Hoofdstuk 12: Het colofon

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De meester las de brief aan de keukentafel, met een kom bouillon naast zich die vrouw Verbrugge hem drie keer per dag voorzette en waar hij drie keer per dag over klaagde.

Hij las hem twee keer, net als Hendrik had gedaan. Toen legde hij hem neer.

„Een gilde luistert ook naar wat er gezegd wordt in herbergen,” las hij hardop. „Hij heeft een mooie hand. Hij zou een goede klerk zijn geweest, als hij geen dief was geworden.”

„Ik ga er niet heen,” zei Hendrik.

„Waarom niet?”

Hendrik keek hem verbaasd aan. „Omdat hij me wil bang maken. Of omkopen. Of allebei.”

„Dat wil hij zeker.” De meester schoof de bouillon van zich af. „Maar als je niet gaat, denkt hij dat je bang bent. En dan gaat hij verder. Dan stuurt hij een brief naar het gilde, en een naar de burgemeesters, en dan zit hij op de twaalfde in de zaal en kijkt hij naar je zoals een kat naar een mus kijkt.” Hij wreef over het verband op zijn hals. „Ga erheen. Luister naar wat hij zegt. Zeg zo weinig mogelijk. En kom terug.”

„En de herbergen? Het gilde?”

„Laat het gilde maar aan mij over.” De meester stond op, langzaam, met een hand op de tafel. „Ik ben ruim vijftig jaar op deze wereld en ik heb de pest gehad. Ik heb niet zoveel angst meer als in maart.”


Het huis op de Hooigracht had een gevel van gele baksteen en een stoep met twee leeuwen van zandsteen. Een dienstmeisje liet hem binnen in een gang met zwart-witte tegels, zo schoon dat Hendrik zijn klompen uittrok zonder dat iemand het vroeg.

Hogevelt zat in een kamer met een open haard waarin een groot vuur brandde. Aan de muren hingen schilderijen: een schip op een woelige zee, een vaas met bloemen, een man met een snor die op Hogevelt leek, maar ouder. Er stond een tafel met een Turks kleed erop, en op het kleed een schaal met appels en een kan wijn.

Hogevelt droeg zijn gele handschoenen niet. Zijn handen waren wit en smal.

„Ga zitten,” zei hij.

Hendrik bleef staan.

„Zoals je wilt.” Hogevelt schonk wijn in voor zichzelf. Niet voor Hendrik. „Je bent een slimme jongen, heb ik gehoord. Je leest Latijn. Je zet beter dan de meeste gezellen. Er zijn mensen in deze stad die je een goede toekomst voorspellen.” Hij nam een slok. „Ik ken een drukker in Den Haag die een leerling zoekt. Hij drukt voor de Staten. Groot werk, veel geld, en geen kleine Latijnse boekjes over verloren bibliotheken. Ik zou een goed woord voor je kunnen doen.”

„Ik heb een meester, heer.”

„Een meester die ziek is geweest. Die maanden geen klanten had. Die een geleerde zonder geld een boek heeft laten drukken op eigen kosten.” Hogevelt glimlachte. „Hoe lang denk je dat de Gekroonde Letter nog bestaat? Een jaar? Twee? Als de stad hem geen werk meer geeft, en het gilde vragen gaat stellen over wat er op zijn pers is gebeurd?”

Hendrik zei niets. Zo weinig mogelijk, had de meester gezegd.

„Het weeshuis heeft je grootgebracht,” zei Hogevelt. „Het heeft je eten gegeven en kleren en een opleiding. Je bent er niet slecht van geworden, lijkt me. Waarom zou je het bezoedelen? Waarom zou je praten over dingen die je niet begrijpt? Over geld, over rekeningen, over de zorg die regenten hebben voor honderden kinderen?”

„Ik ga niet over geld praten, heer.”

„Waarover dan?”

„Over pap.” Hendrik voelde dat zijn stem vast bleef, en hij was er zelf verbaasd over. „Over boter die geen boter was. Over de kaarderij, op zaterdag, tot het donker. Over handen. Dat begrijp ik wel. Dat heb ik gezien.”

Hogevelt zette zijn glas neer. Zijn gezicht veranderde niet, maar zijn hand, op het tafelkleed, balde zich langzaam tot een vuist.

„Wie gelooft een wees?” zei hij.

„U zei tegen me, vorig jaar in december, dat ik niet moest vergeten wie ik het te danken had,” zei Hendrik. „Ik vergeet het niet, heer. Goedendag.”

Hij trok in de gang zijn klompen weer aan. Pas toen hij buiten stond, op de Hooigracht, in de koude wind, merkte hij dat zijn knieën trilden zo erg dat hij zich aan een van de zandstenen leeuwen moest vasthouden.


De twaalfde december was een grauwe dag met mist over de Rijn.

De zaal in het stadhuis was groter dan de hele drukkerij. Aan een lange tafel zaten de burgemeesters en een rij heren van de vroedschap, in het zwart, met witte kragen, sommigen met een bontrand aan hun mantel tegen de kou. Er brandde een vuur, maar het hielp niet veel. Tegen de wanden zaten klerken met schrijfkisten. Van Oudevliet zat aan het eind van de tafel, met zijn stok tussen zijn knieën. Hogevelt zat er ook, aan de andere kant, met een man naast zich die een advocaat moest zijn.

Hendrik stond voor de tafel. Hij had zijn beste hemd aan, het hemd dat vrouw Verbrugge die ochtend nog had gestreken, en Geertje had zijn haar gekamd en gezegd dat hij er bijna uitzag als een student.

Hij vertelde.

Hij vertelde over de pap, en wat erop dreef. Over het vlees dat van twee keer naar één keer per week ging. Over de zaterdagen in de kaarderij. Over Joris, die op zijn vingers kon fluiten, en over de drie maanden voordat hij doodging. Over Tijs, en zijn handen, en de twee nagels. Hij vertelde het zoals hij het in het pamflet had geschreven, maar langzamer, en met meer, en met de namen.

Niemand onderbrak hem. Een van de klerken schreef zo snel dat zijn veer kraste.

Toen hij klaar was, stond de advocaat van Hogevelt op.

„Heren,” zei hij. „Een treurig verhaal. Maar ik moet de getuige één ding vragen.” Hij wendde zich tot Hendrik. „In maart is er in deze stad een lasterlijk geschrift verspreid, zonder naam van drukker of schrijver, in strijd met de plakkaten van de Staten. Er wordt gezegd dat het is gedrukt in de drukkerij waar jij leerling bent. Weet jij wie dat geschrift heeft gedrukt?”

Het werd stil in de zaal. Hendrik voelde iedereen naar hem kijken. Hij dacht aan Arent, in Amsterdam. Aan de meester, die voor het eerst in dertig jaar had gelogen. Aan de K.

„Ik weet wie het heeft geschreven,” zei hij. „Lucas Brandt, student in de rechten. Hij is in augustus aan de pest gestorven. Ik was bij hem.” Hij haalde adem. „Hij schreef het omdat zijn broertje Joris dood was. Wie het heeft gedrukt, zeg ik niet. Daar gaat het hier niet om. Het gaat erom of het waar is wat erin stond.”

De advocaat opende zijn mond. Aan het eind van de tafel tikte Van Oudevliet met zijn stok op de vloer.

„De jongen heeft gelijk,” zei de oude heer. „Het geschrift is niet aan de orde. De rekeningen zijn aan de orde. Die liggen voor u, heren, nagerekend door een notaris. Ik stel voor dat we daarover spreken.”

Een van de burgemeesters, een zware man met een grijze baard, keek een tijd naar Hendrik. Toen knikte hij.

„Je kunt gaan, jongen,” zei hij. „Dank voor je getuigenis.”


Hogevelt werd niet gegeseld. Dat had Hendrik ook nooit verwacht. Een week voor Kerstmis hoorden ze dat hij als weesmeester was afgetreden, om redenen van gezondheid, en dat hij een groot bedrag aan het weeshuis had geschonken, uit liefde voor de wezen. Het was precies het bedrag dat de notaris van Van Oudevliet had uitgerekend. Er kwam een nieuwe binnenvader. De kinderen van het weeshuis gingen niet meer naar de kaarderij, die toch al verkocht was, en in de weken daarna werden er acht van hen bij ambachtslieden in de stad als leerling geplaatst.

Een van hen kwam in de Gekroonde Letter.

„Ik heb handen nodig,” zei de meester, toen Hendrik het hem vroeg, in november al. „Dirck wordt gezel in het voorjaar, en dan heb ik nog steeds een leerling te weinig. En je vriend heeft geleerd stil te zijn, in de kaarderij. Dat is meer dan de meeste jongens van twaalf kunnen.” Hij keek Hendrik aan. „Maar jij leert hem de letterkast. Ik ben te oud om nog een pastei op te rapen.”


Het laatste vel van Bibliotheca amissa drukten ze op de dag voor Kerstmis.

Het was het colofon: de laatste bladzijde, met onderaan in kleine letters de plaats, de drukker en het jaar. De meester had het altijd zelf gezet, bij elk boek, al dertig jaar. Zijn vader voor hem had het ook altijd zelf gedaan.

„Jij,” zei hij nu tegen Hendrik, en hij gaf hem de zethaak.

Kessler stond erbij, met zijn bril op. Hij legde Hendrik uit hoe het in het Latijn moest. Lugduni Batavorum: in Leiden, dat was de oude naam van de stad. Ex officina: uit de werkplaats van. En dan de naam van de meester, maar ook die in het Latijn, want Joost was geen naam voor een geleerd boek.

„Jodocus,” zei Kessler. „In de tweede naamval. Jodoci Verbrugge.”

„Dat klinkt als een Romein,” zei de meester. „Daar zou mijn vader om hebben gelachen.”

Hendrik zette. Hij zette langzaam, zoals hij de achterkant van het pamflet had gezet, in de woensdagnacht, toen elke letter ook een letter was die hij zelf had geschreven. Sub signo Literae Coronatae: onder het teken van de Gekroonde Letter. Anno MDCXXXV. Het jaar van de pest. Het jaar dat hij zestien werd.

Geertje inktte. Dirck stond erbij met Tijs, die zijn eerste dag had en met grote ogen naar de touwen onder het plafond keek. Hendrik trok. Plof. Kraken. Zucht.

Kessler nam het vel aan en hield het tegen het raam, waar de winter een grijs licht naar binnen liet. Hij las het. Hij zei niets. Zijn ogen werden nat, en hij deed alsof dat van de kou kwam, en niemand zei er iets van.


Die avond, na het eten, riep de meester Hendrik in de achterkamer. Hij haalde iets uit zijn wambuis en legde het op tafel.

Een grote K, met een haarfijne barst door het schuine been.

„Ik heb hem uit het oude lood gehaald, die dag,” zei de meester. „De knecht van de gieter heeft hem nooit gekregen. Ik wist niet goed waarom ik hem bewaarde.” Hij schoof de letter naar Hendrik toe. „Nu wel. Hij is van jou. Een drukker moet weten wat hij heeft gedrukt. Ook als niemand anders het weet.”

Hendrik nam hem in zijn hand. Hij was zwaarder dan hij eruitzag.

Toen hij naar boven ging, zat Geertje op de trap. Ze schoof een stukje op, en hij ging naast haar zitten, en ze zeiden een tijd niets. Door het kleine raam boven aan de trap zag hij dat het was gaan sneeuwen.

„Heb je de grammatica nog?” vroeg ze.

„Ja.”

„Je mag hem houden. Ik heb er mijn naam in geschreven toen ik tien was. Je kunt de jouwe eronder zetten.”

Hij haalde het boekje van de zolder, en een veer, en ze hield de kaars vast terwijl hij schreef. Hij schreef het langzaam, zonder een letter over te slaan.

Hendrik Jansz, zijn boek, 1635.

Buiten sloeg de klok van de Pieterskerk. Hij telde de slagen niet. Hij had geen haast meer.