Hoofdstuk 8: Terug naar Rietkerk
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Honderdtwintig jaar geleden,” zei Ate, „was Verdronken Hemmen gewoon Hemmen. Een polder met drie boerderijen en een kerkje. Toen kwam er een stormvloed, en de dijk brak, en niemand heeft hem ooit weer opgebouwd. Het Waterschap besloot dat het goedkoper was om een nieuwe dijk te leggen achter Hemmen langs, en het land aan de zee te geven.”
Hij had de kaart opnieuw uitgerold. Het vuur was opgestookt, de schapen blaatten buiten, en het water stond nog steeds hoog rond de terp. Femke zat met haar knieën opgetrokken onder de deken. Wietske zat voorovergebogen naast Ate, zo dicht bij de kaart dat ze de lijnen bijna kon ruiken.
„Die nieuwe dijk,” zei Ate, en hij trok met zijn vinger een lijn, „is de westkant van jullie Kolkerpolder. De Slaperdijk, noemen ze hem nu, omdat er nooit meer water tegenaan komt behalve bij springtij. En in die dijk zit nog een sluis uit de tijd van Hemmen. De Moddersluis. Daardoor liet Hemmen vroeger zijn overtollige water naar de Kolker lopen, en zo naar de molens.”
„Die ken ik,” zei Wietske langzaam. „Bij de Kolk. Er staat een stenen huisje op de dijk, half ingestort. Jelmer en ik speelden er vroeger. Er zit een houten deur in het water die nooit open gaat.”
„Die deur zit er al honderd jaar. Maar onder die sluis,” zei Ate, „loopt de oudste kreek van de Zeewaarden. Hij zat er al voor er dijken waren. Hij is dichtgeslibd en overgroeid en niemand weet nog dat hij er is. Maar het water weet het. Het Ondermeer gebruikt die kreek. Het is de diepste geul, de makkelijkste weg.” Hij keek Wietske aan. „Als je die sluis opent bij laag water, en je zingt het Ondermeer omhoog, de kreek in en door de sluis, dan kan het naar Hemmen stromen, en van daar naar zee. Niet tegenhouden. Opzijzingen. Laten gaan.”
„Maar dan stroomt het eerst door de Kolk,” zei Wietske.
Ate knikte.
De Kolk was het laagste stuk van de Kolkerpolder. Drie grote weilanden aan de westkant, waar de Kolkersloot een bocht maakte. Waar de ganzen hadden gestaan, die eerste dag. Waar de molen van haar vader stond.
„Het land daar wordt zout,” zei Ate. „Voor jaren. Misschien voor altijd. Het wordt kwelder, net als het Slik. Je kunt er geen koe meer op zetten, geen graan op verbouwen. Maar de rest van de polder blijft heel. Rietkerk blijft heel.”
„Dat is ons land,” zei Wietske. „Van mijn vader. Van de buren. Van de Brakels.”
„Ja.”
„Dat kun je toch niet zomaar...”
„Nee,” zei Ate. „Dat kun je niet zomaar. Daarom moet je het ze vragen.”
Femke had al die tijd niets gezegd. Nu boog ze naar voren.
„En de ring? Als de storm komt en Steenhuis gaat zingen op de Lange Bant, dan duwen ze nog meer water het Ondermeer in. Terwijl wij het eruit proberen te laten.”
„Dan moet de ring niet zingen,” zei Ate.
Femke staarde hem aan. „Niet zingen? Bij springtij? Met storm? Dan slaat de zee over de dijk.”
„Een beetje.” Ate haalde zijn schouders op. „Een dijk kan overlopen hebben, als hij sterk is van binnen. Een paar uur water over de kruin, dat is een natte boel en wat schade aan het gras. Maar een dijk die van onderen kapot is, die breekt.” Hij tikte op de kaart. „Dan liever wat water over de top dan het hele land van onderen open.”
„Steenhuis gaat nooit stoppen,” zei Femke.
„Dan moet iemand anders het hem zeggen.” Ate keek haar aan, en daarna naar Wietske. „Iemand die het bewijs heeft. Iemand die elke nacht een streepje zet op een put.”
Ze maakten een plan, zo goed en zo kwaad als dat ging met drie mensen, een kaart en elf dagen.
Femke zou teruggaan naar Hoogsloot. Zij was niet opgesloten geweest; als ze vroeg terug was, viel het misschien niet eens op dat ze weg was geweest. Zij zou met Oene praten. En met de andere novicen, met degenen die ze vertrouwde: Sieds, Doortje, Hidde, Marijke. Een ring van wachters die wilden leren loslaten in plaats van tegenhouden.
„Ze gaan me uitlachen,” zei Femke.
„Dan laat je ze opzijzingen,” zei Ate. „Eén keer. Dan lachen ze niet meer.”
Wietske zou naar Rietkerk gaan, met Ate. Hij had een platbodem, een smalle praam met een zeil, die achter de terp in een kreek lag. Bij vloed kon je daarmee door de geulen van het Slik naar het oosten varen, tot aan de Hamwaard, en vandaar over de vaart naar de Kolker.
„Ik ben in eenendertig jaar niet meer in een polder geweest,” zei Ate. „Ik hoop dat ze me nog herkennen in de Hamwaard. Of juist niet.”
Bij het afscheid aan de voet van de terp gaf Femke Wietske een harde, korte omhelzing.
„Als ze me opsluiten,” zei ze, „zing ik wel een sleutel uit het slot.”
„Dat werkt niet,” zei Wietske. „Je moet iemand hebben aan de andere kant.”
„Dan zorg ik wel voor iemand aan de andere kant.” Femke draaide zich om en liep het slik in, recht op de duinen af, haar laarzen in haar hand.
De tocht met de praam duurde een dag en een nacht. Ate stuurde, Wietske hield het zeil. Ze voeren door geulen die breder waren dan rivieren, met aan weerszijden niets dan modder en vogels: kluten, wulpen, honderden ganzen die opvlogen als een donkere wolk. Ze sliepen een paar uur bij eb, vastgelopen op een plaat, onder een zeil, met Ate's schapenvachten om zich heen. Ate snurkte als een zaag.
Tegen de avond van de tweede dag zag Wietske de Lange Bant opdoemen, en daarachter, laag tegen de horizon, de wieken van een molen.
Ze wist meteen welke. Ze zou De Zwaluw herkennen uit duizend molens. De wieken draaiden, snel, in een wind die nauwelijks hard genoeg was.
„Hij maalt,” zei ze. „Hij maalt zich kapot.”
Ate luisterde, zijn hoofd schuin. „Ik hoor het ook,” zei hij. „Het Ondermeer. Hier is het sterker dan op het Slik. Veel sterker.” Hij keek haar aan. „Hoe heb jij dit volgehouden, al die jaren? Hier slapen, met dat geluid onder je bed?”
„Ik dacht dat het de wind was.”
Teun zag haar het eerst. Hij stond bij de sluis van de Kolkervaart, met een schop en een emmer klei, en toen de praam de bocht om kwam, liet hij allebei vallen.
„Wiets?”
Ze sprong aan wal en hij pakte haar vast bij haar schouders, alsof hij wilde voelen of ze echt was. Hij was gegroeid, of misschien was hij alleen maar magerder geworden. Zijn gezicht was grauw van vermoeidheid.
„Je bent ontsnapt,” zei hij. „Of niet? Je bent ontsnapt.”
„Een beetje.”
„Iedereen zegt dat je naar Hoogsloot bent om de dijken te redden.” Teun keek naar Ate, die met moeite uit de praam klom. „Wie is dat?”
„Iemand die het water ook hoort. Teun, hoeveel wellen zijn het nu?”
Teun trok een opgevouwen vel papier uit zijn binnenzak. Het was een kaart, met de hand getekend, van de hele westkant van de Kolkerpolder. Er stonden kruisjes op. Tientallen kruisjes. Bij elk kruisje een datum.
„Zevenendertig,” zei hij. „Sinds die storm van vorige week zijn er twintig bij gekomen. Ze stoppen ze niet eens meer dicht.” Hij wees. „En hier, bij de Slaperdijk, bij dat oude sluishuisje, daar zakt de grond. Mijn vader heeft er een paal in geslagen. Elke ochtend staat hij er een duim verder in.”
Ate pakte de kaart uit Teuns handen en legde hem naast zijn eigen kaart, die hij uit zijn tas haalde. De kruisjes van Teun lagen precies op de grijze vlekken van Ate. Ze lagen als een kralensnoer langs de oude kreek.
„Jongen,” zei Ate, „jij bent beter dan de helft van de wachters in het Peilhuis.”
Haar vader stond op de stelling van de molen. Hij zag haar aankomen over het pad en kwam niet naar beneden. Hij bleef staan, een hand aan de vang, en keek.
Toen ze onder aan de trap stond, zei hij: „Ze hebben hier gisteren een man gestuurd. Ze zeiden dat je weggelopen was. Dat je de Waterplicht had gebroken.”
„Dat is ook zo.”
„Ze zeiden dat ik het moest melden als je hier kwam.”
Wietske keek omhoog. De wieken zoefden voorbij boven zijn hoofd, en het water in de vijzel kreunde. Onder haar voeten bromde het Ondermeer.
„Papa, ik moet je iets vertellen over de Kolk.”
Hij kwam naar beneden, langzaam, sport voor sport. Toen hij voor haar stond, zag ze dat zijn ogen rood waren van te weinig slaap. Hij keek naar haar gezicht, naar haar blauwige lippen, naar de manier waarop ze haar hoofd schuin hield om hem met haar goede oor te horen.
„Wat is er met je oor?”
Voordat ze kon antwoorden, kwam Jelmer het erf op rennen. Hij riep haar naam, schel, struikelend over zijn eigen klompen, en vloog tegen haar aan. Achter hem kwam Oma de deur uit, met haar handen voor haar mond.
En achter Oma, over de dijkweg, kwam het zwarte rijtuig met de golf onder de kroon van riet op het portier.