Hoofdstuk 10: Het weeshuis
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Ik moet gaan,” zei Hendrik.
De meester stond in de deuropening van de drukkerij, met een zethaak in zijn hand. Achter hem zat Geertje op de trap, waar ze altijd zat. Ze had alles gehoord.
„Je weet wat er in dat huis is.”
„Hetzelfde als hier, meester.”
De meester keek naar de strohoed aan de deur, naar Willem, die nog altijd op drie passen van de stoep stond te wachten en van zijn ene voet op de andere wipte. Toen keek hij naar Hendrik.
„Je hebt beloofd elke zondag te gaan,” zei hij. „Dat heb ik je horen zeggen tegen mijn vrouw, de eerste week. Ik heb nooit gezegd dat het niet mocht.” Hij draaide zich om. „Ga. En kom terug. We hebben nog vier katernen van Kessler.”
Geertje kwam de trap af. Ze gaf Hendrik een zakje, zonder iets te zeggen. Er zat brood in, en een stuk kaas, en het zakje kruiden van Kessler, dat hij op de zolder had laten liggen.
„Kom terug,” zei ze ook.
Het hek van het weeshuis piepte zoals het altijd piepte.
Op de binnenplaats lag afval. Er stond een emmer bij de pomp, half vol, met een laag groen schuim erop. De ramen van de school waren dicht. Uit de grote zaal kwam geen geluid van kommen en lepels; er kwam een ander geluid uit, een zacht, aanhoudend geluid, dat Hendrik pas herkende toen hij binnen was. Het was het geluid van kinderen die huilden zonder er de kracht nog voor te hebben.
De zaal was een ziekenzaal geworden. Er lagen strozakken op de vloer, in rijen, en op de strozakken lagen kinderen. De tafels stonden opgestapeld tegen de muur. Twee meisjes van een jaar of vijftien liepen tussen de rijen met water. Ze hadden doeken voor hun mond gebonden. Een van hen herkende Hendrik: Maritgen, die vroeger in de keuken had geholpen. Ze keek naar hem over haar doek en zei niets.
Tijs lag achterin, bij het raam.
Hij was kleiner dan Hendrik zich herinnerde. Zijn gezicht was rood en glanzend van het zweet, en zijn oren staken nog verder van zijn hoofd af nu zijn wangen ingevallen waren. Hij lag met zijn arm opzij, weg van zijn lichaam, en Hendrik zag waarom: onder zijn oksel zat een zwelling, paars en strak.
„Je bent gekomen,” zei Tijs.
„Ik zei toch dat ik zou komen.”
Hij ging naast de strozak op de vloer zitten.
Hij bleef negen dagen.
Hij haalde water bij de pomp, en toen het water van de pomp naar rotte eieren begon te ruiken, liep hij met twee emmers naar een bierbrouwer in de buurt, die hem uit zijn eigen put liet putten omdat Hendrik hem vertelde dat het voor de wezen was. Hij kookte pap in de keuken van het weeshuis, op het vuur dat niemand meer stookte, met meel dat hij in een hoek van de voorraadkamer vond. Hij waste de doeken van Tijs en van de twee jongens naast hem, en toen een van die twee jongens op de vierde nacht stierf, droeg hij hem samen met Maritgen naar de gang, waar de dragers van de stad hem 's ochtends zouden komen halen.
Hij sliep bijna niet. Als hij sliep, deed hij het zittend, met zijn rug tegen de muur, naast Tijs.
„Vertel iets,” zei Tijs, op de tweede nacht. Hij had koorts en praatte in flarden.
„Wat moet ik vertellen?”
„Over de drukkerij. Over de letters.”
Dus vertelde Hendrik over de letterkast, over de e die koning was en de q in de hoek. Over de inkt die moest branden, en over het papier dat zich overgeeft als het nat is. Over de pers die zucht. Hij vertelde over Kessler en de bibliotheek die over de Alpen was gedragen. Over Geertje op de trap.
„Ik wil ook leerling worden,” zei Tijs. „Bij een drukker.”
„Dan word je dat.”
„Je liegt.”
„Ik lieg niet. Ik zeg wat ik wil dat waar is. Dat is iets anders.”
Tijs dacht erover na, met zijn ogen dicht. „Dat zei de oude man,” mompelde hij. „Over de toekomende tijd.”
Hendrik wist niet dat hij dat ook had verteld. Hij had zoveel verteld.
Op de vijfde dag kwam de oude heer met de stok.
Hendrik herkende hem van de beschrijving van Tijs, in maart: een lange, kromme man met wit haar en een stok met een zilveren knop. Van Oudevliet. Hij kwam binnen met een notaris en twee vrouwen met manden, en hij keek een hele tijd naar de zaal zonder iets te zeggen. Toen begon hij orders te geven. De vrouwen gingen naar de keuken. De notaris schreef namen op. Er kwamen karren met turf en meel en een vat azijn.
Bij het raam bleef Van Oudevliet staan, voor Tijs, en voor Hendrik.
„Jij bent geen wees meer,” zei hij.
„Nee, heer. Ik ben leerling bij de drukker Verbrugge.”
„Waarom ben je hier?”
„Voor hem.” Hendrik knikte naar Tijs.
Van Oudevliet keek naar Tijs, naar zijn hand op de deken. Hij keek lang naar die hand.
„Een jongen van twaalf, die twee nagels mist,” zei hij zacht.
Hendrik zei niets.
De oude heer stond een tijd stil, leunend op zijn stok. Toen zei hij: „Ik ben een van de vier weesmeesters van dit huis. Drie van ons zijn de stad uit gevlucht. Ik ben gebleven, omdat ik oud ben en niet meer veel te verliezen heb, en omdat ik me schaam.” Hij keek Hendrik aan. „Ik heb vier jaar lang de rekeningen van dit huis ondertekend zonder ze te lezen. Ik heb geloofd wat mij werd verteld. Dat is wat een regent doet, als hij niet oppast. Het geschrift dat in maart door de stad ging, heeft mij geleerd te lezen.”
„Wat gaat er met de heer Hogevelt gebeuren, heer?”
„Als de pest voorbij is, wordt er gesproken in de vroedschap. Ik heb de boeken. De notaris heeft ze nagerekend. Wat er gebeurt, is aan de burgemeesters.” Van Oudevliet tikte met zijn stok op de vloer. „Maar ik zou willen dat ik iemand had die kon zeggen wat hij heeft gezien. Niet in een pamflet, zonder naam. Voor de vroedschap. Een getuige.”
Hij wachtte niet op een antwoord. Hij liep verder, naar de volgende strozak.
Op de zevende dag barstte de buil van Tijs open. Op de achtste dag zakte de koorts. Op de negende dag at hij een hele kom pap, en vroeg hij om meer, en Maritgen begon te huilen en kon niet meer ophouden.
Die avond liep Hendrik niet naar de Pieterskerkchoorsteeg. Hij liep naar de Garenmarkt, naar een smal huis met een trapgevel waar hij één keer was geweest, in de winter, met een boodschap van Arent.
De kamer van Lucas was op de bovenste verdieping, onder het dak. De trap was zo steil dat het eerder een ladder was. De deur zat niet op slot.
Het rook binnen zoals het in de zaal van het weeshuis had geroken. Er stond een bed onder het schuine dak, en een tafel vol papier, en een stoel met een mantel over de leuning. De mantel die Lucas niet meer droeg. Er was één raam, en het was dicht, en de lucht was zo heet en zwaar dat Hendrik bijna niet kon ademen.
Lucas lag op het bed. Hij was wakker.
„Hendrik,” zei hij. „De wees.”
„Ik heet Hendrik.”
„Dat zei ik.” Zijn lippen waren gebarsten en zijn ogen stonden ver weg. Hij probeerde te lachen en het werd een hoest. „Ik had moeten luisteren. Naar Arent. Naar jou. Ik was moe. Dat was alles.”
Hendrik zette het raam open. Hij gaf hem water uit een kan die op de grond stond. De helft liep langs zijn kin.
„De tafel,” zei Lucas. „Het stuk over het gasthuis. Het ligt er.”
„Ik weet het.”
„Neem het mee. Ik kan het niet meer…” Hij sloot zijn ogen. „Druk het, of druk het niet. Ik weet niet meer wat goed is. Jij weet het beter. Jij schreef over de pap.” Een tijd was het stil. „Joris. Kon fluiten op zijn vingers. Dat had jij hem geleerd. Dat vond ik… dat was goed.”
Hendrik bleef bij hem tot het donker werd. Hij praatte, over niets, over Tijs die pap at. Op een gegeven moment merkte hij dat Lucas niet meer antwoordde, en een tijd later dat hij niet meer ademde.
Hij bleef nog even zitten. Toen pakte hij de papieren van de tafel, rolde ze op en stak ze onder zijn hemd. Hij legde de mantel over Lucas heen, omdat er niets anders was, en ging naar beneden om tegen de buren te zeggen dat ze de dragers moesten roepen.
Het was na middernacht toen hij in de Pieterskerkchoorsteeg kwam. De strohoed hing er nog. Achter de ramen van de drukkerij brandde licht.
Hij ging naar binnen. De meester zat aan de letterkast, op zijn kruk, met de zethaak in zijn hand. Hij zette niet. Hij zat alleen.
„Meester?”
De meester draaide zijn hoofd. Zijn gezicht glom in het licht van de lamp. Zijn baard was nat van het zweet.
„Hendrik,” zei hij. „Goed dat je er bent. Ik kan de e niet vinden. Ik zoek al een uur. Hij ligt er niet meer.”
Hij wees naar het grote vakje in het midden van de onderkast. Het lag vol met e's.