Hoofdstuk 7: De gebroken K
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Ik ga weg,” zei Arent. „Vannacht nog. Dan is het klaar.”
Ze stonden in de turfschuur, waar een paar weken eerder de vellen hadden gehangen. Het rook er nog steeds een beetje naar inkt, of misschien verbeeldde Hendrik zich dat. Buiten regende het, een zachte, koude maartregen die door de kieren van de deur waaide.
„Als je weggaat, weten ze het zeker.”
„Dan weten ze het van mij. Niet van de meester. Niet van jou.” Arent wreef met zijn duim over zijn zwarte vingers, steeds weer, alsof hij de inkt eraf wilde poetsen. „Ik laat een briefje achter. Dat ik het alleen heb gedaan, 's nachts, zonder dat de meester het wist. Dat is waar. Bijna.”
„En de K blijft in de kast liggen. En Mol komt en vindt hem. En dan staat het vast dat het hier gedrukt is, in de Gekroonde Letter, met de letters van de meester, op zijn pers. Wat maakt het dan uit wat jij op een briefje schrijft? Hij raakt alles kwijt. Ze geloven nooit dat hij het niet wist.”
Arent keek hem aan.
„De K moet weg,” zei Hendrik. „Alleen de K. Dan is er niks.”
„Als hij weg is, mist er een letter.”
„Mol weet niet hoeveel K's de meester heeft. Niemand weet dat, behalve de meester.”
Arent zweeg een hele tijd. De regen tikte op het dak.
„Dirck,” zei hij toen.
Hendrik had het ook gezien. De ogen van Dirck, toen Mol de vijftig gulden noemde. Vijftig gulden was meer dan een gezel in een half jaar verdiende. Voor een leerling was het een fortuin.
„Dirck weet niks.”
„Dirck weet dat ik soms 's nachts weg ben. Dat heb ik hem zelf gezegd, een keer, toen hij me tegenkwam op de trap. Ik zei dat ik een meisje had.” Arent lachte zonder geluid. „Hij heeft me een week lang gepest. Hij zal het niet vergeten zijn.”
Ze besloten dat Hendrik het zou doen, omdat Arent naast Dirck sliep, in de achterkamer bij de keuken, en Dirck bij elk geluid zijn ogen opendeed sinds de man van de schout was geweest. Hendrik sliep op zolder. Hij hoefde maar de trap af.
Woensdagnacht. Mol zou donderdagochtend komen, vroeg.
Hendrik lag met zijn kleren aan en luisterde naar het huis. Hij kende de geluiden nu. Het kraken van de balken als de wind draaide. Het geschuifel van de muizen achter het beschot. De meester die snurkte, in de kamer onder hem, met lange zuchten ertussen. De klok van de Pieterskerk.
Bij één uur ging hij.
Op de trap bleef hij bij elke tree staan. Beneden was het donker, maar niet helemaal; er kwam een grijs schijnsel door de hoge ramen naar de binnenplaats, van de maan achter de wolken. Hij zag de vormen van de pers, de kasten, de touwen onder het plafond met de vellen van Kessler eraan. Ze bewogen een beetje in de tocht, als spoken die zachtjes ademden.
De kast met de titelletter stond tegen de achtermuur. Hij wist precies waar het vakje met de K zat. Derde rij van boven, het tiende vakje van links. Hij had het in gedachten honderd keer gezien.
Hij stak zijn hand uit in het donker en voelde. Hout. De rand van het vakje. Daarin het koele metaal.
Eén letter. Er lag maar één K in. De andere zat in de Latijnse vorm van de meester, dat had Arent gezegd. Hendrik pakte hem op en draaide hem om tussen zijn vingers. Hij kon de barst niet zien in het donker, maar hij voelde hem, als hij met zijn duimnagel over het been streek. Een heel klein randje. Een haartje.
„Wat doe je?”
Hij liet de letter bijna vallen.
Geertje stond onder aan de zoldertrap, waar hij een minuut geleden nog was geweest. Ze had een omslagdoek om, over haar nachthemd, en haar haar hing los. Ze had geen licht bij zich.
„Ik…”
„Niet liegen.” Ze kwam dichterbij, op blote voeten. „Ik hoorde je op de trap. Ik slaap al twee nachten niet. Sinds die man er was.” Ze bleef vlak voor hem staan, zo dichtbij dat hij haar adem voelde. „Ik heb het boekje gelezen. Ik las het stuk aan het einde. Over de pap en de boter en de handen. En ik dacht: dat klinkt als iemand die ik ken. Als iemand die schippres ziet als iedereen schippers leest.”
Hendrik zei niets. Wat moest hij zeggen.
„Wie heeft het gedrukt?” vroeg Geertje. „Jij en Arent?”
„Ja.”
„En vader?”
„Vader weet het niet. Hij heeft nee gezegd. In oktober. Arent heeft het buiten hem om gedaan, en ik heb geholpen.”
Ze ademde uit, lang. Hij kon in het halfdonker haar gezicht niet goed zien.
„Dat is de K?” vroeg ze.
„Ja.”
„Laat zien.”
Hij legde de letter in haar hand. Ze voelde eraan, met haar vingertoppen, zoals hij had gedaan.
„Wat ga je ermee doen?”
„Ik wilde hem in de gracht gooien. Bij de Pieterskerk, waar het diep is.”
„En als je iemand tegenkomt? Om half twee 's nachts, met je kleren aan? De ratelwacht loopt hier elke nacht. Hij kent je. Hij kent iedereen.” Geertje schudde haar hoofd. „Je moet hem niet weggooien. Je moet hem laten verdwijnen.”
„Dat is hetzelfde.”
„Nee.” Ze draaide zich om en liep, zonder te aarzelen in het donker, naar de hoek achter de pers. Daar stond een houten bak, half vol met grijs metaal. Hendrik kende hem. Het was de bak met oud lood: letters die versleten waren, gebroken, gebogen, met een afgesleten oog. Eens in de maand kwam de knecht van de lettergieter ze ophalen. Hij woog ze, betaalde ervoor, en bij de gieter werden ze omgesmolten tot nieuwe letters.
„Morgen is het donderdag,” zei Geertje. „Hij komt op de eerste donderdag van de maand. Hij komt 's middags.”
„En Mol komt 's ochtends.”
„Mol komt voor een letter in de kast. Niet voor een bak met afval. Wie zoekt er nou in afval?”
Ze hield de letter boven de bak, aarzelde even, en liet hem vallen. Hij gleed tussen de andere, met een klein, droog geluid. Hendrik keek in de bak. Duizend grijze staafjes in het maanlicht. Zelfs als hij het wilde, zou hij de K er niet meer uit kunnen halen zonder licht en een uur zoeken.
„Zo,” zei Geertje.
Ze stonden naast elkaar in het donker. Er viel niets meer te zeggen, en toch bleven ze staan.
„Waarom help je me?” vroeg Hendrik ten slotte.
Geertje trok haar omslagdoek dichter om zich heen. „Omdat het waar is wat erin staat,” zei ze. „En omdat ik niet wil dat ze vader alles afnemen. En omdat je mijn grammatica hebt uitgelezen. Daar was niemand ooit aan toegekomen. Ikzelf ook niet.”
Ze ging naar boven, voor hij iets kon antwoorden.
Ze kwamen om zeven uur. Gerrit Mol, een schepen met een ambtsketen over zijn borst en een gezicht dat eruitzag alsof hij liever in bed had gelegen, en een klerk met een schrijfkist. Achter hen, op een afstandje, als iemand die er niet bij hoorde maar er toch was, stond een vierde man.
Hogevelt.
Hij kwam niet binnen. Hij bleef in de deuropening van de winkel staan, met zijn gele handschoenen aan, en keek. Hendrik zag hem door de deur van de drukkerij, en hij voelde zijn maag samentrekken tot een vuist.
„Mijn excuses dat het zo vroeg is,” zei Mol tegen de meester. „De heer schepen heeft het druk.”
„Ga uw gang.”
Ze begonnen bij de kasten. Mol werkte langzaam en grondig. Hij haalde de vakjes leeg, legde de letters op een blad, keek ernaar met een vergrootglas en legde ze terug. De klerk schreef. De schepen zuchtte en keek uit het raam.
Bij de kast met de titelletter duurde het langer.
„Een K,” zei Mol. Hij hield het vakje omhoog. Het was leeg. „Geen enkele K.”
„Die zit in de vorm,” zei de meester. Hij wees naar de pers, waar de vorm voor Kesslers titelblad al klaarlag. „In het woord Kesslerus. Op het titelblad. U kunt hem daar zien.”
Mol ging kijken. Hij boog zich over de vorm met zijn glas en bleef heel lang zo staan. Toen kwam hij overeind.
„Dat is een gave letter,” zei hij.
„Dat dacht ik al,” zei de meester.
„Hoeveel K's van deze maat heeft u, meester Verbrugge?”
De meester keek hem aan. Hendrik stond bij de waterbak en voelde de kou van het water opstijgen. Arent stond bij de pers, roerloos. Dirck stond naast de deur en keek naar de grond.
„Eén,” zei de meester.
„Eén maar?”
„Ik ben een kleine drukker, heer Mol. Ik heb voor elke letter van die maat één exemplaar, behalve voor de klinkers. Hoeveel Nederlandse titels kent u met twee K's?”
De schepen grinnikte. Mol niet.
„Er is mij gezegd,” zei Mol, „dat uw gezel regelmatig 's nachts het huis verlaat.” Hij keek naar Arent. „Klopt dat?”
Dirck keek nog steeds naar de grond. Zijn oren waren rood.
„Dat klopt,” zei Arent. „Ik ga naar een vrouw. Op de Langebrug. Als u wilt weten hoe ze heet, zeg ik het u. Maar ik zou het liever niet zeggen waar de heer schepen bij staat.”
Het was een tijd stil. Toen begon de schepen te lachen, een harde, hikkende lach, en hij sloeg Mol op de schouder.
„Kom op, Mol. We hebben vandaag nog drie drukkers te doen.” Hij liep naar de deur. Daar bleef hij staan voor Hogevelt. „Hier is niets, heer Hogevelt. Gave letters en een gezel met een vriendinnetje. Als u een drukker wilt geselen, moet u ergens anders zoeken.”
Hogevelt zei niets. Hij keek over de schouder van de schepen heen de drukkerij in. Zijn blik ging langs de pers, langs de kasten. Langs Hendrik.
Toen draaide hij zich om en ging.
Ze werkten de hele ochtend door alsof er niets was gebeurd. Niemand zei iets, behalve over het werk. Dirck zette met zijn rug naar de anderen. Om twaalf uur riep vrouw Verbrugge dat het eten klaar was, en iedereen ging naar de keuken, en Hendrik ging ook.
„Hendrik.” De stem van de meester. „Blijf even.”
De anderen gingen. De deur ging dicht.
De meester liep naar de hoek achter de pers. Naar de bak met oud lood. Hij boog zich voorover, stak zijn hand erin, en roerde, langzaam, zoals een kok in een pan roert. Het metaal ritselde.
Toen haalde hij zijn hand eruit. Tussen duim en wijsvinger hield hij een grote K.
Hij liep naar de werkbank, legde de letter neer, recht voor Hendrik, en tikte er met zijn vinger op. Eén keer.
„Ik heb maar één K,” zei hij. „Dat heb ik vanochtend tegen de schepen gezegd. Het is de eerste keer in dertig jaar dat ik in mijn eigen drukkerij heb gelogen.”
Hij ging zitten op de kruk bij de kast. Hij zag er ineens oud uit.
„Ik weet het, Hendrik. Ik weet het al weken. Vertel me nu alles. En als je ook maar één woord liegt, sta je voor het donker op straat.”