Hoofdstuk 2: Zilver poetsen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Harm had die avond niet gevloekt. Dat was het eerste wat Geesje opviel, en het maakte haar banger dan een vloek zou hebben gedaan. Hij had geluisterd met zijn kin op zijn vuisten, en toen ze klaar was, had hij de krant opgevouwen, heel precies, in vieren, en hem in zijn borstzak gestoken.

„Tien procent,” zei hij. „In 't veurjaor.”

„Misschien twaalf.”

„Misschien twaalf.” Hij knikte, alsof ze hem de prijs van een zak aardappelen had genoemd. „En wie roept, die stiet volgend jaor nich meer op de lieste.”

Achter het gordijn van de bedstee hoestte hun vader. Harm keek ernaar, en Geesje zag iets in zijn gezicht wat ze niet kon thuisbrengen. Daarna keek hij weer naar haar.

„Zeg 't nog tegen niemand,” zei hij. „Ook nich tegen moe.”

„Waorum nich?”

„Omdat moe 't tegen vader zegt. En vader wil der niks van weten. Dat weet ie.”

Dat wist ze. Ze ging naar bed in de kleine bedstee die ze met Trijntje deelde en lag lang wakker naar het plafond van plaggen te kijken, waar een muis ritselde. Trijntje sliep met haar knieën in Geesjes rug, zoals altijd. Ergens buiten blafte een hond, en aan de overkant van de wijk huilde een kind. Toen ze eindelijk insliep, droomde ze van een koffer die zonk en die ze niet kon pakken, hoe ver ze haar arm ook uitstrekte.


De weken daarna leerde ze het huis kennen zoals je een nieuw stuk veen leert kennen: waar je kon staan, waar je zou wegzakken.

Ze leerde dat mevrouw Reinders 's ochtends haar thee wilde met precies één klontje en een scheutje melk, en dat je het kopje links van haar bord zette, nooit rechts. Ze leerde dat de eetkamerstoelen een ziel van paardenhaar hadden die je moest kloppen, en dat mijnheer Reinders na het middageten een half uur sliep in de stoel bij het raam en dat er dan geen deur mocht klappen. Ze leerde dat Mientje Wolters bitter en snel kon zijn, maar dat ze nooit iemand iets kwalijk nam wat die persoon niet zelf had gedaan. Toen de melkboer een keer een kan zure melk had geleverd en mevrouw Geesje de schuld gaf, zei Mientje alleen: „Dat was de melkboer, mevrouw,” en daarmee was het klaar.

En ze leerde Clara kennen. Clara las. Ze las aan tafel, wat niet mocht, en in de tuin, waar het te koud voor was, en 's avonds in bed bij een kaarsje, wat gevaarlijk was. Ze las Engelse boeken die ze uit Groningen liet komen en Franse die haar moeder niet kon lezen en dus niet kon verbieden. Op een ochtend vond Geesje haar in de bijkeuken, gehurkt naast de wasketel, met een boek op haar knieën.

„Niet zeggen,” zei Clara. „Moeder denkt dat ik piano studeer.”

„Ik hoor geen piano.”

„Daarom mag je het ook niet zeggen.” Ze grijnsde en hield het boek omhoog. „Weet je waar dit over gaat? Over een meisje dat met een schip naar Australië gaat. Helemaal alleen. Zou jij dat durven?”

„Ik ben nog nooit verder geweest dan Emmen,” zei Geesje.

„Dat is geen antwoord.”

Geesje dacht na. Ze dacht aan het water bij de kade, aan het ijs, aan het gewicht van de koffer aan de haak. „Als ik moest,” zei ze.

Clara keek haar aan met haar hoofd schuin, alsof ze een zin in haar boek tegenkwam die ze nog een keer moest lezen.

„Willem zegt dat je hem uit de Vaart hebt gevist,” zei ze.

„Zijn koffer.”

„Hij zegt dat het op hetzelfde neerkomt.”


Mijnheer Willem was niet zoals ze had gedacht. Ze wist niet goed wat ze had gedacht, maar het was in elk geval niet dit: een jongeman die om zes uur 's ochtends al in de keuken stond, in zijn hemdsmouwen, en Mientje om koffie vroeg voordat het water kookte. Die met laarzen vol modder thuiskwam en ze zelf uittrok in de bijkeuken. Die zijn tekeningen, droog en gekreukt nu, uitspreidde op de keukentafel omdat daar het licht beter was dan in de werkkamer, en die er dan uren boven zat met een potlood achter zijn oor.

Op een middag in april moest Geesje het zilver poetsen. Mevrouw verwachtte de dominee en zijn vrouw voor de koffie, en de dominee had, volgens Mientje, ogen als een ekster. Ze zat aan het eind van de keukentafel met een stapel lepels, een pot krijt en een oude lap, en aan het andere eind zat Willem met zijn kaarten.

Een tijdlang zeiden ze niets. Ze hoorde het krassen van zijn potlood en het tikken van de klok. Buiten regende het, een fijne, schuine voorjaarsregen die tegen de ruiten waaide.

„Hoe diep zit het veen bij jullie?” vroeg hij ineens.

Ze keek op. Hij keek niet naar haar, maar naar zijn kaart.

„Dat mot u mijn vader vragen.”

„Ik vraag het jou.”

Ze legde de lepel neer. „Bij ons achter? Vier, vijf meter. Bovenin het grauwe, daaronder het zwarte. Het zwarte is het beste. Dat brandt het langst.”

„En als het eraf is?”

„Dan is het eraf.” Ze pakte een nieuwe lepel. „Dan blijft er zand over. En water.”

„Maar je kunt het bovenste weer terugleggen. De bolster. Die meng je met het zand, en dan heb je dalgrond. Daar kun je aardappelen op verbouwen. Rogge. Haver.” Hij tikte met zijn potlood op het papier, op de vierkantjes die ze in maart al had gezien. „Hier. En hier. Dit hele stuk achter de wijken. Over tien, vijftien jaar kan dit allemaal bouwland zijn.”

„Van wie?” vroeg Geesje.

Het potlood bleef boven het papier hangen.

„Wat bedoel je?”

„Van wie is dat land dan? Over tien, vijftien jaar.” Ze wreef over de bolle kant van de lepel tot ze haar eigen gezicht erin zag, verwrongen en klein. „Mijn vader graaft al twintig jaar. Hij heeft gezegd: als ik ooit een stuk dalgrond heb, een hectare, dan hoef ik nooit meer voor een ander het veen in. Twintig jaar. Hij heeft nog geen vierkante meter.”

Willem zweeg. Ze dacht: nu heb ik het verpest. Nu staat hij op en gaat naar zijn moeder, en morgen sta ik weer aan de wijk met lege handen. Maar hij stond niet op. Hij keek naar de kaart, lang, en toen naar haar.

„Daar heb ik geen antwoord op,” zei hij.

„Nee,” zei Geesje. „Dat dacht ik al.”

Het klonk scherper dan ze had bedoeld. Of misschien niet. Ze boog zich over het zilver en poetste door, lepel na lepel, en toen ze een keer opkeek, zat hij nog steeds naar haar te kijken, met een frons tussen zijn wenkbrauwen, maar niet boos. Eerder alsof hij een som maakte die niet uitkwam.

Toen de dominee kwam, glommen de lepels als nieuwe stuivers. De dominee zei er niets van. Zijn vrouw wel. „Wat een mooi zilver, mevrouw Reinders.” En mevrouw Reinders glimlachte en zei: „Het is van mijn grootmoeder.”


Op zaterdagavond, als het loon was uitbetaald, liep half Erica naar de winkel van Reinders aan de Vaart. Je kon er alles krijgen: meel, spek, stroop, petroleum, klompen, garen, pruimtabak. Je kon er alleen niet zelf de prijs van kiezen. Wie bij Reinders werkte, kreeg een deel van zijn loon in bonnen, en die bonnen waren alleen in die winkel geld. Daar stonden de prijzen op een bord met krijt, en het krijt veranderde vaker dan het weer.

Geesje ging met haar moeder. Ze droegen samen de mand. Haar moeder, Aaltje, was een vrouw van weinig woorden en veel blikken, en de blik die ze die avond op het bord wierp, was er een die Geesje kende van onweer in de verte.

„Stroop weer duurder,” zei ze alleen.

Achter de toonbank stond Hilje Dilling, de vrouw van de opzichter. Ze woog het meel af met een duim die net iets te lang op de schaal bleef liggen. Iedereen zag het. Niemand zei het.

Op de terugweg zei haar moeder: „Harm gaot vanaovond weer uut.”

„Waor naortoe?”

„Dat vraog ik oe.”

Geesje gaf geen antwoord, en haar moeder vroeg niet verder. Maar toen ze bij de hut kwamen, bleef Aaltje even staan en keek naar de schuur van de familie Hoving, twee percelen verderop, waar een smalle streep licht onder de deur door viel.

„As vader 't vragt,” zei ze, „dan is Harm bij Lammert. Um de boot. Begrepen?”

„Begrepen.”


Het was eigenlijk geen schuur meer. Het was een loods waar Lammert Hoving en zijn oom vroeger turf hadden opgeslagen, en waar nu touwen en zeilen hingen en de geur van teer en natte jute nooit verdween. Geesje kende het van vroeger, toen ze er met Trijntje verstoppertje speelde tussen de balen. Die avond, toen haar ouders sliepen, glipte ze naar buiten en liep er in het donker naartoe.

Ze klopte niet. Ze duwde de deur open, en zes gezichten draaiden zich naar haar om in het licht van een stallantaarn.

Harm zat op een omgekeerde kist. Naast hem Lammert, breed en blond, met zijn pet achterover. Twee broers uit de derde wijk, Geert en Klaas Mulder. Een oude man die ze alleen kende als Ome Tijs, die in Erica de klompen maakte. En een vreemde, een man van een jaar of dertig in een stadse jas, met een bril die hij nerveus rechtzette toen hij haar zag.

„Dicht, die deur,” zei Lammert. Toen herkende hij haar en grijnsde. „O, 't is Geesje maor.”

„Wat is dit?” vroeg ze.

Harm stond op. „Ga naor huus.”

„Ik heb oe verteld wat ik heb heurd. Dan mag ik ook weten wat ie dermee doen.”

De vreemde man keek van Harm naar haar. „Is dit de zuster? Die in het huis werkt?”

Harm knikte, met tegenzin.

„Dan mag ze blijven,” zei de man. Hij had een zachte stem met een Hollandse tongval, van het westen. „Mijn naam is Van Dijk. Ik kom uit Amsterdam, voor de bond. En wat uw broer doet, juffrouw Bakker, is heel eenvoudig. Hij gaat ervoor zorgen dat er hier, voor de zomer, twintig man lid zijn. Dertig liever. Want twintig man die samen nee zeggen, kun je niet allemaal op een zwarte lijst zetten. Dan heb je niemand meer om je turf te steken.”

„In achtentachtig waren 't er meer as twintig,” zei Ome Tijs. „In Appelscha. Honderden. En toch.”

„In achtentachtig was er geen bond,” zei Van Dijk. „Toen waren het boze mannen met lege magen. Dat is iets anders.”

Geesje keek naar Harm. Hij stond met zijn handen in zijn zakken, maar zijn ogen glommen op een manier die ze kende uit hun kindertijd, als hij een eendennest had gevonden of een plek waar je kon zwemmen zonder dat iemand je zag.

„Een afdeling,” zei hij. „Hier, in Erica. Die van ons is.”

„En vader?”

Het werd stil in de loods. Lammert keek naar zijn klompen.

„Vader is moe,” zei Harm ten slotte. „Vader het al één keer verloren. Ik nich.”

Op de terugweg liep hij naast haar langs de wijk. De lucht was helder geworden en het water lag zwart en stil, met de sterren erin. Halverwege bleef hij staan.

„Geesje,” zei hij. „Ie heurt dingen. In dat huus.”

„Soms.”

„As ie meer heurt. Over 't tarief, over de lieste, over wat Dilling van plan is.” Hij keek haar niet aan. „Dan wil ik dat weten.”

Ze dacht aan de keukentafel, aan de natte tekeningen met de gewichtjes op de hoeken, aan de vierkantjes achter de wijken. Aan een stem die zei: daar heb ik geen antwoord op.

„Ik bin gien spion, Harm,” zei ze.

„Nee,” zei hij. „Ie bin mien zuster.”

En hij liep door, en zij bleef nog even staan bij de vijfde vlonder, met haar voeten in de koude modder, tot ze hem niet meer kon zien.