Hoofdstuk 9: Het gesprek
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Ze lachte niet.
Ze las het schrift die nacht in één keer uit, onder haar dekbed, met de zaklamp van haar telefoon. Het handschrift van haar vader was schuin en haastig, met hier en daar een woord dat zo vaak was doorgekrast dat het papier was gescheurd. Er stonden teksten in over de Maashaven en over de Kuip op een wedstrijddag. Over een jongen uit de straat die was weggegaan en niet was teruggekomen. Over zijn vader en diens kapotte rug.
Op een van de laatste bladzijden stond een tekst zonder titel.
Ze zeggen: jongen, wat wil je worden / ik zeg: wakker / ze lachen, ze denken dat ik grappig ben / ik ben niet grappig, ik ben moe / van dromen die ik niet mag hebben.
Eronder stond een datum, in 1995. Haar vader was toen achttien geweest. Een jaar ouder dan zij nu.
Ze legde het schrift onder haar kussen.
Het gesprek over Ilyas was op donderdag twaalf maart, om half vier, in de vergaderkamer van school.
„Ik wil dat jij meegaat,” had haar moeder gezegd, een paar dagen eerder, bij de afwas. Het was de eerste keer sinds de foto dat ze haar iets vroeg wat niet over melk of sokken ging. „Je vader moet werken, hij kon niet ruilen. En jij zit in dat gebouw. Jij kent die mensen. Jij...” Ze zocht naar het woord. „Jij kunt goed praten.”
Yasmina had een bord afgedroogd, heel langzaam.
„Oké,” had ze gezegd.
Op woensdagavond zat ze bij Ilyas op zijn kamer. Hij lag op zijn bed met zijn telefoon boven zijn gezicht. Zij zat op de grond, met haar rug tegen zijn kast, waar nog een sticker op zat van een tekenfilm die hij leuk had gevonden toen hij zes was.
„Morgen,” zei ze.
„Weet ik.”
„Ilyas.”
„Wát.” Hij legde zijn telefoon op zijn borst. „Je gaat zeggen dat ik het moet vertellen.”
„Ik ga zeggen dat het jouw gesprek is. Niet dat van mam. Niet van mij. Ze gaan praten over of je op school mag blijven. Als jij je mond houdt, dan beslissen zij wat er met je gebeurt op basis van een filmpje van veertig seconden.”
„Het was een stom filmpje.”
„Het was een stom filmpje. Dat mag je ook zeggen.”
Hij staarde naar het plafond.
„Ik ga niet klikken,” zei hij.
„Je hoeft niet te klikken.” Ze trok haar knieën op. „Je hoeft niet te zeggen wat Joep heeft gedaan. Je hoeft alleen te zeggen wat er met jóú is gebeurd. Hoe dat was. Dat is geen klikken. Dat is gewoon... zeggen wat er is.”
„Dat kan ik niet.”
„Waarom niet?”
Hij draaide zijn hoofd naar haar toe.
„Omdat mijn stem dan gaat doen,” zei hij. „Je weet wel. Dat ding. Als ik zenuwachtig ben, dan slaat hij over. En dan zit ik daar, met mam en mevrouw Dekker en weet ik wie, en dan klink ik precies zoals zij mij nadoen.”
Yasmina dacht aan de microfoon die met een schok was gezakt. Aan het gniffelen. Aan het moment waarop ze daar had gestaan en niets meer wist.
„Schrijf het op,” zei ze. „Niet voor mij. Voor jezelf. Wat je wilt zeggen. Dan kun je het voorlezen als het niet lukt. En als je stem overslaat, dan slaat hij over. Dan lees je gewoon door.”
„Jij gaat het voor me schrijven?”
„Nee. Ik ga hier zitten en mijn mond houden.”
Hij keek haar een tijdje aan, wantrouwig. Toen pakte hij zijn telefoon, opende een notitie en begon te typen. Langzaam. Met lange pauzes. Af en toe wiste hij een hele zin. Yasmina zat op de grond en hield haar mond. Het was moeilijker dan ze had gedacht.
Na drie kwartier legde hij zijn telefoon neer.
„Klaar,” zei hij.
„Mag ik het lezen?”
„Nee.”
„Oké.”
Hij keek naar het plafond. „Misschien morgen.”
De vergaderkamer had een lange tafel met een nepeiken blad en zes stoelen met blauwe bekleding. Aan de ene kant zaten mevrouw Dekker en de conrector, meneer Van Wijk, een man met een stropdas en een stem die klonk als een nieuwslezer. Aan de andere kant zaten Ilyas, hun moeder en Yasmina.
En aan het eind van de tafel, een beetje apart, zat meneer Koppelaar.
Yasmina had hem niet verwacht. Ilyas ook niet, zag ze. Hij verstijfde toen ze binnenkwamen. Meneer Koppelaar was kleiner dan op het filmpje, en ouder, met grijze stoppels op zijn kin alsof hij zich een paar dagen niet had geschoren. Hij knikte naar hun moeder en keek niet naar Ilyas.
„Meneer Koppelaar heeft zelf gevraagd om erbij te zijn,” zei mevrouw Dekker. „Hij is sinds maandag weer op school. Als dat voor jullie bezwaarlijk is, dan—”
„Het is goed,” zei hun moeder strak.
Meneer Van Wijk opende een map. Hij zei dat de school het onderzoek had afgerond en dat er met verschillende leerlingen was gesproken. Dat duidelijk was geworden dat het oorspronkelijke filmpje, de opname uit de les, niet door Ilyas was gemaakt, maar door een andere leerling, en dat Ilyas het had bewerkt en geplaatst.
„Dat is ernstig,” zei hij. „Dat is heel ernstig. Een docent moet zich veilig voelen op school, net als een leerling.” Hij keek op van zijn map. „Ilyas, je hebt tot nu toe geen uitleg gegeven. Je hebt gezegd dat het een grap was. Wil je daar vandaag nog iets aan toevoegen, voordat wij een besluit nemen?”
Het bleef stil. Hun moeder keek naar Ilyas. Mevrouw Dekker keek naar Ilyas. Meneer Koppelaar keek naar de tafel.
Ilyas haalde zijn telefoon uit zijn zak. Zijn handen trilden een beetje. Hij legde hem plat op het nepeiken blad en keek erop.
„Ik heb iets opgeschreven,” zei hij. Zijn stem was laag en schor. „Mag ik dat voorlezen?”
Meneer Van Wijk knikte.
Ilyas begon.
„Sinds de zomer ben ik tien centimeter gegroeid. Mijn stem is aan het veranderen. Dat is normaal, zegt de huisarts. Sinds de zomer word ik in de klas de lantaarnpaal genoemd. Ze doen mijn stem na. Ze doen het in de gang, in de kantine en in de les. Ik ga niet zeggen wie het zijn. Dat is niet waarom ik dit zeg.”
Hij haalde adem.
„In de wiskundeles deden ze het ook. Achter mijn rug. Meneer Koppelaar heeft het gehoord. Hij heeft het niet tegengehouden. Hij heeft een keer zelf een grap gemaakt over hoe lang ik ben. Iedereen lachte. Ik lachte ook. Ik wilde niet dat iemand zag dat ik het niet grappig vond.”
Zijn stem sloeg over. Op grappig. Een hoog, gebroken geluid, precies op het verkeerde moment. Yasmina zag hun moeder ineenkrimpen, alsof ze zelf geraakt werd.
Ilyas stopte. Hij keek op. Iedereen aan de tafel keek naar hem, en Yasmina zag in zijn ogen dat hij overwoog om de telefoon weg te leggen en het was een grap te zeggen en naar huis te gaan.
Ze legde onder de tafel haar hand op zijn knie. Heel kort. Toen haalde ze hem weer weg.
Ilyas keek weer naar zijn scherm. Hij las door.
„De stem in het filmpje is de stem die ze voor mij doen. Ik heb hem nagedaan. Ik wilde dat meneer Koppelaar wist hoe het was. Ik heb niet nagedacht over zijn vrouw of zijn kinderen of over dat het nooit meer van internet af gaat. Dat had ik wel moeten doen. Het was niet oké. Het spijt me. Maar het was geen grap. Ik zei dat het een grap was, omdat ik dat altijd zeg.”
Hij legde de telefoon weg.
Niemand zei iets. Mevrouw Dekker had haar bril afgezet. Meneer Van Wijk sloot langzaam zijn map. Hun moeder zat doodstil, met haar hand voor haar mond.
Toen schraapte meneer Koppelaar zijn keel.
„Mag ik iets zeggen?”
Meneer Van Wijk knikte.
Meneer Koppelaar keek voor het eerst naar Ilyas. Zijn ogen waren rood.
„Die opmerking over het bord,” zei hij. „Ik weet het nog. Ik vond het een onschuldig grapje. Ik maak veel grapjes in de klas. Ik denk dat het helpt, met wiskunde, dat het dan minder eng is.” Hij wreef over zijn stoppels. „Ik heb niet gezien wat er achter mijn rug gebeurde. Of ik heb het niet willen zien. Dat weet ik eigenlijk niet zeker, en dat vind ik zelf het ergste.” Hij zweeg even. „Het spijt mij ook, Ilyas. Dat wil ik graag zeggen. Het filmpje was heel pijnlijk. Mijn dochter van elf heeft het gezien. Maar ik had het eerder moeten zien. Wat er met jou gebeurde.”
Ilyas knikte. Hij zei niets. Hij hoefde niets te zeggen.
Het besluit kwam twintig minuten later, nadat ze even op de gang hadden gewacht. Ilyas mocht blijven. Hij zou een officiële waarschuwing krijgen in zijn dossier. Hij moest het account verwijderen en meewerken aan het offline halen van het filmpje, voor zover dat kon. Er zou een gesprek komen tussen hem en meneer Koppelaar, onder begeleiding, en hij zou een paar weken na schooltijd moeten meehelpen bij de onderbouwmentoren. En de school zou, zei mevrouw Dekker met een blik die geen tegenspraak duldde, nog een aantal andere gesprekken voeren.
Buiten op het schoolplein was het bijna donker. De lucht was oranjeroze boven de flats van de Pleinweg. Hun moeder bleef staan, midden op het plein, en draaide zich om naar Ilyas.
„Waarom heb je me dat nooit verteld?” Haar stem was dun. „Al die maanden. Die jas. Waarom niet?”
Ilyas haalde zijn schouders op. Hij keek naar zijn schoenen.
„Je had het druk,” zei hij. „Met Yasmina’s toets en zo.”
Hun moeder deed haar mond open en weer dicht. Toen sloeg ze haar armen om hem heen, op het schoolplein, waar iedereen het kon zien, en hij liet het toe. Hij was een kop groter dan zij. Hij moest bukken.
Yasmina stond een paar meter verderop en keek naar haar telefoon, zodat ze niet hoefde te kijken. Het was twaalf maart. Kwart over vijf.
Toen hun moeder Ilyas losliet, veegde ze haar ogen af met de mouw van haar jas en liep naar de fietsenstalling, waar ze haar fiets had neergezet. Ilyas kwam naast Yasmina staan.
„Was het goed?” vroeg hij zacht.
„Het was heel goed.”
„Mijn stem deed raar.”
„Je las gewoon door.”
Hij knikte. Hij keek naar hun moeder, die met haar sleutel klungelde bij het fietsslot.
„Jij moet het ook doen,” zei hij.
„Wat?”
„Jouw ding.” Hij gaf haar een zachte duw met zijn schouder. „Morgen is toch die deadline? Die van die Imani?”
„Hoe weet jij dat?”
„Je hebt die mail op de keukentafel laten liggen. Op je laptop. Ik heb hem niet gelezen.” Hij grijnsde. „Een beetje.”
Ze keek naar haar telefoon. Naar het gesprek met Imani, dat nog openstond. Het laatste bericht was dat van haar: Ik moet je helaas laten weten. Daarna niets meer.
Ze typte. Ze typte niet na. Ze typte niet opnieuw.
Hoi Imani. Als mijn plek er nog is: ik kom.
Ze drukte op verzenden voordat ze er spijt van kon krijgen.
Binnen een minuut trilde haar telefoon. Een geel hartje. Daaronder:
Hij is er nog. Hij was er altijd.
Bij de fietsenstalling had hun moeder eindelijk het slot open gekregen. Ze keek om, naar haar twee kinderen, die daar stonden in het halfdonker van het schoolplein.
„Komen jullie nog?”
„Ja,” zei Yasmina.
Ze had het nog niet tegen haar moeder gezegd. Ze had nog negen dagen.