Hoofdstuk 2: Zwart als roet

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Lijnolie,” zei Arent, „moet branden voordat ze inkt mag worden.”

Ze stonden op de binnenplaats, achter de drukkerij, in de kou van een novemberochtend. Op een ijzeren driepoot stond een ketel, en onder de ketel brandde een vuur van turf en oude latten. In de ketel lag de olie, goudgeel en traag. Hendrik keek ernaar en zag zijn eigen gezicht erin, vervormd en wiebelend.

Het was de eerste keer dat Arent hem iets uitlegde zonder dat de meester erbij stond. In de drie weken sinds Hendrik was gekomen, had de gezel misschien honderd woorden tegen hem gezegd, en de meeste daarvan waren nee, opnieuw en goed zo. Het laatste woord hoorde Hendrik het liefst, en het minst.

„Waarom moet ze branden?”

„Omdat rauwe olie niet droogt. Ze blijft kleven. Dan smeert je druk uit en vreet de olie door het papier heen, zodat je een gele rand krijgt om elke letter. Na een jaar kun je zo'n boek niet meer lezen.” Arent porde in het vuur. „Achteruit.”

Hendrik deed een stap terug. De olie begon te roken. Eerst een dunne draad, toen meer, een gelige walm die naar verbrande vis en kerkkaarsen rook. Arent pakte een brandende lat uit het vuur en hield hem boven de ketel.

Met een zachte woef vatte de olie vlam.

Het vuur stond een el hoog boven de rand. Hendrik voelde de hitte op zijn wangen. Arent keek ernaar met een kalm gezicht, zoals een boer naar een koe kijkt die kalft. Hij telde zachtjes. Bij dertig pakte hij een zware houten deksel en legde die op de ketel. Het vuur doofde. De rook kwam onder de rand vandaan, dik en zwart.

„Nu is ze half,” zei Arent. „We doen het nog twee keer. Daarna laten we haar koken tot ze is als honing. Als je er een druppel van tussen je vingers neemt en je trekt ze uit elkaar, moet er een draad blijven staan. Dun als een haar.”

„En dan?”

„Dan het zwart.” Arent knikte naar een pot op de vensterbank. Erin zat een fijn, donker poeder, zo licht dat het bij elke ademhaling leek te bewegen. „Lampzwart. Roet van brandende hars. Geertje haalt het bij de man op de Langebrug die het maakt. Hij is zelf ook zo zwart. Zijn vrouw zegt dat ze nooit weet of hij thuis is tot hij zijn mond opendoet.”

Het was de eerste keer dat Hendrik Arent een grap hoorde maken. Hij lachte, en Arent keek hem verbaasd aan, alsof hij niet had verwacht dat het zou werken. Toen glimlachte hij ook, heel even.


Het mengen deden ze binnen, op een marmeren plaat bij de pers. Arent schepte een berg zwart poeder op de plaat, maakte er een kuiltje in en goot daar wat van de gekookte olie in. Toen gaf hij Hendrik een platte stenen wrijver.

„Draaien. In rondjes. Tot er geen korrel meer in zit. Als je denkt dat je klaar bent, draai je nog een half uur.”

Het was zwaarder dan deeg kneden. Het zwart stoof op toen hij te hard begon, en binnen een paar minuten zat het in zijn neus, zijn wenkbrauwen, de kraag van zijn hemd. Hij nieste, en een wolkje roet vloog over de plaat. Dirck, aan zijn letterkast, grinnikte.

„Het weeshuis heeft ons een schoorsteenveger gestuurd,” zei hij hardop. „Daar hebben we lang op gewacht.”

Hendrik zei niets. Hij draaide. Na een uur werd het zwart glanzend, en toen dik en gelijkmatig, als natte zwarte zijde. Zijn armen deden pijn tot in zijn schouders. Arent kwam kijken, nam wat inkt op een vingertop, wreef het tussen duim en wijsvinger en knikte.

„Goed zo.”

Hendrik had van blijdschap wel tien keer kunnen niezen.


's Middags mocht hij voor het eerst inkten.

De inktballen waren twee halve bollen van leer, vol gestopt met paardenhaar en vastgespijkerd op een houten handvat. Ze leken op de knotsen die de wilden hebben in de prentboeken over Brazilië, vond Hendrik, maar dan zachter. Je drukte ze op de marmeren plaat, op een dunne laag inkt, en dan sloeg je ze tegen elkaar, zachtjes, steeds weer, tot de inkt gelijkmatig over het leer verdeeld was.

„Niet te veel,” zei Arent. „Niet te weinig. Te veel en de letters lopen dicht, dan worden de e's en de a's zwarte vlekken. Te weinig en het woord wordt grijs, dan lijkt het of het boek oud is voordat het is ingebonden.”

In de pers lag de vorm. Het was een ijzeren raam, vastgezet met houten wiggen, en daarin stonden de letters van twee pagina's, de ene naast de andere. Hendrik kon ze gespiegeld lezen, langzaam. Het was Latijn. Een of ander gedicht, dacht hij, met korte regels en veel hoofdletters.

Hij sloeg de ballen op de vorm. Tok, tok, tok. Over de hele pagina, in een patroon dat Arent hem voordeed: van links naar rechts, van boven naar beneden, dan nog een keer schuin. De letters werden glanzend zwart.

Arent legde een vel vochtig papier op het tympaan, het houten raam met het gespannen perkament. Hij klapte er een tweede raam overheen, met uitgesneden gaten, zodat alleen het papier boven de letters zichtbaar bleef. Toen klapte hij het geheel op de vorm, draaide een slinger, zodat de plaat onder de schroef schoof, en trok aan de arm.

Plof. Kraken. Hij draaide de plaat verder en trok nog eens, voor de tweede helft. Plof. Kraken. Hij draaide terug, klapte open, en tilde het vel van de letters.

Zucht.

Op het papier stonden twee pagina's Latijn, zwart en scherp, met een lichte glans. Hendrik keek ernaar. Het was hetzelfde gedicht als in de vorm, maar nu de goede kant op. Hij had geholpen het te maken.

„Gaat het?” vroeg Arent.

Hendrik knikte. Hij durfde niets te zeggen, omdat hij bang was dat zijn stem zou overslaan.


Geertje zat de rest van de middag op de zolder met de proeven. Hendrik moest haar de vellen brengen, zodra ze uit de pers kwamen, en dat deed hij vaker dan nodig was.

De zolder was haar domein. Er stond een tafel bij het raam, met een kaars, een inktpot en een stapel woordenboeken. Grieks, Latijn, Frans. Een bijbel in een zware band. Een boek met de titel Thesaurus, dat zo dik was dat het nooit dicht bleef.

„Mijn vader leest de proeven van de Latijnse boeken zelf,” zei ze, zonder op te kijken van haar vel. „Of Lucas doet het. Maar de Nederlandse doe ik. En het Frans. Ik heb Frans geleerd van een dominee uit Sedan die hier twee jaar heeft gewoond.”

„Wie is Lucas?”

„Een student. Hij helpt vader met de correcties als we iets geleerds drukken. Hij is arm, dus hij doet het voor weinig geld en veel soep.” Ze zette met haar veer een teken in de kantlijn. Een klein haakje, met een streepje erdoor. „Zie je dat?”

Hendrik boog zich over haar schouder. In de tekst stond: wijlen de heerr van Wassenaer.

„Dubbele r,” zei hij.

„Goed. Dat haakje betekent weg ermee. Dit,” ze tekende een ander teken, „betekent omkeren, als een letter op zijn kop staat. Dat gebeurt vaker dan je denkt. Vooral bij de n en de u.” Ze keek op. „Ga zitten. Lees de volgende pagina. Hardop.”

Hij las. Het was een tekst over de zeehandel, saai, met lange zinnen over vrachtbrieven en assurantie. Hij las langzaam en zorgvuldig. Bij de vierde regel hield hij op.

„Hier staat schippres.”

Geertje keek. Ze keek nog eens, en toen naar hem.

„Dat had ik twee keer gelezen,” zei ze. „Ik had het niet gezien.”

„Je leest wat je verwacht,” zei Hendrik. „Dat zei je vader.”

„Mijn vader zegt veel.” Maar ze schoof de kaars een stukje zijn kant op. „Lees maar door.”

Ze lazen samen tot het donker werd. Hendrik vond nog vier fouten. Geertje vond er zes. Toen vrouw Verbrugge naar boven riep dat het eten klaarstond, was het de eerste keer sinds hij uit het weeshuis was vertrokken dat hij vergeten was dat hij honger had.


Dirck wachtte hem op onder aan de trap.

„Zo,” zei hij. „De wees zit op de zolder bij de dochter.”

„Ik las proeven.”

„Ik las proeven,” deed Dirck hem na, met een hoog, dom stemmetje. Hij ging dichter bij Hendrik staan. Hij was een half hoofd groter en breder in de schouders, en zijn adem rook naar ui. „Luister. Ik ben hier drie jaar. Ik word gezel over een jaar of twee, en dan word ik meester, en als het meezit trouw ik met Geertje en krijg ik deze drukkerij. Dat is hoe het gaat. Jij bent een weesjongen van een kwartje. Jij veegt de vloer.”

Hendrik zei niets. Hij had in het weeshuis geleerd dat er jongens waren tegen wie je beter niets kon zeggen, omdat elk woord in hun handen een stok werd.

„Hoor je me?”

„Ik hoor je.”

Dirck duwde hem tegen de muur. Niet hard. Net hard genoeg. Toen liep hij naar de keuken, waar vrouw Verbrugge de erwtensoep schepte, en zei met een andere stem, een vriendelijke stem, dat het er heerlijk rook.


Het werd een week later dat Hendrik het vond.

Het was zaterdagavond. De meester was naar een vergadering van het boekverkopersgilde, Dirck was bij zijn moeder in de Kaarsenmakerssteeg, en Arent had gezegd dat hij een vriend ging opzoeken. Vrouw Verbrugge en Geertje zaten in de keuken te naaien. Hendrik moest de drukkerij vegen.

Hij veegde zorgvuldig, want op de vloer lagen altijd letters die waren gevallen zonder dat iemand het merkte, en een letter in het vuilnis was geld in het vuilnis, zei de meester. Hij veegde onder de pers, onder de letterkasten, en ten slotte onder de werkbank van Arent, die in de hoek stond, naast het raam.

Er zat een plank onder de bank die een beetje los zat. Hendrik had dat al eerder gezien, maar nooit aandacht aan geschonken. Nu stootte hij er met de bezem tegenaan, en de plank schoof een stukje opzij.

Er lag papier achter.

Hij wilde de plank terugduwen. Dat wilde hij echt. Maar het papier was niet zomaar papier. Het was handschrift, met bruine inkt, in een snelle, schuine hand, en het bovenste vel was een stukje naar voren gegleden, en hij las het eerste woord voordat hij kon besluiten het niet te lezen.

Het woord was Weeskinderen.

Hij trok het vel eruit. Hij hield het bij het laatste licht van het raam.

Klacht der Leydsche Weeskinderen, stond er bovenaan. Aan de Edele Heeren Burgemeesteren en Vroedschap deser Stede, ende aan alle goede Burgers die ogen hebben om te zien.

Daaronder een tekst, dicht beschreven, met doorhalingen en verbeteringen in de kantlijn. Hendrik las een paar regels. Toen een paar meer. Zijn hart begon te bonzen, zo hard dat hij het in zijn oren hoorde.

Er stond een naam in. Een naam die hij kende, die iedereen in het weeshuis kende, die de jongste kinderen fluisterden als ze elkaar bang wilden maken.

Adriaen Hogevelt.

De keukendeur ging open. Hendrik schoof het vel terug, zette de plank op zijn plaats en begon te vegen, zo hard dat het stof opvloog.

„Ben je nog niet klaar?” vroeg vrouw Verbrugge.

„Bijna, moeder,” zei Hendrik.

Het was de eerste keer dat hij haar zo noemde. Ze bleef even in de deuropening staan. Toen zei ze dat er nog een kom soep voor hem was, als hij klaar was, en ze ging weer naar binnen.

Hendrik veegde door. Zijn handen trilden, en een zetter met trillende vingers, wist hij, was een ramp.