Hoofdstuk 9: De zomer van de pest

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op de derde dag kwam de buil.

Hij zat in Dircks lies, en hij was zo groot als een duivenei en hard als een knoest in een plank. Vrouw Verbrugge zag hem toen ze de natte doeken verwisselde, en ze zei niets, maar ze trok de deken weer over Dirck heen en ging naar de keuken en bleef daar een tijd met haar handen op de rand van de tafel staan.

De meester ging de wijkmeester halen. Die avond hing er een strohoed aan de deur van de Gekroonde Letter.

Hendrik stond in de steeg en keek ernaar. Een gewone boerenhoed, van gevlochten stro, met een rafelige rand. Iemand van de wijk had hem gebracht en zonder een woord te zeggen aan de spijker gehangen, en was weggelopen zonder om te kijken. Een vrouw die door de steeg kwam met een mand wasgoed, zag de hoed, bleef staan, en draaide zich om en ging terug zoals ze gekomen was.


Er kwamen geen klanten meer. Dat was het eerste.

De winkel bleef open, omdat de meester zei dat een drukker die zijn luiken dichtdoet het opgeeft. Maar niemand kwam binnen. Mensen liepen met een boog om de deur heen. Een boekverkoper uit de Breestraat die nog geld schuldig was voor twintig almanakken, stuurde het met een jongen, en de jongen legde de munten op de stoep en rende weg voordat iemand opendeed.

En toch moest er gewerkt worden. Het boek van Kessler moest af. De meester had het papier al betaald, en het lood, en de oude man had zijn laatste geld gegeven voor het eerste deel van de oplage. Als het boek niet af kwam, zei de meester, was niet alleen hij geruïneerd, maar Kessler ook.

„Hendrik,” zei hij, op de tweede ochtend na de strohoed. „Pak de ballen.”

Hendrik keek op van de vloer die hij aan het vegen was.

„Arent is weg. Dirck ligt in de bedstee. Ik kan niet tegelijk zetten en drukken. Pak de ballen.” De meester draaide zich om naar de kast. „En Geertje. Kom naar beneden.”

Geertje kwam. Ze bleef staan onder aan de trap, met haar veer achter haar oor.

„Jij inkt,” zei haar vader. „Hendrik trekt. Hij is sterker dan hij eruitziet. Ik zet. Je moeder zorgt voor Dirck.” Hij keek ze aan, de een na de ander. „Als iemand het vraagt, zeggen we dat het nooit is gebeurd.”

„Dat een meisje heeft geïnkt?” vroeg Geertje.

„Dat een meisje beter heeft geïnkt dan mijn gezellen. Dat zou ik nooit kunnen uitleggen in het gilde.”


Hendrik had nog nooit getrokken. Hij had het Arent honderd keer zien doen, en hij had gedacht dat hij wist hoe het moest. Hij wist het niet.

De arm van de pers was zwaar, veel zwaarder dan hij had gedacht. Je moest hem met je hele lichaam naar je toe halen, je voet tegen de poot van de pers, je rug recht, anders schoot het in je onderrug als een mes. De eerste ochtend trok hij te zacht, en de letters kwamen grijs en vlekkerig op het papier. Daarna te hard, en het papier scheurde. Bij het twintigste vel had hij blaren in zijn handen. Bij het vijftigste waren ze opengegaan.

Geertje inktte zonder een woord te zeggen. Ze deed het precies zoals hij had geleerd: van links naar rechts, van boven naar beneden, dan schuin. Ze leerde het in een uur. Na de middag deed ze het beter dan hij.

„Je trekt te vroeg,” zei ze, tegen de avond. „Je wacht niet tot ik helemaal klaar ben.”

„Jij bent te traag.”

„Ik ben precies. Dat is iets anders.” Ze wreef met de rug van haar hand over haar voorhoofd en liet een zwarte streep achter. „Arent zei vroeger tegen vader dat je inkt goed was. Dat heb ik gehoord.”

„Wanneer?”

„In december. Ik zat op de trap.” Ze sloeg de ballen tegen elkaar. „Ik zit altijd op de trap.”

Plof. Kraken. Zucht.

Ze drukten tot het te donker was om de letters te zien.


In juli ging het hard.

Het begon met de bellen. Bij elke dode werd er geluid, en in juni was het één keer per dag geweest, of twee keer. In juli werd het tien keer, twintig keer. Toen hield het luiden op, omdat het niet meer bij te houden was. Dat was erger. De stilte.

Er reden karren door de straten, 's avonds en 's nachts, met lijkkisten van ruw hout erop, of zonder kisten, onder een laken. De aansprekers liepen in hun lange zwarte mantels, met een staf in de hand, en riepen namen aan de deuren. Ze riepen zoveel namen dat Hendrik er een paar van herkende. Een vrouw van de markt. Een jongen van de Latijnse school. De bakkersvrouw uit de Haarlemmerstraat, die het pamflet onder het brood had gehad.

De Academie liep leeg. Hendrik zag het als hij naar het Rapenburg liep, wat hij weer mocht, nu de meester niemand meer kon missen en hij de proeven moest brengen. Waar eerst de studenten stonden te ruziën in het Latijn, was nu niemand. De luiken van de herbergen waren dicht. Op de deuren van huizen hingen strohoeden, één, twee, drie op een rij langs de gracht. Een kat lag dood op de kade met zijn poten in de lucht, en niemand ruimde hem op.

Kessler woonde er nog.

„Waar moet ik naartoe?” zei de oude man, toen Hendrik vroeg waarom hij niet gevlucht was. „Ik ben al één keer gevlucht. Ik ben te oud om het nog een keer te doen. En mijn boek wordt hier gedrukt.” Hij pakte de proef aan, met handen die nog dunner leken dan in de winter. „Bovendien ben ik niet bang voor de pest. Ik ben alleen bang dat ik doodga voordat het laatste vel gedrukt is.”

„Dat zal niet gebeuren, heer.”

„Dat weet je niet.” Kessler zette zijn bril op. „Futurum. Dat is de toekomende tijd. Daar weten we niets van. Maar we kunnen hem vervoegen, en dat is een troost.”

Hij gaf Hendrik een zakje met kruiden mee voor de terugweg. Wijnruit en rozemarijn. Om onder zijn neus te houden, zei hij. Hendrik wist niet of het hielp. Hij hield het toch onder zijn neus.


Dirck bleef leven.

Niemand begreep waarom. De buil werd groter en zwart, en Dirck lag dagen in de bedstee te ijlen, schreeuwend over letters die uit de kast vielen, over zijn zusje, over een hond. Vrouw Verbrugge zat bij hem, dag en nacht, met een kom azijn en water en een doek. Ze at bijna niets. Hendrik bracht haar brood, en ze knikte en legde het naast zich neer en vergat het.

Op de zevende dag barstte de buil open, en er kwam een stank uit waarvan Hendrik in de drukkerij moest kokhalzen. De pestmeester die de stad stuurde, een man in een lange jas die een met azijn gedrenkte spons voor zijn mond hield, kwam kijken en zei dat het een goed teken was. Of dat waar was, of iets wat hij tegen alle families zei, wist niemand.

Op de tiende dag at Dirck een halve kom pap.

Op de veertiende dag zat hij rechtop en vroeg hij of de pers nog draaide. Toen Hendrik zei dat Geertje inktte, lachte hij, een zwak, schor lachje, en hij zei dat de wereld vergaan was. Toen viel hij weer in slaap.


Het nieuws over Hogevelt kwam van Lucas.

Hij stond op een avond in augustus ineens op de binnenplaats, over de muur geklommen, zoals in de winter. Hij was magerder dan ooit. Zijn mantel had hij niet meer; hij droeg alleen een hemd en een wambuis met gaten bij de ellebogen.

„Je weet dat er een hoed op onze deur hangt,” zei Hendrik.

„Er hangt een hoed op de halve stad.” Lucas ging op de rand van de put zitten. „Ik kom niet binnen. Ik wilde je alleen iets vertellen.” Hij lachte, maar het klonk niet zoals anders. „Hogevelt is weg. Gevlucht. Naar zijn buitenhuis bij Noordwijk, met zijn vrouw en zijn bedienden en zijn kisten met zilver. Al een week. Hij is niet de enige. De helft van de vroedschap zit buiten de stad. De burgemeesters zijn gebleven. Dat moet ik ze nageven.”

„En het weeshuis?”

„Het weeshuis.” Lucas keek naar het water in de put. „Daar is het slecht, Hendrik. De binnenvader is ziek. Twee van de binnenmoeders zijn dood. De kinderen worden verzorgd door de oudsten. Er zijn er… ik weet het niet. Veel.”

Hendrik voelde iets kouds in zijn borst.

„Weet je iets van Tijs?”

„Ik ken geen Tijs.”

„Klein. Oren als hengsels. Hij mist twee nagels.”

Lucas schudde zijn hoofd. „Ik ben er niet geweest. Ik hoorde het van de klerk. Die mij toen de cijfers gaf.” Hij stond op van de put. Even wankelde hij, en hij greep de rand vast. Toen rechtte hij zijn rug. „Ik heb nog altijd dat andere stuk, over het gasthuis. Als dit voorbij is…”

„Lucas. Ga naar huis. Ga liggen.”

„Ik heb geen huis. Ik heb een kamer.” Hij lachte nog eens, die vreemde, schokkerige lach. „Ik ben moe, dat is alles. Ik heb niet geslapen.”

Hij klom terug over de muur, langzamer dan hij gekomen was.


Twee dagen later stond er een jongen voor de deur van de Gekroonde Letter. Hij keek naar de strohoed en bleef op de stoep staan, op een afstand van drie passen, en riep.

Hendrik herkende hem. Willem, de jongen van de pomp in het weeshuis. Hij was dertien en hij had een gezicht als een oude man.

„Hendrik Jansz!” riep hij. „Ben jij dat?”

„Ik ben het.”

„Tijs zegt dat ik je moet halen. Hij zegt dat je hebt beloofd dat je elke zondag komt.” Willem slikte. „Hij heeft het. Sinds gisteren. Er is niemand meer die voor hem zorgt.”