Hoofdstuk 3: De geleerde uit Heidelberg

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De man die in december de winkel binnenkwam, had sneeuw op zijn hoed en een kist onder zijn arm, en hij sprak Nederlands alsof elk woord een steen was die hij eerst moest optillen.

„Ik zoek de heer Verbrugge. De drukker.”

Hendrik stond achter de toonbank, omdat vrouw Verbrugge naar de markt was en de meester had gezegd dat er altijd iemand in de winkel moest zijn. Hij had nog nooit iemand geholpen. Hij wist niet eens wat de meeste boeken op de planken kostten.

„De meester is achter, heer. Ik zal hem roepen.”

„Wacht.” De man zette de kist op de toonbank en sloeg de sneeuw van zijn hoed. Hij was oud, ouder dan Verbrugge, met een smal grijs gezicht en een baardje dat eruitzag alsof hij het met een schaar had bijgehouden zonder spiegel. Zijn mantel was van goede stof, maar bij de zoom versleten tot op de draad. „Jij bent de leerling?”

„Een van de twee, heer.”

„Kun je Latijn lezen?”

„Nee, heer. Een beetje. Wat in de kerk wordt gezegd.”

De man knikte, alsof dat precies het antwoord was dat hij had verwacht en hij er niet door teleurgesteld was. „Dat is jammer. Maar je bent jong. Roep je meester maar.”


Hij heette Matthias Kessler en hij kwam uit Heidelberg, in de Palts. Dat hoorde Hendrik later die middag, toen hij met een kan bier en twee kroezen de kleine kamer achter de winkel binnenkwam, waar de meester zijn klanten ontving. Hij zette het bier neer en bleef zo lang mogelijk bij de deur staan.

„Twaalf jaar geleden,” zei Kessler, „kwamen de troepen van de Liga de stad in. Tilly's mannen. U weet het.”

„Ik heb ervan gehoord,” zei Verbrugge.

„De stad hebben ze geplunderd. Dat doen soldaten, dat weten we, daar huilt een oud mens niet meer om. Maar de bibliotheek.” Kessler legde zijn hand plat op de kist. „De bibliotheek van de keurvorst, in de Heilige Geestkerk. Duizenden handschriften. Grieks, Latijn, Hebreeuws, Duits. Boeken die nergens anders op de wereld bestonden. Ik heb er vijftien jaar gewerkt. Ik kende de planken zoals u uw letterkast kent.”

„En die is weg,” zei Verbrugge zacht.

„Ingepakt in kisten. Op karren gezet, over de Alpen gebracht. Naar Rome, als cadeau voor de paus. De hertog van Beieren wilde de paus een plezier doen, en wat geeft een man die alles heeft gestolen? Wat een ander het liefst had.” Kessler maakte de kist open. „Ik ben gevlucht, eerst naar Straatsburg, toen naar hier. En in al die jaren heb ik opgeschreven wat ik nog weet. Elke titel. Elk handschrift. Waar het stond, hoe het eruitzag, welke geleerde het had gelezen. Zodat niemand kan zeggen dat het nooit heeft bestaan.”

In de kist lagen schriften. Tientallen, dicht beschreven, met ezelsoren en vlekken.

Verbrugge pakte er een uit en bladerde erin. Hij was lang stil.

„Waarom komt u bij mij?” zei hij ten slotte. „Er zijn grotere drukkers in deze stad. De Elzeviers zitten om de hoek van de Academie. Zij drukken voor de hele geleerde wereld.”

„De Elzeviers drukken wat verkoopt,” zei Kessler. „Kleine boekjes over republieken, voor in de zak van een reiziger. Prachtig werk, dat geef ik toe. Maar ze hebben mij beleefd gezegd dat een lijst van verloren boeken niemand interesseert.” Hij glimlachte, droog. „En de heer Daniel Heinsius heeft mij gezegd dat u een man bent die ook iets drukt omdat het waar is, en niet alleen omdat het geld oplevert. Of dat een compliment is, weet ik niet. Ik heb besloten het zo op te vatten.”

Verbrugge lachte. Toen zag hij Hendrik bij de deur staan.

„Hendrik. Is de vloer geveegd?”

„Ja, meester.”

„Veeg hem nog eens.”


Ze werden het eens, die middag of de dagen erna; Hendrik wist niet precies wanneer. Hij wist alleen dat Kessler een week later weer terugkwam, met het eerste schrift in het net overgeschreven, en dat Verbrugge Dirck aan een nieuwe letterkast zette, met een kleinere letter dan hij gewend was, en dat er papier werd besteld bij een koopman in Amsterdam die het uit Frankrijk liet komen.

En hij wist dat hij de proeven moest brengen.

Kessler woonde op het Rapenburg, in een achterkamer van een huis aan de overkant van de Academie. Het Rapenburg was de deftigste gracht die Hendrik kende, met bomen langs het water en gevels van baksteen met zandstenen versieringen. In de winter waren de bomen kaal, en het water was bevroren aan de randen, zodat de eenden in het midden bij elkaar kropen en klaaglijk naar de wal keken.

Elke keer als hij er liep, kwam hij langs het gebouw van de Academie. Studenten stonden er in groepjes, met hun lange mantels en hun hoeden, en ze praatten Latijn en Frans en Engels en talen die Hendrik niet eens kon thuisbrengen. Een keer zag hij twee jongens met een opengeslagen boek op een paaltje bij het water staan, ruziënd over één zin, en de ene sloeg de andere met zijn handschoen in het gezicht. Daarna gingen ze samen naar een herberg.

Kesslers kamer was klein en koud. Er stond een bed, een tafel, een stoel en een kist. Er was geen enkel boek. Dat viel Hendrik de eerste keer meteen op.

„Ze zijn allemaal weg,” zei Kessler, toen hij zag waar Hendrik naar keek. „Wat de soldaten niet meenamen, heb ik verkocht om te kunnen eten. Een geleerde zonder boeken. Dat is als een drukker zonder letters.” Hij pakte de proeven aan, legde ze op tafel en zette er een bril op zijn neus bij. „Ga zitten. Ik ben in een kwartier klaar, en dan kun je de verbeteringen meteen terugbrengen.”

Hendrik ging op de kist zitten. Hij keek naar Kessler, die met een veer langs de regels ging, mompelend, soms een woord hardop zeggend. Na een tijd zei hij, zonder op te kijken:

„Wat staat daar? Bovenaan.”

Hendrik keek naar het vel. Bibliotheca amissa.

„Ik weet het niet, heer.”

„Bibliotheca. Dat weet je.”

„Bibliotheek.”

„Goed. Amissa. Dat is verloren. Niet verloren zoals je een sleutel verliest. Verloren zoals je een vriend verliest.” Kessler keek op over zijn bril. „Wil je Latijn leren, jongen?”

Hendrik wist niet wat hij moest zeggen. In het weeshuis leerden de jongens lezen, schrijven, rekenen en de catechismus. Latijn was voor de zonen van regenten en dominees. Voor jongens die naar de Latijnse school gingen en daarna naar de Academie, in lange zwarte mantels.

„Ik heb geen geld, heer.”

„Ik heb geen boeken. We zijn allebei arm. Maar ik heb iemand nodig die voor me naar de markt gaat als het glad is, want ik ben oud en mijn heup is niet meer wat hij was. En jij hebt iemand nodig die je leert wat er op de vellen staat die je zet. Dat lijkt me een goede ruil.”

„Ik moet het aan de meester vragen.”

„Natuurlijk.” Kessler pakte de veer weer op. „Vraag het hem. Zeg dat de heer Kessler zich zorgen maakt over het aantal fouten dat in de vorm komt als de zetter niet weet wat hij zet. Dat zal hem overtuigen.”


Verbrugge vond het goed. Twee avonden in de week, na het werk, mocht Hendrik naar het Rapenburg. Dirck zei dat het verspilde tijd was en dat het weeshuis nog eens bezoek zou krijgen van een wees die zich voor een student hield. Geertje zei niets, maar de volgende ochtend lag er op Hendriks letterkast een klein, oud boekje met een afgescheurde rug. Een Latijnse grammatica. Op het schutblad stond in kinderlijke letters: Geertje Verbrugge, haar boek, 1628.

Hij vroeg haar er niet naar. Hij wist niet hoe. Maar 's avonds, op zolder, las hij het tot de kaars op was.


Op de tweede zondag van december ging hij naar het weeshuis.

Het had gevroren. De grachten lagen dicht, en op het ijs van de Oude Rijn schaatsten mensen, kinderen met een stoel om zich aan vast te houden, jongemannen die achter meisjes aan zwierden. Iemand verkocht warm bier met kruiden vanaf een slee. Hendrik had nog drie stuivers over van zijn kwartje en kocht er niets van. Hij had ze nodig.

De binnenplaats van het weeshuis was leeg en wit. In de grote zaal zaten de kinderen te wachten op het middageten, de jongens aan de ene kant, de meisjes aan de andere, in hun grove weeshuiskleren. Tijs zat aan het eind van de derde tafel.

Hendrik ging naast hem zitten. Niemand zei er iets van; de binnenvader kende hem nog.

„Je bent gekomen,” zei Tijs.

„Ik zei toch dat ik zou komen.”

Hij legde iets op de tafel, verborgen onder zijn hand. Een stuk krentenbrood, dat vrouw Verbrugge hem die ochtend had gegeven. Tijs keek ernaar en stopte het meteen in zijn mouw, zo snel dat Hendrik het bijna niet zag.

Toen zag Hendrik zijn handen.

Ze waren rood en opgezwollen. Over de knokkels liepen kloven, zwart van het vuil, en tussen de vingers zaten korsten. Twee nagels waren weg.

„Tijs.”

„Het is niks.”

„Het is wel wat.”

Tijs trok zijn handen onder de tafel. „We werken nu tot het donker wordt. Ook op zaterdag. De meester van de kaarderij zegt dat de heer Hogevelt een grote bestelling heeft. Uit Frankrijk, of zo.” Hij keek naar de lege kom voor zich. „En er is minder eten. Vroeger kregen we op dinsdag en donderdag vlees. Nu alleen op donderdag. En de boter is…” Hij zocht naar een woord. „Het is geen boter meer. Het is iets geels.”

„Weet de binnenvader dat?”

„De binnenvader zegt dat we niet moeten klagen. Dat er mensen zijn die helemaal niks hebben.”

Er ging een deur open aan het eind van de zaal. Het werd stil, op een manier die Hendrik zich herinnerde in zijn botten. Alle kinderen stonden op. Hendrik stond ook op.

Er kwamen drie heren binnen, in zwart laken met witte kragen. Twee kende Hendrik niet. De derde wel.

Adriaen Hogevelt was een lange man, mager, met een smal hoofd en een snor die aan de punten was opgedraaid. Hij droeg handschoenen van geel leer en hield ze aan, ook binnen. Hij liep langs de tafels, keek naar de kommen, naar de kinderen. Bij een klein meisje bleef hij staan en tilde met één vinger haar kin op.

„Gezond,” zei hij tegen een van de andere heren. „Ze zien er gezond uit. De zorg in dit huis is uitstekend.”

De heren knikten. Ze liepen verder. Bij de derde tafel bleef Hogevelt nog even staan, en zijn ogen gleden over de jongens, en bleven op Hendrik rusten.

„Jij hoort hier niet meer.”

„Nee, heer. Ik ben leerling. Bij de drukker Verbrugge.”

„Ah.” Hogevelt bekeek hem, zijn schone hemd, zijn gekamde haar. „Dan heb je geluk gehad. Vergeet niet wie je dat te danken hebt.”

Toen liep hij verder, en de deur ging dicht, en de kinderen gingen weer zitten, en de pap werd binnengedragen. Er dreef iets geels op.

Hendrik keek naar Tijs, die zijn rode handen om de kom had gevouwen om ze te warmen. Hij dacht aan het vel papier onder de werkbank van Arent. Aan de dichte, schuine letters. Aan de naam.

Toen hij die avond terugkwam in de Pieterskerkchoorsteeg, ging hij niet naar de zolder. Hij ging naar de binnenplaats, waar Arent water stond te putten voor de volgende dag, en hij wachtte tot de emmer boven was.

„Ik heb het gelezen,” zei hij. „Onder je werkbank. Ik weet wat het is.”

Arent zette de emmer neer. Hij keek naar het huis, naar de ramen. Toen naar Hendrik.

„Kom morgen niet naar het Rapenburg,” zei hij. „Kom hier. Na het eten. Dan praten we.”