Hoofdstuk 10: Lieg niet tegen water
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het was na middernacht toen de sleutel in het slot draaide.
Wietske zat op het brits met haar knieën opgetrokken en haar moeders sjaal om haar schouders. Ze had niet geslapen. Buiten gierde de wind om het dijkhuis, en de regen kwam in vlagen, alsof iemand emmers tegen de muur gooide. Ze verwachtte Steenhuis. Of de vrouw van de dijkopzichter met een kom pap.
Het was Oene.
Hij had een lantaarn bij zich en een groot boek onder zijn arm, in bruin leer. Hij was nat tot op zijn hemd. Zijn witte haar plakte tegen zijn hoofd. Hij zette de lantaarn op de grond, deed de deur achter zich dicht en bleef staan.
„Ik ben gekomen met de ring,” zei hij. „Zestig wachters. Ze slapen in de herberg. Morgenavond om negen uur staan ze op de Lange Bant.”
Wietske zei niets.
Oene ging op de enige stoel zitten. Hij legde het boek op zijn knieën en sloeg het open. Er stonden kolommen in, met cijfers en streepjes, in een klein, keurig handschrift dat ze herkende van de bordjes in het lokaal.
„De Peilput,” zei hij. „Ik meet hem sinds ik vierendertig was. Elke nacht. Daarvoor deed Ate het, en daarvoor zijn leermeester. Het eerste streepje op de rand van die put is honderdtachtig jaar oud. Honderdtachtig jaar lang is hij elk jaar een beetje gestegen. En de laatste twintig jaar...” Hij sloeg een paar bladzijden om en draaide het boek naar haar toe. De cijfers liepen op, eerst langzaam, toen steil, als een trap die een ladder werd. „De laatste twintig jaar is het twee keer zo snel gegaan als in de honderdzestig jaar daarvoor.”
„Wist de Dijkgravin dit?”
„Ik heb het haar laten zien. Achttien jaar geleden, toen ze net Dijkgravin was geworden.” Oene keek naar zijn handen. „Ze heeft het boek een hele nacht gehouden. De volgende ochtend gaf ze het terug. Ze zei: ‘Als we dit bekendmaken, verliezen we de Kolkerpolder, de Hamwaard en de Lage Meent. Dan moeten we drieduizend mensen vertellen dat hun land zout wordt. Dan vraagt iedereen waarom het Waterschap dit niet eerder heeft gezien. En dan luistert niemand meer naar ons, ook niet als het er echt toe doet.’” Hij zweeg even. „Ze zei dat het mijn plicht was om te meten. Niet om te praten.”
„En u hebt niet gepraat.”
„Nee.” Hij keek haar aan. „Ik heb ook niet gepraat toen ze Ate wegstuurden. Ik was tweeëndertig. Ik hoorde het Ondermeer nog niet zelf, en ik dacht dat hij overdreef. Dat zei ik tegen mezelf. Acht jaar later hoorde ik het. En toen was ik al te lang stil geweest om nog te beginnen.” Hij legde zijn hand plat op het boek. „Weet je wat het rare is? Je kunt tegen mensen liegen. Tegen jezelf ook, een hele tijd. Maar je kunt niet liegen tegen water. Elke nacht ging ik naar beneden, en elke nacht vertelde de put me hoeveel ik had verzwegen.”
Wietske keek naar hem. Naar zijn blauwe handen, zijn dove oren, zijn natte haar. Ze had boos willen zijn. Ze wás boos. Maar het was moeilijk om boos te blijven op iemand die er zo uitzag.
„Waarom bent u hier?” vroeg ze.
„Omdat een novice uit Hoogsloot drie dagen lang elke avond voor mijn deur heeft gestaan.” Er kwam bijna een glimlach op zijn gezicht. „Femke Ruisdal. Ze heeft me gedwongen om naar de Spuikom te komen. Daar heeft ze met vier anderen het water opzijgezongen. Sieds, Doortje, Hidde en Marijke. Ze hebben de hele Spuikom leeg laten lopen naar zee, zonder een sluis te openen, en geen van hen kreeg het echt koud.” Hij schudde zijn hoofd. „In vijftig jaar heb ik dat niet gezien. Ik had het nooit geprobeerd. We leren alleen nog tegenhouden.”
„Waar is Femke nu?”
„Buiten.” Oene stond op. Hij haalde een tweede sleutel uit zijn zak en legde hem op het brits. „Dat is de sleutel van de buitendeur. De dijkopzichter slaapt. Ik heb hem verteld dat ik je nog wilde spreken voor je teruggaat naar Hoogsloot.” Hij pakte het boek en de lantaarn op. „Ik ga naar Steenhuis. Met dit.”
„Gaat hij luisteren?”
„Waarschijnlijk niet.” Oene draaide zich om bij de deur. „Maar dan heb ik het tenminste gezegd. Eén keer in mijn leven op tijd.”
Femke stond in de schaduw van de opslag, met haar capuchon op en vier anderen achter zich. Sieds met zijn rode haar, Doortje met haar schuin gehouden hoofd, Hidde, een stille jongen met een bril, en Marijke, het jongste meisje, dat net vijftien was geworden.
„Kolkerpolder,” zei Femke. „Ik zei toch dat ik voor iemand aan de andere kant zou zorgen.”
Ze liepen door de regen naar de molen. Het was een uur lopen, en het stormde al zo hard dat ze elkaar vasthielden. De Kolkersloot klotste over zijn oevers. Overal in de weilanden hoorde Wietske de wellen. Het waren er geen zevenendertig meer. Het waren er honderden.
Bij de molen brandde licht. In de keuken zaten haar vader, Oma, Jelmer, Teun en zijn vader, en aan het hoofd van de tafel Ate, met zijn kaart voor zich. Er was nog iemand: weduwe Pals, die het kleine boerderijtje aan het eind van de Kolk had, met vier koeien en een geit. Ze was tachtig en zat met haar handen gevouwen op haar wandelstok.
Toen Wietske binnenkwam, stond vader op. Hij omhelsde haar niet. Hij keek alleen naar haar, en naar de vijf novicen achter haar met hun natte mantels en hun blauwe lippen, en toen knikte hij.
„Ga zitten,” zei hij. „We hebben al gepraat.”
Ze gingen zitten. Oma schonk thee en zette een schaal kruidkoek op tafel, zoals altijd, alsof er geen storm was.
„De Kolk is van drie mensen,” zei vader. „Van mij, van Harm, en van Aaltje Pals. Ik heb ze allebei gevraagd.”
„Ik heb ja gezegd,” zei Harm Brakel. „Ik heb dertig jaar lang zandzakken op wellen gelegd. Ik ben er klaar mee.”
Iedereen keek naar weduwe Pals.
Ze keek terug, een voor een, met kleine zwarte ogen. Toen keek ze naar Wietske.
„Ik heb je moeder gekend,” zei ze. „Ze stopte watten in haar oren voor de Keuring. Dat wist iedereen in het dorp, maar niemand zei het, omdat we haar graag hier hielden. Ze was een goeie vrouw.” Ze tikte met haar stok op de vloer. „Ik heb ja gezegd. Mijn koeien staan sinds gisteren bij de buren op de terp. Ik ben tachtig, meisje. Ik heb geen land meer nodig. Maar mijn kleinkinderen wonen in Rietkerk.”
Wietske kon niets zeggen. Haar keel zat dicht.
„Dan de sluis,” zei Ate. Hij tikte op de kaart. „Harm en ik zijn er vijf dagen geweest. De deur zit vast. De scharnieren zijn verroest en het hout is opgezwollen. Er zit honderd jaar slib tegenaan. We hebben het meeste weggegraven, maar hij beweegt niet.”
„Paarden,” zei Teun. „Hendrik Vos heeft er acht.”
„Hendrik Vos lachte me uit in de kerk,” zei Ate.
„Hendrik Vos heeft sinds gisteren drie wellen in zijn erf,” zei Teun. „Eentje onder zijn varkensstal. Hij lacht niet meer.”
Ze vertrokken bij het eerste grijze licht. De storm was nog steeds aan het aanzwellen. Het laagwater viel om vier uur 's middags; dan moest de sluis open zijn. Om tien uur 's avonds was het springtij. Over de Lange Bant sloegen al de eerste golven. Je hoorde de zee brullen, en daar dwars doorheen het gezang van een ring die zich klaarmaakte, een lange, lage toon die over de polder rolde.
Ze waren al begonnen. Steenhuis had niet geluisterd.
„Hij doet de voorbereiding,” riep Femke tegen de wind in. „Inzingen. Het echte stilleggen begint pas als het water op zijn hoogst is.”
Het sluishuisje lag op de Slaperdijk, aan de westkant van de Kolk, waar de polder het laagst was. Wietske had er als kind gespeeld, met Jelmer, op de stenen trap die naar het water liep. Nu herkende ze het nauwelijks. Harm en Ate hadden een diepe sleuf gegraven langs de oude sluisdeur. Het was een enorme deur van zwart eikenhout, beslagen met roestige ijzeren banden, half verzonken in de modder. Aan de andere kant, aan de Hemmenkant, lag het slik van Verdronken Hemmen, met de zee erachter.
Hendrik Vos kwam toch. Met acht paarden en zijn twee zoons, en hij zei geen woord tegen Ate. Hij gaf alleen een knikje, en begon de kettingen aan de ijzeren banden van de deur te slaan.
Het duurde tot ver in de middag voor alle kettingen vastzaten. Aan de Hemmenkant trok het water zich terug, en het slik lag bloot, glanzend en grijs. Laagwater. Nu of nooit.
Wietske knielde in de sleuf en legde haar handen op de modder.
Onder haar was het Ondermeer. Zo dichtbij had ze het nog nooit gevoeld. Het was niet langer een toon, het was een brul, een stem zo groot dat het haar hele lichaam vulde, en het wilde omhoog. Ze voelde de oude kreek, vlak onder de sluis, een diepe, kronkelende geul in het zand. Het water stroomde erin, drukte, zocht.
„Nu!” riep Hendrik Vos.
De paarden zetten zich schrap. De kettingen trokken strak. De deur kraakte.
Hij bewoog niet.
„Nog een keer!”
De paarden steigerden in de modder. De zoons van Hendrik schreeuwden. De deur kreunde, maar bleef zitten.
En toen hoorde Wietske het. Achter haar, een eind de Kolk in, in de wei waar de ganzen ooit hadden gestaan.
Een plof. Een diepe, natte plof, als een kurk die uit een fles gaat, maar dan duizend keer zo groot.
Ze draaide zich om. In het midden van de wei spoot een fontein van modder en zand de lucht in, zo hoog als de molen. Eromheen begon de grond te bewegen. Te golven. Te koken. Het gras scheurde open in lange naden, en uit elke naad kwam water omhoog, grijs, zout, borrelend, dat zich verspreidde over de wei als melk die overkookt.
„Het begint,” zei Ate naast haar. Zijn stem was heel kalm. „Het deksel gaat eraf.”