Hoofdstuk 11: De laatste vellen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De meester lag elf dagen in de bedstee in de voorkamer, en in die elf dagen werd het boek van Kessler afgemaakt door een weesjongen, een meisje en een leerling die nog niet zonder stok kon lopen.

Dirck zette. Hij zat op een kruk aan de kast, met een deken om zijn schouders, en zijn handen trilden zo dat hij elke regel twee keer moest nakijken. Maar hij zette. Hij was de enige die de kleine letter van Kessler kon zetten zonder fouten, en hij wist het, en voor het eerst sinds Hendrik hem kende, deed hij er niet hooghartig over.

„Je moet me die ae aangeven,” zei hij. „Die aan elkaar vast. Ik kan niet zo ver reiken.”

Hendrik gaf hem de letter aan. Dirck knikte. Meer zeiden ze er niet over. Het was genoeg.

Geertje inktte en las de proeven, tussen de vellen door. Hendrik trok. Zijn handen waren eelt geworden, hard en geel, en zijn rug deed 's avonds niet meer zo'n pijn als in de zomer. Hij had geleerd te wachten tot Geertje klaar was. Hij had geleerd hoe hard hij moest trekken voor het Franse papier, en hoe hard voor het goedkopere uit Holland dat de meester in juli had moeten kopen toen de Franse voorraad op was.

Plof. Kraken. Zucht.

Vanuit de voorkamer hoorden ze de meester. Eerst schreeuwde hij, in de eerste dagen, toen de koorts het hoogst was. Over Antwerpen, over een kar, over zijn vader. Later werd het stiller. Een gemompel, dat soms ophield, zodat ze allemaal tegelijk stopten met werken en luisterden tot het weer begon.

Vrouw Verbrugge kwam bijna niet meer uit de voorkamer. Als ze kwam, was het om water te halen, of azijn, of schone doeken, en ze keek dan naar de pers en naar de drie die eraan werkten, en ze zei niets, en ging terug.


Kessler kwam op de derde dag.

Hij stond voor de deur, onder de strohoed, met zijn stok, en klopte. Hendrik deed open en wilde zeggen dat hij niet binnen mocht komen, maar de oude man was hem voor.

„Ik ben achtenvijftig,” zei hij. „Ik heb in mijn leven drie keer de pest in een stad gehad, en twee oorlogen, en ik ben nog hier. Ik denk dat God met mij een ander plan heeft dan de pest. Waar zijn de proeven?”

Hij ging aan Geertjes tafel op de zolder zitten, met zijn bril op zijn neus en zijn veer in zijn hand, en las. Hij bleef de hele dag. De volgende dag kwam hij weer. Hij las sneller dan Geertje, maar zij vond vaker fouten in het Nederlands van de voorrede, en dat zei hij ook, met een buiging van zijn hoofd die half spottend was en half gemeend.

Op de vijfde dag, toen ze een pauze namen om brood te eten, zat Hendrik naast hem op de trap.

„Lucas Brandt is dood,” zei hij.

Kessler legde zijn brood neer.

„Ik was bij hem. Op het eind.” Hendrik keek naar zijn handen. „Hij heeft me iets gegeven. Een tweede geschrift. Over het Caeciliagasthuis.”

„En wat staat erin?”

„Ik heb het gelezen. Gisteravond. Samen met Geertje.” Hij aarzelde. „Het is niet zoals het eerste. In het eerste stonden getallen, die Lucas had van een klerk die het wist. In dit staan alleen dingen die mensen zeggen. Die een knecht had gehoord van een vrouw die het had gehoord van haar zuster. Het is misschien waar. Ik weet het niet. Niemand weet het.”

„En als je het niet weet?”

„Dan druk ik het niet.”

Kessler knikte langzaam. „Dan is het geen boek,” zei hij. „Dan is het een gerucht met een titelblad. Daar is de wereld vol van.” Hij pakte zijn brood weer op. „Wat ga je ermee doen?”

„Ik geef het aan de heer Van Oudevliet. Hij kan laten uitzoeken of het waar is. Hij heeft een notaris.” Hendrik haalde diep adem. „En ik ga voor de vroedschap spreken. Over het weeshuis. Over wat ik heb gezien. Niet over het pamflet. Alleen over wat ik weet.”

Kessler keek hem lang aan.

„Dat is gevaarlijker dan drukken,” zei hij. „Bij een boek kan de schrijver zich verbergen. Een getuige heeft een gezicht.”

„Ik weet het.”

„Weet je meester het?”

„Hij weet nog niet eens welke dag het is.”

Kessler legde een hand op Hendriks schouder. Het was een lichte hand, met dunne vingers, en hij liet hem een tijd liggen.

„Sumus,” zei hij. „Wij zijn.”


Op de elfde dag kwam de meester de drukkerij in.

Hij liep met een hand tegen de muur, zoals Dirck in juni had gedaan. Hij was mager geworden, zijn wambuis hing om hem heen als een zak, en zijn baard was grijzer dan voor de ziekte. Op zijn hals zat een verband, waar de buil had gezeten. Vrouw Verbrugge liep achter hem en zei dat hij in bed moest blijven, en hij zei dat hij lang genoeg in bed had gelegen om een heel leven aan slaap in te halen.

Hij bleef staan bij de pers. Geertje stond met de inktballen in haar handen. Hendrik had de arm vast. Dirck zat op zijn kruk. Ze bewogen alle drie niet.

Aan de touwen boven hun hoofd hingen vellen. Honderden. Het laatste katern van Bibliotheca amissa, nat en glanzend, in de rijen die Arent hun had geleerd.

De meester pakte er een vel van de touwen. Hij hield het tegen het licht. Hij las het, regel voor regel, met zijn lippen bewegend, zoals hij altijd deed.

„Schippres,” zei hij ten slotte.

Ze keken hem aan.

Geertje had het hem dus verteld, van die eerste middag op de zolder.

„Er staat niks fout,” zei hij. „Dat was een grap.” Hij hing het vel terug. Zijn handen trilden. „Ik zocht een fout, en ik vond er geen. In het hele vel niet.”

Hij ging op de kruk naast Dirck zitten, omdat zijn benen hem niet langer droegen, en hij keek naar de pers, en naar zijn dochter met de inkt op haar kin, en naar de wees die aan de arm van zijn pers hing. Hij zei niets meer. Vrouw Verbrugge legde haar hand op zijn schouder.

„Doe maar verder,” zei ze. „Hij kijkt.”


In oktober werd het minder.

Het ging niet ineens. De karren reden nog, maar niet meer elke nacht. De aansprekers liepen nog, maar ze riepen minder namen. Het eerste herfstweer kwam, met regen en een koude wind uit zee, en mensen zeiden dat de kou de ziekte doodde, en of dat waar was wist niemand, maar het voelde zo.

Aan het eind van de maand haalde de wijkmeester de strohoed van de deur van de Gekroonde Letter. Hij nam hem mee onder zijn arm, als een gewone hoed.

Op straat waren weer mensen. Minder dan vroeger. Er waren huizen die leeg bleven, met dichte luiken en een slot op de deur. Er waren winkels waar een andere naam boven hing. Op de markt stonden vrouwen in rouwkleding, ook al zagen de heren dat niet graag, omdat geen keur ter wereld een moeder kon verbieden om in het zwart te lopen als ze drie kinderen had begraven.

Men zei dat er in Leiden meer dan een kwart van de mensen was gestorven. Niemand kon het precies tellen. Hendrik telde het niet. Hij kende de namen die hij kende, en dat waren er genoeg.

De studenten kwamen terug, langzaam. Op het Rapenburg stonden er weer groepjes. Ze praatten zachter dan voorheen.

Op de eerste zondag na de strohoed ging Hendrik naar het weeshuis, met de papieren van Lucas onder zijn hemd. Tijs zat op de binnenplaats in de zon, in een te grote jas, en gooide steentjes naar de pomp. Hij raakte hem drie keer op vier. Zijn oksel was nog verbonden, en als hij te snel bewoog, vertrok zijn gezicht, maar hij lachte toen hij Hendrik zag, met al zijn tanden.

Van Oudevliet ontving hem in de regentenkamer, onder een geschilderd portret van vier heren in het zwart die streng over een tafel heen keken. Hij nam de papieren aan, las de eerste bladzijde en legde ze toen opzij.

„Ik laat het nazoeken,” zei hij. „Door iemand die zijn mond kan houden.” Hij vouwde zijn handen over de knop van zijn stok. „En het andere? Waar we over spraken, bij het raam?”

„Ik wil getuigen, heer.”

De oude man keek hem lang aan. „De twaalfde december,” zei hij. „In het stadhuis. Ik zal je laten halen. Vertel het aan niemand die het niet hoeft te weten.”

Hendrik vertelde het aan Kessler, en aan Geertje. Verder aan niemand.

En in november kwam Hogevelt terug.


Hij kwam niet naar de drukkerij. Hij stuurde een knecht.

De knecht was een jongen van Hendriks leeftijd, in een schoon blauw pak met zilveren knopen, en hij stond in de winkel en keek met zijn neus omhoog naar de boeken, alsof ze iets roken. Hij gaf een gevouwen brief aan Hendrik. Hij wachtte niet op antwoord.

Hendrik maakte de brief open bij het raam. Er stond een korte tekst in, in een nette, rechte hand, op dik wit papier met een watermerk dat hij niet kende.

Aan Hendrik Jansz, leerling ter drukkerij In de Gekroonde Letter.

Mij is ter ore gekomen dat gij voornemens zijt op den twaalfden december voor de Edele Vroedschap te getuigen in een zaak die mijn eer aangaat. Ik raad u dat te overwegen. Uw meester heeft zijn neringe van de stad. Een gilde luistert ook naar wat er gezegd wordt in herbergen, en er wordt in herbergen veel gezegd over de Gekroonde Letter. Een wijs jongman weet wanneer hij moet zwijgen. Ik verwacht u morgen ten vier uur aan mijn huis op de Hooigracht, om hierover in alle vriendschap te spreken.

A. Hogevelt.

Hendrik las de brief twee keer. Toen vouwde hij hem dicht en keek naar buiten, naar de steeg, waar de regen in plassen op de keien stond en een man met een kar vol turf zijn paard aanspoorde.

Achter hem, in de drukkerij, begon de pers weer te draaien. Plof. Kraken. Zucht.