Hoofdstuk 11: De Moddersluis

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het water uit de wei kwam op hen af als een grijze tong. Het stroomde over het gras, over de sloten, die er in een paar tellen onder verdwenen, en het zocht de laagste plek. De laagste plek was de sleuf voor de sluisdeur.

„Eruit!” brulde Harm Brakel.

Iedereen klauterde de helling op. De paarden hinnikten en rukten aan hun tuig. Hendrik Vos stond tussen ze in en hield ze aan het hoofdstel, met zijn hele gewicht, terwijl het water rond zijn laarzen kolkte.

Wietske bleef staan, tot haar knieën in de stroom. Ze hoorde het water. Het was niet het water van een sloot of een vaart. Het was het Ondermeer zelf, dat een gat had gevonden en eruit spoot, en het klonk woedend en opgelucht tegelijk, als iemand die te lang zijn adem heeft ingehouden. Maar het was maar een klein gat. Onder haar voeten, onder de hele Kolk, onder de molen en verder, tot onder Rietkerk, drukte de rest nog steeds omhoog.

„Als dat ene gat het enige blijft,” riep Ate van boven op de dijk, „slijt het uit. Dan wordt het een kuil, en dan een meer. Dan zakt de Kolk erin weg, en de molen erbij.”

„De deur!” riep Wietske terug. „Hij moet open!”

„Hij zit vast!”

Ze keek naar de sluisdeur. Zwart eikenhout, zwaar als een huis, met aan de voet honderd jaar slib dat ertegenaan was gekoekt. Harm en Ate hadden het meeste weggegraven, maar onder het hout, in de naad tussen de deur en de stenen drempel, zat het slib nog. Hard als steen.

Maar slib was geen steen. Slib was zand en klei en water. En water kon ze horen.

Ze knielde in de stroom en drukte haar handen tegen het hout. Daar, in de naad, zat een dun, verstikt stemmetje: het water in het slib, opgesloten, al honderd jaar lang zonder geluid. Ze zong in. Het was moeilijk, want het water zat zo vast dat het bijna geen toon had. Toen ze hem eindelijk vond, schoof ze hem omhoog. Hoger. Nog hoger. Licht en onrustig, net als in de ketel in het Peilhuis.

Het slib begon te trillen.

„Femke!” Ze hoefde het niet eens te roepen. Femke zat al naast haar in het water, en Sieds, en Doortje, en Hidde, en Marijke. Ze zongen in, een voor een, en Wietske voelde hun stemmen naast de hare komen. Samen tilden ze de toon omhoog. Het water in het slib werd levendig, en het slib werd zacht, eerst als boter, toen als pap, toen als soep.

„Nu, Hendrik!”

De paarden trokken. De kettingen kraakten. De deur kreunde, schokte, en schoof een handbreed opzij.

En toen ging het vanzelf. Het water van de Kolk vond de kier en duwde, en de deur zwaaide open met een geluid als een kanonschot. Een bruine stroom schoot erdoor, de dijk door, het slik van Verdronken Hemmen op, en verspreidde zich daar over de lege vlakte.


Maar het was niet genoeg. Wietske voelde het meteen. Wat door de deur stroomde, was het water dat al boven de grond stond. Het water van de wei, van de sloten. Het Ondermeer zelf zat nog onder hen. In de oude kreek, in het zand, onder de klei. Het moest omhoog. En het zou niet vanzelf komen.

„Je moet het roepen,” zei Ate. Hij was naast haar komen staan, tot zijn middel in het stromende water, met zijn staf in de modder om niet om te vallen. „Niet tegenhouden. Niet duwen. Roepen. Zoals je een hond roept.”

„Hoe dan?”

„Zoek zijn toon.”

Ze zocht. Ze vond hem meteen, want ze had hem maandenlang gehoord. Maar toen ze probeerde in te zingen, kwam er niets. De toon was te laag. Veel te laag. Hij lag ver onder het laagste wat haar stem kon maken.

„Ik kan er niet bij,” zei ze.

„Nee,” zei Ate. „Jij niet. Ik wel.”

Hij deed zijn mond open, en er kwam een geluid uit dat ze nooit van een mens had gehoord. Het was een brom, schor en gebroken, zo diep dat het in haar eigen borst trilde. Het was de stem van een oude man die al dertig jaar alleen tegen zijn schapen zong. En het raakte de toon van het Ondermeer. Ze voelde het pakken.

„Boven mij,” perste Ate eruit, tussen twee ademhalingen door. „Jij gaat erboven. Jij stuurt. Ik hou vast.”

Dus ging ze erboven zingen. Ze vond een toon die op die van Ate paste, zoals een dak op een huis past, en ze voelde dat de anderen bij haar kwamen: Femke, Sieds, Doortje, Hidde, Marijke. Zeven stemmen, op een dijk in een storm. En samen riepen ze het Ondermeer.

Niet omlaag. Niet stil. Omhoog, en opzij. Naar de oude kreek. Naar de sluis. Naar buiten.

Het Ondermeer kwam.

Ze voelde het eerst als een zuiging onder haar knieën, alsof de grond adem haalde. Toen als een stroom, diep onder het zand, die van richting veranderde. Al het water dat jarenlang naar beneden was gedrukt en daar had gestaan, begon te bewegen. Het liep de oude kreek in, de diepste geul, de weg die het water altijd al had gekend. Het kwam omhoog onder de sluis. En toen kwam het eruit.

Het was geen fontein, zoals in de wei. Het was een bron. Een brede, kolkende golf die onder de sluisdrempel opwelde en door de open deur naar buiten stroomde, zwart en glanzend in de schemering, en zout. Zo zout dat Wietske het in haar neus voelde prikken.

In de wei achter haar zakte de modderfontein in elkaar. De kokende naden in het gras werden rustiger. Het Ondermeer had een betere uitweg gevonden.


Het werd donker. Iemand stak fakkels aan op de dijk, die sputterden in de regen. Het water bleef stromen, en zij bleven zingen. De Kolk liep vol: eerst tot aan de enkels, toen tot aan de knieën, een glinsterende, zoute plas die van de Slaperdijk tot aan de voet van de molen reikte. Wietske zag De Zwaluw in het fakkellicht staan, met zijn voeten in het water, de wieken stil.

De kou kwam langzaam. Minder snel dan bij stilzingen, maar het water was zo veel, en het duurde zo lang. Ze merkte het eerst aan haar handen, die ze niet meer voelde. Toen aan haar voeten. Toen aan haar lippen, die zo stijf werden dat ze de toon moest neuriën met haar mond bijna dicht.

Naast haar wankelde Marijke. Doortje ving haar op en sleepte haar de dijk op, naar de dekens die Oma en weduwe Pals daar hadden neergelegd. Toen waren ze nog met zessen. Toen met vijf, toen Hidde zijn bril verloor en in het donker van de helling gleed.

En toen, om negen uur, hoorde Wietske de Lange Bant.

Het kwam over de polder heen rollen, dwars door de storm: de ring. Zestig stemmen, laag en zwaar. Ze waren begonnen met het Stilleggen. Ze voelde het meteen in de grond. De zee aan de andere kant van de dijk werd stil en zwaar, en al die zwaarte zocht een weg. Omlaag. Naar het Ondermeer. Ze voelde de nieuwe druk aankomen als een vuist, recht in de stroom die zij omhoog probeerden te roepen.

De bron onder de sluis haperde. Het water kwam trager. In de wei achter haar plofte het weer: een nieuwe fontein, kleiner, maar dichter bij de molen.

„Ze duwen terug!” riep Femke. Haar stem was schor. „We halen het niet, Wiets. Niet tegen zestig!”

Wietske zong door. Ze wist niet wat ze anders moest doen. Ze zong door, en ze hoorde Ate onder zich, steeds zwakker, steeds rauwer, en ze voelde het Ondermeer weifelen tussen omhoog en omlaag, tussen hen en de ring.

Toen veranderde er iets op de Lange Bant.

Het was klein. Eén stem in de ring die van toon wisselde. Een oude, harde stem, net iets te luid, die niet meer omlaag zong maar opzij. Ze herkende hem meteen, hoewel ze hem nog nooit had horen zingen.

Oene.

En toen nog een stem. En nog een. Ze hoorde de ring breken en zich opnieuw vormen, niet in een lijn van zestig die allemaal hetzelfde deden, maar in twee delen die tegen elkaar in gingen. Een deel hield vast. Het andere deel liet los. De zee voelde het, en de zee aarzelde.

Het duurde een eeuwigheid. Of misschien een kwartier. Toen hoorde Wietske nog één stem omslaan, een stem die ze kende van de Keuring, van de stormnacht, van de kerk. Een zachte stem die altijd zo praatte dat je moest luisteren.

Steenhuis.

De hele ring zong opzij.

De zee stopte met duwen. Ze werd niet stil; ze werd wild, en ze kwam omhoog, en ze sloeg over de Lange Bant heen, in lange witte golven over de kruin, het gras in. Maar ze ging niet meer omlaag. De zee zocht haar eigen weg, en die weg liep over Verdronken Hemmen, dat al honderdtwintig jaar van haar was. De druk onder de grond viel weg.

Het Ondermeer stroomde.

Onder de sluis welde het op, breder dan eerst, sneller, een rivier die eindelijk mocht. De fontein in de wei zakte in. De grond onder haar knieën werd rustig. En de diepe toon, de toon die ze haar hele leven had gehoord, begon te zakken. Niet in hoogte. In kracht. Hij werd zachter, en zachter, als een koe in de mist die verder weg loopt.

„Dicht!” Dat was Teun. Hij stond boven aan de sluis en wees naar zee. Aan de Hemmenkant kwam het water op, het springtij, een grijze muur in het fakkellicht die over het slik op hen af rolde. „De vloed komt erin! Doe de deur dicht!”

De paarden trokken. De deur zwaaide. Wietske zong nog steeds, want het Ondermeer was nog niet leeg, en als ze nu stopte, zou het terugzakken. Ze hoorde Ate onder zich, en toen hoorde ze hem niet meer. Zijn brom brak af als een touw dat knapt. Ze voelde hem tegen haar aan vallen, zwaar en koud, en iemand trok hem weg.

Ze zong alleen. Te hoog voor de toon. Haar stem was niet genoeg. Ze greep de toon toch, ze greep hem met alles wat ze had, met haar handen, haar knieën, haar tanden.

De deur sloeg dicht met een dreun die door de hele dijk ging.

En toen was het stil.

Niet stil zoals in de kerk, of zoals 's nachts in de bedstee. Echt stil. Ze zag Femke tegen haar praten, haar mond die open en dicht ging. Ze zag haar vader door het water op haar af komen, zijn armen uitgestoken. Ze zag de fakkels sputteren en de regen vallen.

Ze hoorde niets. Geen wind, geen stemmen, geen zee.

Ze hoorde zelfs het water niet meer.