Hoofdstuk 5: Nachtwerk
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De eerste nacht drukten ze niets.
Arent liet hem zien wat er moest gebeuren, zonder geluid te maken. Dat was het moeilijkste. Een drukkerij is een lawaaiige plaats: het bonken van de inktballen, het kraken van de pers, het piepen van de slinger. Overdag hoorde Hendrik het niet meer, zoals je het water niet meer hoort als je naast een molen woont. Maar 's nachts, met een slapend huis boven je hoofd, was elk geluid een klok.
Arent had de pers voorbereid. Er lagen lappen om de scharnieren van het tympaan gewikkeld. De schroef had hij ingevet met reuzel, zodat hij gladder draaide. Onder de poten van de pers lagen oude dekens. Hij liet Hendrik zien hoe je de inktballen niet tegen elkaar sloeg maar tegen elkaar wreef, langzamer, zachter, met een geluid als van twee handen die het koud hebben.
„Zachtjes is langzaam,” fluisterde hij. „Langzaam is minder vellen. Dus we hebben meer nachten nodig.”
„Hoeveel?”
„Vier. Vijf. Als het meezit.”
Toen haalde hij de vorm uit de Griekse kast. Hij had hem verpakt in een oude zak die naar meel rook. Twee bladzijden, vastgezet in een ijzeren raam. Hendrik las de gespiegelde titel, met zijn hoofd scheef.
KLACHT der LEYDSCHE WEESKINDEREN.
De grote letters waren van de kast met de titelletter, die de meester gebruikte voor opschriften. De rest was gezet in de gewone romein van de Nederlandse boeken. Arent had het netjes gedaan, met rechte regels en gelijke wit tussen de woorden. Het zag eruit als het werk van een echte drukkerij. Dat was het ook.
„Er staat geen naam onder,” zei Hendrik.
„Natuurlijk niet.”
„Er staat altijd een naam onder. Gedrukt bij Joost Verbrugge, in de Gekroonde Letter.”
„Daarom.”
Ze bleven tot de klok één uur sloeg en Arent zei dat de meester zo thuis kon komen. Hendrik ging terug naar boven. Hij lag wakker tot de ochtend, en toen Dirck hem om zes uur riep, was het alsof hij net zijn ogen had dichtgedaan.
Lucas Brandt kwam de vrijdag erop naar de winkel, met een boek onder zijn arm dat hij zogenaamd wilde laten inbinden.
Hij was ouder dan Hendrik had gedacht toen hij hem die nacht in oktober op de binnenplaats zag. Tweeëntwintig, misschien, met een bleek, ongeschoren gezicht en ogen die nooit stil lagen. Zijn mantel had een scheur bij de schouder, met grove steken dichtgenaaid. Hij praatte snel en zachtjes, en hij lachte op plaatsen waar niets grappigs was.
Vrouw Verbrugge gaf hem een kom soep in de keuken, zoals altijd. Arent kwam binnen om water te halen. Hendrik moest kolen brengen. Een paar minuten waren ze met z'n drieën bij het vuur, terwijl vrouw Verbrugge op de binnenplaats de was binnenhaalde.
„Dus jij bent de wees,” zei Lucas.
„Ik heet Hendrik.”
„Hendrik. Arent zegt dat je Joris kende.”
„Een beetje.”
„Hij kon fluiten op zijn vingers.” Lucas roerde in zijn soep zonder te eten. „Ik heb het hem nooit geleerd. Ik weet niet wie het hem geleerd heeft.”
„Ik,” zei Hendrik.
Lucas keek op. Een tijdje zei hij niets.
„Ik heb nagedacht,” zei Hendrik. Hij had het niet willen zeggen, niet nu, maar de woorden kwamen er toch uit. „Over het pamflet. Ik heb het helemaal gelezen, gisternacht, terwijl Arent de vorm sloot. Het is goed. Het is goed geschreven. Maar het zijn allemaal getallen.”
„Getallen zijn bewijzen,” zei Lucas.
„Ja. Maar de mensen die het lezen, de mensen in de herberg, de vrouwen op de markt. Die weten niet hoeveel een pond boter kost in het groot. Die weten niet wat een legaat is. Ze weten wel hoe een kind eruitziet dat honger heeft.”
Lucas legde zijn lepel neer. „Wat bedoel je?”
„Laat er een kind in praten. Een weeskind. Niet over geld. Over de pap. Over de boter die geel is en geen boter. Over handen.”
Arent stond bij de deur met de emmer. Hij keek naar Hendrik, toen naar Lucas.
„Wie schrijft dat dan?” vroeg Lucas.
„Ik.”
Hij schreef het op de zolder, bij een kaarsstompje, op de achterkant van een misdrukt vel. Het kostte hem drie avonden. Elke keer dat hij een zin had, streepte hij hem weer door, omdat hij klonk als de dominee of als de schoolmeester of als iemand die hij niet was. Pas op de derde avond schreef hij zoals hij praatte, en toen ging het ineens snel.
Wij staan op als het nog donker is. Wij krijgen pap, en daarop drijft iets geels. De binnenvader zegt dat het boter is. Het is geen boter. Wij gaan naar de kaarderij van een heer die over ons gaat, en daar kammen wij wol tot wij de kammen niet meer zien. Er is een jongen bij ons die twaalf jaar is en twee nagels mist. Er was een jongen die op zijn vingers kon fluiten. Die is er niet meer.
Hij liet het aan niemand lezen voordat hij het aan Lucas gaf. Lucas las het in de keuken, met de soep voor zich, en toen hij klaar was, vouwde hij het vel zorgvuldig op en stopte het in zijn wambuis, en hij keek een tijd naar het vuur.
„Het komt op de achterkant,” zei hij. „Na de getallen. Als laatste.”
Hendrik zette het zelf, de woensdagnacht daarop, terwijl Arent de eerste vorm drukte.
Het was de eerste keer dat hij iets zette wat hij zelf had geschreven. Hij merkte dat hij langzamer ging dan anders. Niet omdat het moeilijk was, maar omdat elke letter die hij in de zethaak zette ook een letter was die hij met zijn eigen hand had geschreven, op de zolder, bij de kaars. Het was een vreemd gevoel. Alsof hij zijn eigen woorden een tweede keer opschreef, maar nu voor altijd.
Bij het woord Kaarderij had hij een hoofdletter K nodig. Hij pakte er een uit het vakje en keek ernaar bij de lamp. Het was een grote K, van de titelletter, en er liep een haarfijne barst door het schuine been, van boven naar beneden. Als je niet goed keek, zag je het niet.
„Arent.”
„Wat?”
„Deze K is kapot.”
Arent kwam kijken. Hij hield de letter dicht bij de vlam en draaide hem om.
„Die zit in de titel ook,” zei hij. „Dezelfde. Er zijn er maar twee van die maat, en de andere ligt bij de meester in de Latijnse vorm.” Hij gaf de letter terug. „Niemand ziet het. Het is een haartje.”
„Ik zie het.”
„Jij bent een zetter.” Arent ging terug naar de pers. „Zet hem maar. We hebben geen tijd.”
Hendrik zette hem.
Ze drukten vier nachten. De winter was hard dat jaar; de grachten bleven dicht tot ver in februari, en in de drukkerij was het zo koud dat de inkt op de plaat stijf werd en Arent hem eerst boven een komfoor moest warmen voordat Hendrik hem kon opbrengen. Hun adem besloeg het tympaan. Hendriks vingers werden zo stijf dat hij ze tussen de vellen door onder zijn oksels stak.
Plof. Kraken. Zucht. Maar zachter. Alles zachter.
De vellen hingen ze niet aan de touwen in de drukkerij, maar in de oude turfschuur op de binnenplaats, waar niemand kwam. Lucas had zijn eigen papier gekocht, bij een kramer aan de Vismarkt: grover dan het Franse papier van de meester, grauwer, met een watermerk in de vorm van een klein wapenschild. Zo kon niemand vellen tellen en merken dat er iets ontbrak.
In de derde nacht ging boven een deur open.
Ze verstijfden allebei. Arent had de arm van de pers nog vast. Hendrik stond met de inktballen omhoog, alsof hij iemand wilde slaan.
Voetstappen. Op de trap. Iemand kwam naar beneden.
Arent blies de lamp uit.
Het was pikdonker. Hendrik hoorde de voetstappen de keuken in gaan, het geluid van een kan die in een emmer werd gedompeld, het klokken van water dat werd ingeschonken. Toen niets. Een lange stilte, waarin hij zijn eigen hart hoorde en het druppen van inkt van de bal op zijn voet.
„Is daar iemand?”
Het was Geertje.
Niemand antwoordde. Hendrik hield zijn adem in tot het pijn deed. Na een eeuwigheid hoorde hij haar weer naar boven gaan, langzaam, en de deur ging dicht.
Ze wachtten tot de klok half één sloeg voordat Arent de lamp weer aanstak. Zijn handen trilden. Het was de eerste keer dat Hendrik dat zag.
De volgende ochtend zat Geertje op de zolder met een proef van Kessler toen Hendrik haar het volgende vel bracht. Ze nam het aan zonder op te kijken.
„Je hebt inkt op je oor,” zei ze.
Hendrik voelde eraan. Zijn vingers werden zwart.
„Links,” zei Geertje. „Achter je oor. Daar waar je het niet ziet als je je wast in de tobbe. Ik zag het gisterochtend al.” Ze zette een teken in de kantlijn. „Eergisteren heb je de hele dag in de winkel gestaan, en 's avonds had je schone handen. Dat weet ik, want ik heb gekeken.”
Hendrik zei niets.
Geertje legde haar veer neer en keek hem aan. Ze keek een hele tijd, met haar hoofd een beetje scheef, zoals ze naar een regel keek waarin ze een fout vermoedde maar die ze nog niet had gevonden.
„Ik ga niets vragen,” zei ze ten slotte. „Want als ik iets vraag, moet je liegen of de waarheid zeggen, en ik weet niet welke van de twee ik erger vind.” Ze pakte de veer weer op. „Was je oren beter.”
De laatste nacht vouwden ze. Driehonderd vellen, twee keer gevouwen, zodat er een boekje uit ontstond van acht kleine bladzijden. Lucas was er ook. Hij was over de muur van de binnenplaats geklommen, en hij had zijn hand opengehaald aan een spijker en wikkelde er zijn zakdoek omheen terwijl hij met de andere hand vouwde.
Toen ze klaar waren, lagen er zes bundels op de vloer van de turfschuur, dichtgebonden met touw.
Lucas pakte er een en woog hem in zijn hand.
„Ik ken een schipper die op Den Haag vaart,” zei hij. „En een vrouw die bier tapt in de Gouden Leeuw bij de Hooglandse Kerk. En een knecht van een notaris. En een paar studenten die alles lezen wat verboden is, omdat het verboden is.” Hij lachte, met zijn rare, schokkerige lach. „Over twee dagen ligt het in elke herberg van Leiden.”
Hendrik keek naar de bundels. Hij dacht aan de gebarsten K, die ergens in elk van die driehonderd boekjes stond. Twee keer. Op de titel en op de achterkant, in het woord dat hij zelf had geschreven.
Een haartje, had Arent gezegd. Niemand ziet het.