot Groningen kende bij naam.

„Wanneer gaot ie weer?” vroeg ze.

„Morgen vrog. Naor Groningen, dan naor Winschoten.” Hij keek naar haar, met zijn hoofd schuin, en liet het touw zakken. „In september is der markt in Emmen. Met paarden en een draaimolen. Oom Jakob zegt dat ze dit jaor ook een zweefmolen hebt, uut Duutslaand.”

„Dat heb ik heurd.”

„Gaot ie?”

„Misschien.”

„Gaot ie met mij?”

Ze keek hem aan. Hij had het luchtig gezegd, maar zijn handen lagen stil op het touw, en zijn oren waren rood geworden onder zijn blonde haar. Lammert, dacht ze. Lammert, die haar als kind in de wijk had geduwd en haar er daarna weer uit had getrokken. Lammert, met wie elk meisje in Erica wel naar de markt wilde.

„Misschien,” zei ze weer.

„Dat is half joa.”

„Dat is half nee.”

Hij grijnsde en pakte het touw weer op. „Dan vraog ik 't in september nog een keer. Dan is 't vast heul joa.”

Ze liep door, en ze merkte dat ze glimlachte, en ze wist niet goed om wie.


Om half zes, bij de achtste vlonder, hoorde ze iemand roepen. Het was een hoge, schrille stem, en het duurde even voordat ze hem herkende, omdat ze hem nog nooit zo had gehoord.

Trijntje. Trijntje rende over het pad, zonder klompen, met haar doek van haar hoofd gegleden en haar armen zwaaiend als iemand die verdrinkt.

„Geesje! Geesje, kom! Vader!”

Ze liet de kan vallen. Ze hoorde hem achter zich in het water plonzen en keek niet om.

Haar vader lag op de rand van de put, op zijn zij, met zijn knieën opgetrokken als een kind. Harm zat naast hem op zijn hurken en hield zijn hoofd vast. Om hen heen stonden mannen uit de andere putten, met hun spades nog in hun handen, en niemand zei iets. Vaders gezicht was grauw, niet bleek maar grauw, de kleur van het bovenste veen, en zijn lippen waren blauw. Hij hoestte. Het was dezelfde hoest als 's nachts, maar nu kwam er iets mee, iets roods, op zijn baard.

„Hij stond gewoon,” zei Harm. Zijn stem klonk vreemd, hoog, alsof hij weer twaalf was. „Hij stond gewoon te steken, en toen...”

Geesje knielde in de modder. Ze pakte vaders hand. Die was koud, ondanks de zon, koud als het water in de put.

„Vader,” zei ze. „Vader, heurt ie mij?”

Zijn ogen gingen open. Hij keek haar aan, en ze zag dat hij haar herkende, en ze zag nog iets anders, iets wat ze nooit eerder bij hem had gezien: angst.

„Zeg 't niet tegen Dilling,” fluisterde hij. „Zeg 't niet. Dan bin ik mien put kwiet.”

Achter haar, op het pad, klonken voetstappen. Ze hoefde niet om te kijken. Ze hoorde het tikken van een wandelstok op de droge grond.