Hoofdstuk 6: Het pamflet
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het eerste exemplaar dat Hendrik terugzag, lag op de toonbank van een bakker in de Haarlemmerstraat, onder een brood.
Het was begin maart. Het ijs was eindelijk gesmolten, en de grachten roken naar alles wat er de hele winter onder had gelegen. Vrouw Verbrugge had hem gestuurd om roggebrood, en terwijl de bakkersvrouw het brood afwoog, zag Hendrik onder het brood dat op de toonbank lag een stukje grauw papier uitsteken. Een hoek, met een paar letters.
…der LEYDSCHE…
„Twee stuivers,” zei de bakkersvrouw.
Hij betaalde. Zijn hand trilde niet. Daar was hij trots op, later.
„Heeft u dat gelezen?” vroeg een vrouw achter hem in de rij. Ze had een mand met prei aan haar arm. „Dat boekje?”
„Mijn man leest het elke avond voor in de herberg,” zei de bakkersvrouw. „Hij kan zelf niet lezen, maar de knecht van de smid wel. Ze zijn er al bij de derde keer.” Ze trok het papiertje onder het brood vandaan en vouwde het open. „Moet je horen. Er is een jongen bij ons die twaalf jaar is en twee nagels mist. Twee nagels. Bij een kind van twaalf.”
„Als het waar is,” zei de vrouw met de prei.
„Waarom zou iemand zoiets verzinnen?”
„Om een heer zwart te maken. Er zijn genoeg mensen die een hekel hebben aan de heren in de vroedschap.”
„Dat is ook zo,” zei de bakkersvrouw, en ze lachte. „Ik ook.”
Hendrik liep naar buiten met het brood onder zijn arm en het gevoel dat iedereen op straat naar hem keek. Niemand keek naar hem. Een man met een kar vol tonnen vloekte op een paard. Twee meisjes zaten op een stoepje en speelden met een tol. Op de brug over de Oude Rijn stond een student met een blad grauw papier in zijn hand, en hij las het voor aan twee anderen, met gebaren alsof hij in de kerk stond.
In de week daarna was het overal.
De meester kreeg het mee van een boekverkoper uit de Breestraat, die het van een klant had. Dirck had het gehoord in de herberg waar zijn vader dronk. Vrouw Verbrugge hoorde het op de markt. Iedereen had het gelezen, of had het horen voorlezen, of kende iemand die het had voorgelezen. Er waren mensen die zeiden dat het een schande was dat zoiets werd gedrukt. Er waren meer mensen die zeiden dat het een schande was wat erin stond.
Op een avond las de meester het aan tafel.
Hij had het op zijn bord gelegd, naast de stamppot, en hij las het helemaal uit, langzaam, zonder iets te zeggen. Dirck at met zijn mond open en zat te popelen. Arent at zoals altijd, zonder op te kijken. Geertje keek naar haar bord. Hendrik dacht dat zijn eten in zijn keel zou blijven steken.
Toen de meester klaar was, vouwde hij het boekje dicht.
„Goed gezet,” zei hij.
„Het is een schande,” zei Dirck meteen. „Ze zeggen dat de heer Hogevelt de burgemeesters heeft gevraagd de drukker op te sporen. Ze zeggen dat hij hem wil laten geselen.”
„Wie zegt dat?”
„Iedereen.”
„Iedereen zegt veel.” De meester legde het boekje neer. „Goed gezet,” zei hij nog een keer. „Gelijke regels. Geen verkeerde letters. Wie dit heeft gedaan, weet wat hij doet.” Hij keek de tafel rond. Zijn blik bleef nergens langer hangen dan ergens anders. „Dat beperkt het aantal mensen in Leiden. Er zijn niet zoveel goede zetters.”
„Het kan ook in Amsterdam zijn gedrukt,” zei vrouw Verbrugge. „Of in Haarlem.”
„Het kan overal zijn gedrukt.” De meester pakte zijn lepel. „Eet. Het wordt koud.”
Niemand zei die avond nog iets.
Bij Kessler lag het op tafel, naast de proeven.
„Een student heeft het me gegeven,” zei de oude man. „Ze lezen het in de collegezalen, terwijl de professor over Aristoteles praat. Een van hen heeft er een Latijnse vertaling van gemaakt, met een zeer slechte grammatica, die onder de deur van de senaatskamer is geschoven.” Hij tikte met een vinger op het boekje. „Dit stuk aan het einde. Het weeskind dat spreekt.”
Hendrik zei niets. Hij keek naar zijn handen.
„Het is anders geschreven dan de rest,” zei Kessler. „Eenvoudiger. Het lijkt of de schrijver van de rest een geleerde was en de schrijver van dit stuk iemand die nog nooit iets had geschreven en daarom niet wist hoe je dat hoorde te doen.” Hij legde het boekje weg. „Het beste stuk van het hele geschrift. Daar zou ik wat voor geven, om zo te kunnen schrijven. Als ik iets opschrijf, klinkt het altijd als een catalogus.”
„Dat is een catalogus, heer.”
Kessler lachte, verrast. Toen zei hij, zonder overgang:
„Wees voorzichtig, Hendrik.”
„Waarom zegt u dat?”
„Omdat ik vijftien jaar in een bibliotheek heb gewerkt. Ik weet hoe een boek eruitziet. Ik weet hoe een vorm eruitziet. En ik heb de afgelopen maanden genoeg proeven uit de Gekroonde Letter gezien om de letters van je meester te herkennen.” Hij keek Hendrik over zijn bril aan. „Ik ben niet de enige in Leiden die goed kijkt. Amo, amas, amat. Begin maar.”
Op zondag ging hij naar het weeshuis, en hij wist het al voordat hij binnen was.
Het rook anders. Er hing een geur van gebakken spek op de binnenplaats, zo sterk dat de kat van de buren op de muur zat te likkebaarden. In de zaal stonden de kommen op tafel, en ernaast lagen sneden brood, en op het brood lag iets wat geen geel goedje was. Het was boter. Echte boter, bleek en glanzend, in dikke plakken.
Tijs zat aan het eind van de derde tafel en had zijn wangen vol.
„Sinds woensdag,” zei hij met zijn mond vol, toen Hendrik naast hem was gaan zitten. „Ineens. Op woensdag kwam er een kar met turf, en een kar met een half varken, en een vat boter. En de binnenvader liep rond met een rood hoofd en zei dat we moesten eten. Dat we het maar moesten. Alsof hij bang was.”
„En de kaarderij?”
„We hoeven er niet meer op zaterdag heen. Een van de andere weesmeesters is geweest, de oude heer met de stok. Hij heeft in de keuken gekeken en in de kelder en in de boeken. Hij heeft drie uur met de binnenvader in de kamer gezeten. We hoorden ze roepen.” Tijs veegde zijn mond af aan zijn mouw. „Iedereen zegt dat het door een boekje komt. Een boekje over ons. Willem, de jongen van de pomp, heeft het gezien. Er staat een jongen in met twee nagels minder.” Hij hield zijn hand op. „Net als ik.”
Hendrik keek naar de hand.
„Hoe zou dat komen, denk je?” vroeg Tijs. „Dat ze dat van mij weten?”
„Misschien is het niet over jou. Misschien zijn er meer jongens die nagels missen.”
Tijs dacht erover na. „Nee,” zei hij. „Alleen ik. Ik heb het hun allemaal gevraagd.”
Hij keek Hendrik aan met zijn uitstaande oren en zijn ogen die alles zagen en niks zeiden, en toen at hij verder.
De man van de schout kwam op dinsdag, toen de pers op volle kracht draaide.
Ze waren met het grote werk van Kessler bezig, het tweede katern. Arent trok, Hendrik inktte, Dirck zette aan de kast bij het raam en de meester las een proef. Er werd geklopt op de winkeldeur, en vrouw Verbrugge ging opendoen, en toen ze terugkwam, had ze een gezicht alsof ze een spook had gezien.
„Joost,” zei ze. „Er is iemand voor je.”
De man die achter haar binnenkwam, was klein en breed, met een ronde rug en een zwarte mantel. Hij had een staf bij zich, zoals de dienaren van het gerecht droegen. Zijn gezicht was vriendelijk, op de manier van een man die weet dat je hem niet zult tegenspreken.
„Gerrit Mol,” zei hij. „Dienaar van de heer schout. Ik kom met permissie van de burgemeesters. Ik zal u niet lang ophouden, meester Verbrugge. Ik ga alle drukkers van de stad langs. Het is een vervelend karwei, en ik doe het niet graag.”
„Waarmee kan ik u helpen?”
Mol haalde een boekje uit zijn mantel. Grauw papier, acht bladzijden.
„U kent dit?”
„De halve stad kent het.”
„De halve stad.” Mol glimlachte. „Ja. Dat is het probleem. Als de halve stad iets kent, dan wil de andere helft weten wie ervoor verantwoordelijk is.” Hij sloeg het boekje open, bij de titel, en hield het onder de neus van de meester. „Kijk hier eens naar, als u wilt. Naar deze letter.”
Hendrik stond bij de pers met de inktballen in zijn handen. Hij kon niet zien waar Mol naar wees. Dat hoefde ook niet.
„De K,” zei Mol. „Van Klacht. Ziet u dat? Een barstje, door het been heen. En hier, achterin.” Hij bladerde. „Kaarderij. Dezelfde K. Hetzelfde barstje.” Hij sloeg het boekje dicht. „Een letter is als een gezicht, meester. Je zou zeggen dat ze allemaal hetzelfde zijn. Maar wie goed kijkt, ziet dat er geen twee gelijk zijn.”
Het was stil in de drukkerij. Arent stond met zijn hand op de arm van de pers en bewoog niet. Dirck keek van Mol naar de meester, met open mond. Geertje stond boven aan de zoldertrap. Hendrik had haar niet horen komen.
„Ik ga alle drukkerijen langs,” zei Mol vriendelijk. „Ik bekijk alle titelletters van deze maat. Dat is veel werk. Er zijn veel drukkers in Leiden. Ik heb er vandaag al drie gedaan, en ik heb er morgen nog vijf. Dan kom ik hier terug, overmorgen vroeg, met een van de heren schepenen. En dan bekijken we uw kasten, meester. Allemaal. Ik weet zeker dat we niets zullen vinden.”
Hij zette zijn hoed op. Bij de deur draaide hij zich nog even om.
„De heer Hogevelt,” zei hij, „heeft een beloning uitgeloofd. Vijftig gulden voor wie de drukker aanwijst. Dat is veel geld voor een gezel of een leerling.” Hij knikte naar de pers, naar Arent, naar Dirck, naar Hendrik. „Goedendag.”
De deur ging dicht.
Hendrik keek naar de kast met de titelletter, tegen de achtermuur. Naar het vakje van de K.
Toen keek hij naar Dirck. Dirck keek niet terug. Dirck keek naar de deur waar Mol door was verdwenen, en zijn ogen waren groot en glanzend, en hij likte langzaam zijn lippen.