Hoofdstuk 1: De brug

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het was nog donker toen Geesje Bakker de deur van de plaggenhut achter zich dichttrok. Achter haar hoestte haar vader, een droge, schurende hoest die de hele nacht door de bedstee was gegaan en die nu, bij het eerste licht, alleen maar erger werd. Ze bleef even staan met haar hand op de klink. Binnen hoorde ze haar moeder iets zeggen, zacht en kortaf, en het geklop van een lepel tegen een kom.

Toen trok ze de omslagdoek strakker om haar schouders en begon te lopen.

Het pad langs de wijk was in maart een sliert modder tussen twee zwarte strepen water. Links lag het veen, kaal en bruin, met hier en daar de hoge ruggen van turf die in de herfst niet meer waren weggevaren. Rechts de wijk zelf, recht als een liniaal, met op het water een vlies van ijs dat 's nachts was komen aanwaaien en dat nu al weer begon te kraken. Verderop, waar de wijk uitkwam op de Vaart, brandde een lamp bij het huis van de brugwachter.

Ze telde de vlonders, zoals ze al deed sinds ze klein was: elf, en dan de grote ophaalbrug bij het kanaal. Bij de zevende gleed haar klomp weg en stond ze een ogenblik met één voet in het koude water. Ze vloekte binnensmonds, iets wat haar moeder haar nooit had horen doen, en liep door met een natte kous.

Het was de vierde dag van haar nieuwe dienst. Vier dagen was niet lang genoeg om aan iets te wennen, maar wel lang genoeg om te weten dat je het moest volhouden. Haar vader had sinds Kerstmis nog geen hele week kunnen werken. Harm, haar broer, stak de turf voor twee, maar wat hij thuisbracht was op zaterdag al grotendeels uitgegeven bij de winkel, en de winkel was van dezelfde man die het loon betaalde. Daarom liep Geesje nu elke ochtend drie kwartier langs de wijk naar Nieuw-Amsterdam, naar het huis van Albertus Reinders, en daarom zou ze dat blijven doen.


Huize De Vaart stond met de voorkant naar het kanaal, zoals alle huizen van de rijke veenbazen. Twee verdiepingen van gele steen, een rij lindebomen die nog kaal waren, een smeedijzeren hek met een R erin. Aan de achterkant, waar Geesje naar binnen moest, rook het naar turfrook en paardenmest.

Mientje Wolters stond al bij het fornuis. Ze was zestig, klein en breed, en had een gezicht dat eruitzag alsof het in de loop der jaren op dezelfde manier was dichtgeknepen als een beurs. Ze keek naar de natte kous en zei niets. Dat was, had Geesje al begrepen, erger dan wanneer ze wel iets zei.

„Schoenen uit bij de deur,” zei ze toen toch. „En dan de kachels. Eerst de voorkamer, dan de eetkamer, dan boven bij mevrouw. Mijnheer Willem komt vandaag.”

„Mijnheer Willem?”

„De zoon. Uit Delft.” Mientje zei het woord Delft zoals een ander Jeruzalem zou zeggen. „Met de boot van tien uur, als het ijs het toelaat. Dan wil ik dat zijn kamer warm is en dat er geen stofje ligt.”

Iedereen langs de Vaart had van de zoon gehoord. Hij had in Delft voor ingenieur gestudeerd, iets met water en sluizen, en kwam nu terug om zijn vader te helpen met de zaak. Albertus Reinders had nooit iemands hulp nodig gehad.

Ze deed de kachels. Ze schepte as, legde nieuwe turf op en blies tot haar wangen gloeiden. Turf die haar vader had gestoken, misschien, of Harm. Een kachel is een kachel, zei haar moeder altijd.

Boven, in de kamer die voor de zoon was klaargemaakt, stond een boekenkast met glazen deurtjes. Ze veegde het stof van het glas en zag haar eigen gezicht erin: smal, rood van de kou, het blonde haar dat onder haar muts vandaan probeerde te ontsnappen. Achter het glas stonden boeken met gouden letters op de rug. Ze had tot haar twaalfde op school gezeten en kon de titels lezen. Waterbouwkunde. De ontginning der hoogvenen. Ze legde haar vinger even tegen het glas, precies op die laatste titel, en haalde hem weer weg voor er een vlek kwam.


Om tien uur was er nog geen boot. Om half elf ook niet. Mevrouw Reinders, een lange vrouw met een hoge kraag en een stem die nooit hoefde te verheffen, liet om elf uur weten dat Geesje naar de aanlegplaats moest gaan om te kijken of de schipper iets wist.

Het was opgeklaard en het ijs op de Vaart was in schotsen gebroken die traag tegen elkaar aan schuurden. Bij de grote brug stonden een venter met een kar vol garen en band, twee kinderen die steentjes gooiden, en de brugwachter, die zijn pijp stopte en zei dat de boot uit Hoogeveen bij de sluis was vastgelopen en dat het nog wel even kon duren.

„Ze hebben 'm met de ijsbreker vrijgemaakt,” zei hij. „Een half uur, hooguit.”

Het werd een uur. Geesje stond met haar handen onder haar oksels en dacht aan het geld dat ze zaterdag mee naar huis zou nemen: haar eerste weekloon, één gulden vijfenzeventig, plus de kost. Het was niet veel. Het was meer dan niets.

Toen kwam de boot. Een lage, zwarte trekschuit met een stoommachientje achterop dat puffend en sputterend door de ijsschotsen ploegde. Op het voordek stond een jongeman in een lange grijze jas. Hij had geen hoed op, wat in maart dwaas was, en hij hield met één hand de reling vast en met de andere een leren koffer.

De boot schampte de kade. Iemand gooide een tros. De jongeman sprong, voordat de boot goed stillag, en dat was het moment waarop het misging: zijn voet kwam op de rand van de kade, de rand was glad, hij greep naar de paal en liet de koffer los. Het ding tuimelde, sloeg tegen de kademuur en plonsde tussen twee ijsschotsen in het water.

Iedereen keek. Niemand bewoog.

Geesje dacht niet na. Naast de aanlegplaats lag een bootshaak tegen de reling, zoals altijd. Ze pakte hem, ging op haar knieën op de koude stenen liggen en stak de haak tussen de schotsen. De koffer dreef nog. Leer, dacht ze, met iets van lucht erin. Ze haakte het handvat, trok, voelde het gewicht, trok harder. Het ijs schuurde langs haar mouw en het water liep in haar elleboog. Toen had ze hem, en ze hees hem met een laatste ruk op de kade, waar hij in een plas bleef liggen als een verzopen hond.

Ze kwam overeind. Haar rok was nat tot aan haar knieën. Haar ene kous was al nat geweest, dus dat maakte niet zoveel meer uit.

De jongeman keek van de koffer naar haar en weer terug.

„Dank je,” zei hij. „Dank je wel. Daar zitten al mijn tekeningen in.”

„Dan zijn ze nou nat,” zei Geesje.

Hij lachte. Het was geen beleefd lachje, het was een echte lach, verbaasd en een beetje verlegen, en het veranderde zijn gezicht. Hij had donker haar dat te lang was en grijze ogen.

„Dat zijn ze,” zei hij. „Maar nat is beter dan op de bodem van de Vaart. Hoe heet je?”

„Geesje. Geesje Bakker. Ik ben bij u in dienst.” Ze hoorde zelf hoe vreemd dat klonk. „Bij uw ouders, bedoel ik. Mevrouw heeft me gestuurd om te kijken waar u bleef.”

„Dan ben je de enige die me vandaag niet in de steek heeft gelaten.” Hij bukte en pakte de koffer op. Er stroomde water uit de naden. „Ik ben Willem.”

„Dat weet ik,” zei ze. „Mijnheer Willem.”

Hij keek haar even aan, alsof hij iets wilde zeggen over dat mijnheer, en deed het toen toch niet.


Ze liepen samen terug naar het huis. Onderweg vroeg hij haar waar ze woonde, en ze zei: „Achter in Erica, aan de wijk,” en hij vroeg wat haar vader deed, en ze zei: „Turf graven, net als iedereen,” en daarna vroeg hij niets meer. Hij droeg de koffer zelf, hoewel ze aanbood dat te doen, en de natte zoom van zijn jas klapperde tegen zijn benen.

Bij het hek bleef hij staan.

„Je hand,” zei hij.

Ze keek. Er zat een schram over haar pols, van het ijs. Er kwam een beetje bloed uit, een dun rood lijntje dat ze niet had gevoeld.

„Dat is niks,” zei ze.

„Laat Mientje er iets op doen.”

„Mientje heeft wel wat anders te doen.” Ze had het gezegd voordat ze er erg in had, op de toon waarop ze tegen Harm sprak, en ze voelde haar gezicht warm worden. Maar hij lachte weer, korter nu, en duwde het hek open.

In de keuken zei Mientje dat het een schande was, die rok, en dat Geesje maar moest zien hoe ze die voor morgen droog kreeg. Daarna pakte ze, zonder een woord, een schoon lapje en een potje zalf uit de kast en wikkelde het lapje om Geesjes pols, zo strak dat het bijna pijn deed.


Het werd een lange middag. Mijnheer Willem werd door zijn moeder omarmd en door zijn zusje Clara, een meisje van zeventien met sproeten en een boek onder haar arm, om de hals gevlogen. Mijnheer Reinders zelf kwam om vier uur thuis uit de fabriek, een zware man met een grijze baard en een horlogeketting over zijn buik, en schudde zijn zoon de hand alsof hij een zakenrelatie verwelkomde. Geesje diende thee op en zag het allemaal van opzij, zoals je in een dienst alles ziet.

De tekeningen lagen te drogen op de keukentafel. Mientje had ze er zelf neergelegd, met gewichtjes op de hoeken, en had gezegd dat niemand eraan mocht komen. Geesje kwam er niet aan. Maar ze keek wel. Het waren kaarten, met dunne blauwe lijnen die door het water waren uitgelopen tot wolkjes, en kolommen cijfers in een klein, scheef handschrift. Op één ervan herkende ze de Vaart, en de wijken die er als vingers van afstaken. Achter de wijken, waar zij alleen veen kende, had iemand vierkantjes getekend. Akkers, misschien. Ze wist het niet.

Tegen zessen moest ze de lampen in de gang aansteken. De deur van de werkkamer van mijnheer Reinders stond op een kier, en er brandde licht. Ze hoorde twee stemmen. De ene was die van Reinders, laag en traag. De andere kende ze ook. Iedereen in Erica kende die stem. Berend Dilling, de opzichter, die op zaterdag het loon uitbetaalde en de bonnen uitdeelde en die met zijn wandelstok op de turfbulten tikte als hij vond dat ze niet hoog genoeg waren.

„Het voorjaar,” zei Reinders. „Niet eerder. Eerst moet de jongen hier ingewerkt zijn.”

„En hoeveel?”

„Tien procent van het dagwerk. Misschien twaalf. De prijzen in Amsterdam zakken, Dilling. Steenkool is goedkoper dan ooit. Als wij niet zakken, zakken we helemaal.”

„Ze zullen morren.”

„Ze morren altijd. Ze morden in achtentachtig ook, in Friesland, en wat heeft het ze opgeleverd?” Er klonk een geluid, alsof er een lucifer werd afgestreken. „Wie nu begint te roepen, staat volgend jaar niet meer op de lijst. Dat mag je ze gerust laten weten. Op de juiste manier.”

Geesje stond in de gang met de brandende lucifer tussen haar vingers. Ze voelde de hitte naar haar huid kruipen en schudde hem uit voordat hij haar brandde. Achtentachtig. Friesland. Haar vader had in achtentachtig in Appelscha gestaan, op de dag dat de veenarbeiders daar de schoppen neerlegden, en toen niemand hem in Friesland nog werk wilde geven, was hij met haar moeder en de kleine Harm naar Drenthe getrokken. Zo waren ze in Erica beland. Zo was zij hier geboren. Dat verhaal kende ze, al vertelde haar vader het bijna nooit.

Ze stak de lamp aan, met een nieuwe lucifer en een hand die niet helemaal stil wilde blijven. Toen ze zich omdraaide, stond mijnheer Willem onder aan de trap. Hij had iets droogs aangetrokken en hij keek naar haar, en daarna naar de kier van de werkkamerdeur, en daarna weer naar haar.

Hij zei niets. Zij ook niet. Ze liep langs hem heen naar de keuken, met haar hoofd omlaag zoals een dienstmeid hoort te lopen, en pas bij het fornuis merkte ze dat ze haar adem had ingehouden.

Die avond liep ze in het donker terug langs de wijk. Elf vlonders, en bij elk ervan dacht ze aan hetzelfde woord: tien procent. Tien procent van niks. Thuis zat Harm aan tafel met zijn ellebogen op het zeil en een krant voor zich, een dun blaadje dat hij van een kameraad uit Hoogeveen kreeg en dat hij onder zijn matras bewaarde.

Ze ging tegenover hem zitten. Ze trok de omslagdoek niet eens af.

„Harm,” zei ze. „Ik mot oe wat vertellen.”