Hoofdstuk 1: De letterkast
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het hek van het weeshuis piepte zoals het altijd piepte, maar deze keer stond Hendrik Jansz aan de verkeerde kant ervan.
Hij had een bundel onder zijn arm: twee hemden, een paar kousen met gestopte hielen, een kam met zes tanden minder dan toen hij hem kreeg. Meer bezat hij niet. De binnenmoeder had hem bij de poort een kwartje in zijn hand gedrukt en gezegd dat hij God moest danken en zijn meester moest gehoorzamen, in die volgorde.
Tijs stond nog bij het hek. Hij was twaalf en klein voor zijn leeftijd, met oren die van zijn hoofd af stonden als de hengsels van een kan. Zijn handen had hij in zijn mouwen getrokken. Hendrik wist waarom. De vingers van iedereen die in de kaarderij werkte, zaten vol kleine wondjes van de ijzeren tanden waarmee de wol werd uitgekamd.
„Je komt toch terug?” vroeg Tijs.
„Op zondag. Na de kerk.”
„Elke zondag?”
„Als mijn meester het goedvindt.”
Tijs knikte, alsof hij al wist dat meesters zelden iets goedvonden. Toen draaide hij zich om en liep terug over de binnenplaats, tot hij om de hoek van de bakkerij verdween.
Het was oktober 1634. Er lag een grijze lucht over Leiden, zo laag dat de torenspits van de Pieterskerk erin leek te prikken. Hendrik liep door de stegen naar het zuiden, over de Breestraat, waar een visvrouw ruzie maakte met een knecht over een omgevallen emmer. Paling glibberde over de keien. Een hond keek ernaar en durfde niet.
Hij wist de weg. Drie keer was hij erlangs gelopen in de week ervoor, alleen om te kijken. De Pieterskerkchoorsteeg was smal en donker, met huizen die naar elkaar toe bogen alsof ze iets wilden fluisteren. Halverwege hing een uithangbord van geschilderd hout: een kroon, en daaronder een grote, gouden letter A. Het verguldsel was op sommige plekken afgebladderd. In de Gekroonde Letter, stond eronder.
Hendrik bleef staan. Hij hoorde iets van binnen, een regelmatig geluid: een zware plof, een kraken van hout, een zucht. Plof, kraken, zucht. Het klonk als een groot dier dat sliep.
Hij klopte aan.
De vrouw die opendeed, droeg een schort vol zwarte vegen en had een stuk brood in haar hand. Ze bekeek hem van zijn klompen tot zijn haar.
„Jij bent de jongen van de weesmeesters.”
„Hendrik Jansz, vrouw.”
„Marijtje Verbrugge. Je zegt vrouw Verbrugge tegen mij waar mensen bij zijn, en moeder als je er zin in hebt. Na een maand wil iedereen het, want ik kook beter dan het weeshuis.” Ze stapte opzij. „Veeg je voeten. Mijn man houdt niet van modder in de drukkerij. Papier vergeeft niets.”
Binnen rook het naar iets wat Hendrik nooit eerder had geroken. Olie, maar niet de olie van de lampen. Iets zwaarders, met een geur van verbrand hout erin. En daaronder papier: een droge, schone geur, als van linnen dat in de zon heeft gehangen.
De voorkamer was een winkel, met boeken op planken, de meeste nog in losse katernen met een touwtje erom. Een deur leidde naar achteren, en daar kwam het geluid vandaan.
De drukkerij was groter dan hij had verwacht. Het licht viel door twee hoge ramen aan de achterkant, die uitkeken op een binnenplaatsje met een put. Langs de muren stonden schuine kasten vol kleine vakjes. Aan touwen onder het plafond hingen vellen papier te drogen, honderden, als wasgoed van een reus. En in het midden stond de pers.
Hij was van eikenhout, zwart van jaren inkt, twee keer zo hoog als een man, met een grote schroef in het midden en een lange arm opzij. Een man met opgestroopte mouwen trok aan die arm, met zijn hele gewicht, zodat zijn voet van de vloer kwam. Plof. Hij liet los. Kraken. Toen schoof hij een plaat onder de pers vandaan, klapte een houten raam open en tilde er voorzichtig een vel papier af. Zucht. Dat was de zucht: het geluid van nat papier dat loskwam van de letters.
„Arent,” zei vrouw Verbrugge. „Dit is de nieuwe.”
De man hing het vel aan een stok, keek over zijn schouder en knikte één keer. Hij had een smal gezicht en handen die tot aan de polsen zwart waren. Hij zei niets. Hij pakte het volgende vel.
„Arent Pietersz is onze gezel,” zei vrouw Verbrugge. „Hij praat alleen als hij iets te zeggen heeft. Daar zit Dirck.”
Aan een van de schuine kasten stond een jongen van zestien of zeventien, met krullend rood haar en een vlassige poging tot een snor. In zijn linkerhand had hij een metalen staafje met een opstaande rand. Met zijn rechterhand plukte hij iets uit de vakjes, zo snel dat Hendrik het niet kon volgen, en zette het in het staafje.
„Nog een wees,” zei Dirck zonder op te kijken. „We hadden al een kat.”
„Dirck Claesz,” zei vrouw Verbrugge op dezelfde toon als waarop ze het weer zou noemen. „Hij is leerling in zijn derde jaar en hij denkt dat dat iets betekent. Geertje!”
Er klonk een stem van boven, van de trap die naar een zolder leidde. „Ik ben bezig!”
„Kom naar beneden en zeg goedendag.”
Er klonken voetstappen, en toen verscheen er een meisje onder aan de trap met een vel papier in haar hand en een ganzenveer achter haar oor. Ze was misschien een jaar ouder dan Hendrik, met donker haar onder een witte muts en een vlek inkt op haar kin waar ze kennelijk niets van wist.
„Goedendag,” zei ze. Ze keek naar zijn bundel, toen naar zijn gezicht. „Kun je lezen?”
„Ja.”
„Goed lezen? Of zo lezen als de jongens uit het weeshuis lezen, met je vinger onder de regel?”
„Geertje,” zei haar moeder.
„Als hij goed kan lezen, kan hij me helpen met de proeven.”
„Ik lees goed,” zei Hendrik. Dat was waar. De schoolmeester van het weeshuis had hem laten voorlezen toen de regenten kwamen, en hij had geen woord verkeerd gezegd.
Geertje haalde de veer achter haar oor vandaan en tikte ermee tegen het vel. „Dat zullen we zien,” zei ze, en ze ging weer naar boven.
Meester Joost Verbrugge kwam pas tegen het middaguur thuis. Hij was een stevige man met een grijzende baard en een buik die tegen zijn wambuis duwde. Hij hing zijn hoed aan een spijker, waste zijn handen in een tobbe bij de deur en kwam bij Hendrik staan.
„Laat je handen zien.”
Hendrik hield ze voor zich uit. De meester draaide ze om, bekeek de palmen, de vingertoppen.
„Geen kaardewondjes.”
„Ik heb in de bakkerij gewerkt, meester. Bij het weeshuis.”
„Dat is te zien. Een zetter met trillende vingers is een ramp.” Hij liet de handen los. „Weet je waarom ik je heb genomen?”
Hendrik schudde zijn hoofd.
„De schoolmeester schreef dat je nooit een letter overslaat. Niet bij het lezen en niet bij het schrijven. Dat is zeldzaam. De meeste mensen lezen wat ze verwachten, niet wat er staat.” Hij liep naar een van de schuine kasten en klopte op de rand. „Kom hier.”
Het was een letterkast. De kast bestond uit twee bakken, de ene boven de andere, schuin geplaatst zoals een lessenaar. In de vakjes, grote en heel kleine, lagen letters. Kleine staafjes metaal, grijs en een beetje vettig, met aan het uiteinde een spiegelbeeld van een letter.
„De bovenkast,” zei Verbrugge, en hij wees op de bovenste bak. „Hoofdletters. Kleine hoofdletters. Leestekens die we zelden nodig hebben. De onderkast.” Hij wees naar beneden. „Alles wat je de hele dag gebruikt. Zie je dat de vakjes niet even groot zijn?”
Hendrik keek. Het vakje in het midden was het grootst. Daarnaast waren er een paar bijna even grote.
„De e,” zei Verbrugge. „In het Nederlands is de e koning. Je hebt er meer van nodig dan van alle andere. Dan de n, de a, de t. De q ligt achteraan, want een Hollander heeft hem bijna nooit nodig.”
Hij pakte een letter uit het grote vakje en legde hem in Hendriks hand. Het staafje was zwaarder dan het eruitzag. Aan het eind zat een kleine e, verkeerd om.
„Alles is gespiegeld,” zei Verbrugge. „Je leest van rechts naar links, en je went eraan. Dit is een zethaak.” Hij gaf hem het metalen staafje met de rand, hetzelfde dat Dirck vasthield. „Links in je hand. Duim hier. De letters zet je erin met het inkepinkje naar boven, zo, dan weet je dat ze goed staan zonder te kijken.”
Hij liet het hem één keer zien. Zijn dikke vingers bewogen tussen de vakjes heen en weer alsof ze er zelf de weg wisten, en binnen een paar tellen stond er een woord in de zethaak. Hendrik boog zich eroverheen en las het gespiegeld, moeizaam: LEYDEN.
„Nu jij. Je eigen naam.”
Het duurde lang. Hij zocht de H in de bovenkast en vond hem pas na de G en de I. De e was makkelijk. De n zat ergens anders dan hij dacht. Bij de d greep hij een b, want van achteren gezien waren ze hetzelfde, en Verbrugge zei niets, maar Hendrik zag het zelf toen hij de letter omdraaide en hij legde hem terug met een rood hoofd.
Hendrik. Zeven letters. Het had hem langer gekost dan het brood van de hele ochtend in het weeshuis.
„Morgen gaat het sneller,” zei Verbrugge. „En overmorgen weer. Dirck, laat hem zien hoe je een regel uitvult.”
Dirck kwam erbij staan, zuchtend alsof hem gevraagd werd een os op te tillen. Hij liet zien hoe je tussen de woorden kleine stukjes metaal zette die geen letter droegen, spaties, zodat elke regel precies even lang werd. Toen Hendrik iets vroeg, zei hij: „Dat zie je vanzelf wel,” en liep terug naar zijn eigen kast.
Hendrik zette regels tot de schemering kwam. Hij zette het onzevader, omdat hij dat helemaal uit zijn hoofd kende. Tegen de tijd dat vrouw Verbrugge riep dat de soep op tafel stond, had hij twaalf regels in de haak, en zijn vingertoppen waren grijs van het lood.
Toen hij de haak wilde neerzetten, gleed zijn duim weg.
De regels kantelden. Een ogenblik lang hield het metaal zichzelf nog vast, en toen viel het, met een geluid als van hagel op een dak, over de rand van de kast en op de vloer. Letters rolden onder de pers, onder de kast, tussen de planken.
Het werd stil in de drukkerij.
Dirck begon te lachen. Arent niet. Arent kwam naar hem toe, zakte door zijn knieën en begon met zijn zwarte vingers de letters bij elkaar te rapen, één voor één.
„Een pastei,” zei hij zacht. Het was het eerste wat hij tegen Hendrik zei. „Zo heet dat. Iedereen maakt er een. Ik maakte er drie in mijn eerste week.” Hij legde een handvol letters in Hendriks handen. „Je zoekt ze allemaal terug. En je legt ze in het goede vakje. Allemaal.”
Het duurde tot na de soep, en Hendriks soep was koud toen hij eraan toekwam.
Hij sliep op de zolder boven de drukkerij, tussen stapels onbedrukt papier, op een stromatras dat vrouw Verbrugge die middag had opgeschud. Dirck sliep in een bedstee beneden, naast de keuken. Hendrik was blij dat ze niet dezelfde ruimte deelden.
Het was koud op zolder, maar hier waren geen zestig andere jongens die hoestten en in hun slaap praatten. Er was alleen de regen op de dakpannen.
Hij kon niet slapen. Zijn hoofd was te vol. Letters, vakjes, gespiegelde woorden. Hij zag ze als hij zijn ogen dichtdeed.
Na een tijd hoorde hij iets beneden. Een deur. Voetstappen op de binnenplaats.
Hendrik kroop naar het kleine raam in de gevel. Door het glas, dat bobbelig was en groen getint, zag hij het binnenplaatsje. Bij de achterpoort stond een lantaarn. In het licht ervan zag hij Arent, in zijn hemd, met een jas om zijn schouders. Tegenover hem stond een jongeman in een lange zwarte mantel, zoals de studenten van de universiteit droegen. Hij had iets onder zijn arm. Een pak papier, dichtgebonden met touw.
Ze praatten zacht. Toen gaf de student het pak aan Arent, en Arent stopte het onder zijn jas. Ze keken allebei even om zich heen, naar de ramen van het huis. Naar de zolder.
Hendrik dook weg.
Toen hij weer durfde te kijken, was de lantaarn uit en het binnenplaatsje leeg. Alleen de regen viel nog, in het water van de put.