Hoofdstuk 8: De meester

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Hendrik vertelde alles. Over het vel onder de werkbank, over Tijs en de handen, over de nachten met de lappen om de scharnieren. Over de tekst die hij zelf had geschreven. Over Geertje, op blote voeten in het donker, en de bak met oud lood. Hij liet niets weg, omdat hij wist dat de meester het zou merken, zoals hij een verkeerde letter merkte in een regel van veertig.

Toen hij klaar was, zat de meester een hele tijd stil. Hij had de K in zijn hand en draaide hem rond.

„Mijn vader,” zei hij ten slotte, „was gezel in Antwerpen. In de Kammenstraat, waar de drukkers woonden. Weet je wat er in Antwerpen is gebeurd, in vijfentachtig?”

„De stad is gevallen. Voor de Spanjaarden.”

„Voor de hertog van Parma. Na een jaar beleg. Hij liet de protestanten gaan, dat was het verdrag. Ze kregen een paar jaar om hun zaken te regelen, en dan moesten ze weg, of katholiek worden.” De meester legde de K op de werkbank. „Mijn vader ging. Hij had een vrouw en een kind van twee, en dat kind was ik. Hij had geen geld. Hij had een zak met letters. Die had hij in de loop der jaren van zijn eigen loon gekocht, stuk voor stuk, een paar honderd. Een zak zo zwaar dat hij hem niet kon dragen. Mijn moeder en hij trokken hem samen op een kar, van Antwerpen tot Middelburg, en van Middelburg met een schip tot hier.”

Hij wees naar de kast met de titelletter. „Een deel van die letters ligt daar nog. Versleten, de meeste. Maar ze liggen er.”

Hendrik keek naar de kast. Hij wist niet wat hij moest zeggen.

„Toen mijn vader hier aankwam, was Leiden nog arm van het beleg. De Academie bestond pas tien jaar. Er was werk voor drukkers, maar weinig geld. Hij heeft zeven jaar voor een ander gewerkt voordat hij zijn eigen pers kon kopen. Hij heeft gedrukt wat hem werd gevraagd. Psalmen, almanakken, plakbrieven. Hij heeft nooit iets gedrukt waar hij zich voor schaamde, en hij heeft nooit iets gedrukt wat zijn huis in gevaar bracht.” De meester keek Hendrik aan. „Weet je waarom niet?”

„Omdat hij alles al een keer verloren had.”

„Omdat hij alles al een keer verloren had.” De meester knikte langzaam. „Ik heb het pamflet van Lucas gelezen, in oktober. Ik geloofde het. Ik geloof het nog. Ik heb er nachten van wakker gelegen. En ik heb nee gezegd, omdat mijn vader op een kar zijn letters heeft meegesleept van Antwerpen naar hier, en omdat ik die niet aan een man als Hogevelt geef.”

„Het spijt me, meester.”

„Nee,” zei de meester. „Dat spijt je niet.”

Hendrik keek naar de grond.

„Dat spijt je niet,” zei de meester nog een keer, zachter. „Want in het weeshuis eten ze nu boter. En dat weet ik ook. En daar lig ik ook wakker van, dat het een weesjongen van vijftien en een gezel uit Haarlem waren die dat hebben gedaan, en niet ik.” Hij wreef met beide handen over zijn gezicht. „Je hebt mijn huis de gevolgen laten dragen, Hendrik. Zonder het te vragen. Dat is wat je hebt gedaan. Dat kan ik niet zomaar vergeten.”


Hij werd niet op straat gezet. Dat was het eerste wat hij hoorde, en het duurde dagen voordat hij het geloofde.

Maar hij mocht niet meer aan de pers komen. Niet aan de inkt, niet aan de letterkast. Hij veegde. Hij haalde water. Hij maakte papier nat en hing vellen op en haalde ze weer af, en hij deed de winkel als vrouw Verbrugge naar de markt was. En hij mocht niet meer naar het Rapenburg. Twee maanden lang. Kessler kreeg een briefje van de meester, en een briefje van Hendrik zelf, in onhandig Latijn, met drie fouten die hij pas zag toen het al weg was.

Arent moest weg.

„Het is niet uit wraak,” zei de meester tegen hem, in de achterkamer, met de deur dicht. Hendrik hoorde het toch, omdat hij in de winkel stond en de muur dun was. „Je bent de beste gezel die ik ooit heb gehad. Maar ik kan geen man in mijn huis hebben die achter mijn rug mijn pers gebruikt. Als het één keer gebeurt, kan het twee keer gebeuren. En de volgende keer is er misschien geen bak met oud lood.”

„Dat begrijp ik, meester.”

„Ik schrijf je een brief voor Amsterdam. Er is een drukker op de Dam die me nog iets schuldig is. Hij heeft goede gezellen nodig. Daar vragen ze minder vragen dan hier.”

„Dank u.”

„Bedank me niet. Ga.”

Arent vertrok op een ochtend eind april, met een zak over zijn schouder en de brief in zijn wambuis. Hendrik liep met hem mee tot de stadspoort. Het was een heldere dag, met een harde wind uit het westen, en op het water van de Rijn deinden de schuiten met hooi en turf.

Bij de poort bleef Arent staan.

„Je inkt is goed,” zei hij. „Niet te dik. Niet te dun. Dat kunnen er niet veel.”

„Ik mag niet meer inkten.”

„Je mag het weer. Hij heeft je nodig. Wacht maar.” Arent keek naar de weg, die tussen de weilanden door liep, tot aan de horizon. „Zeg tegen Lucas dat hij voorzichtig moet zijn. Hij denkt dat hij gewonnen heeft. Mannen als Hogevelt verliezen niet zo snel.”

Hij stak zijn zwarte hand uit. Hendrik schudde hem.

„Goed zo,” zei Arent, en hij ging.


Dirck sprak een maand lang geen woord met Hendrik.

De meester had hem ook in de achterkamer geroepen, de dag na de inspectie. Wat daar gezegd was, wist Hendrik niet. Dirck kwam eruit met een wit gezicht en ging zonder iets te zeggen aan zijn kast staan, en vanaf die dag zette hij harder en sneller en slordiger dan ooit. De vijftig gulden had hij niet gekregen; er viel niets te belonen.

Een keer, op een avond in mei, stonden ze samen bij de put op de binnenplaats. Dirck trok de emmer op en zette hem op de rand en bleef staan.

„Ik wist het niet zeker,” zei hij, zonder Hendrik aan te kijken. „Ik zei alleen tegen Mol dat Arent 's nachts weg was. Dat was waar. Ik zei niks over jou.”

„Waarom niet?”

Dirck haalde zijn schouders op. „Omdat ik het niet wist van jou.” Hij keek naar het water in de emmer. „En omdat mijn zusje in de kaarderij van Hogevelt heeft gestaan, voordat mijn moeder hertrouwde en we haar terug konden halen. Twee jaar.”

Hij pakte de emmer op en ging naar binnen. Hendrik bleef staan bij de put en keek naar zijn eigen gezicht in het water, en het duurde lang voordat het stil lag.


Lucas zag hij in juni terug, op de Breestraat, voor het stadhuis.

Hij stond tussen een groep studenten en praatte met grote gebaren. Toen hij Hendrik zag, kwam hij naar hem toe en sloeg hem op de schouder, zo hard dat Hendrik bijna struikelde.

„De oude heer met de stok,” zei hij. „Van Oudevliet. Een van de andere weesmeesters. Hij heeft de boeken van het weeshuis laten nakijken door een notaris. De burgemeesters hebben de rapporten gezien. Ze praten erover in de vroedschap.” Hij lachte, zijn schokkerige lach. „Hogevelt zit er nog, maar hij zit niet lekker. Ze zeggen dat hij zijn eigen kaarderij heeft verkocht. Aan een neef. Om er niets meer mee te maken te hebben.”

„Arent zegt dat je voorzichtig moet zijn.”

„Arent is een oude vrouw.” Lucas keek om zich heen en dempte zijn stem. „Ik heb nog iets. Over de regenten van het Caeciliagasthuis. Dat wordt nog mooier dan het eerste.”

„Lucas.”

„Ik vraag je niks. Ik vraag niemand iets. Ik zeg alleen dat het er is.” Hij keek Hendrik aan met zijn rusteloze ogen. „Het werkt, Hendrik. Dat hebben we gezien. Woorden werken. Hoe kun je dan ophouden?”

Hendrik gaf geen antwoord. Achter Lucas, op de trap van het stadhuis, werd een nieuwe plakbrief opgehangen. Een knecht smeerde lijm op de muur, een ander hield het vel ertegen. Een paar mensen bleven staan om te lezen. Ze lazen het lang, en ze praatten zacht, en ze liepen sneller weg dan ze gekomen waren.

Hendrik ging erheen toen Lucas weg was. Het was gedrukt bij een andere drukker, niet bij Verbrugge, in een grote, nette letter. Het was een keur van de burgemeesters. Er stond in dat iedereen in wiens huis iemand ziek werd aan de haestige siekte dit aan de wijkmeester moest melden. Dat er een strohoed aan de deur van zo'n huis moest hangen. Dat bedden en kleren van de zieken niet buiten mochten worden gehangen, en dat honden en katten die op straat liepen, zouden worden gedood.

Hij las het twee keer. Toen liep hij terug naar de Pieterskerkchoorsteeg, langs de Breestraat, waar de kooplui hun luiken openhadden als altijd en een jongen met een mand kersen riep dat het de eerste waren van het jaar.


De eerste strohoed zag hij een week later.

Het was een gewone hoed, van de soort die boeren op het land dragen, en hij hing aan een spijker aan een deur in de Kaarsenmakerssteeg. Iemand had hem daar netjes opgehangen, met de rand naar beneden. De ramen van het huis waren dicht. Er kwam geen geluid van binnen.

Hendrik stond aan de overkant van de steeg met een bundel papier onder zijn arm en keek ernaar. Hij kende het huis. Hij was er een keer langsgegaan met een boodschap voor Dirck, in de winter.

Het was het huis van Dircks moeder.

Hij rende terug, met de bundel tegen zijn borst, en hij was buiten adem toen hij de drukkerij binnenkwam. Dirck was er niet.

„Hij is gisteravond naar zijn moeder gegaan,” zei vrouw Verbrugge. „Ze had een boodschap gestuurd dat ze zich niet goed voelde. Hij zou vanochtend terug zijn.” Ze zag Hendriks gezicht en legde de pollepel neer. „Wat is er?”

Op dat moment ging de achterdeur open, en Dirck kwam de binnenplaats op. Hij liep langzaam, met een hand tegen de muur, en zijn rode haar plakte aan zijn voorhoofd. Zijn gezicht was grauw als het papier van Lucas.

„Ik heb het koud,” zei hij. „Het is juni, en ik heb het zo koud.”