Hoofdstuk 8: De laatste ronde

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Imani antwoordde de volgende ochtend om tien over acht. Yasmina las het in bed, met haar dekbed tot haar kin.

Hoi Yasmina, Wat jammer. Ik snap het, echt. Soms gaan dingen voor. Ik ga niet aandringen, dat is niet mijn werk. Maar ik zeg het wel even: ik laat de reserve pas op vrijdag 13 maart weten dat ze mag komen. Tot die dag staat jouw naam er nog. Als je van gedachten verandert, stuur je me gewoon een berichtje. Als niet, dan niet. Dan hoop ik je volgend jaar te zien. En: die tekst van je voorronde. Dat stuk over de jas. Schrijf door, wat je ook kiest. Imani

Ze legde haar telefoon op het nachtkastje met het scherm naar beneden. Ze draaide zich om en keek naar de muur.

Vrijdag 13 maart. Twaalf dagen.


Haar moeder zei die zaterdag weinig. Ze maakte ontbijt, ze deed de was, ze ging met Ilyas naar de kleermaker op de Beijerlandselaan om zijn jas op te halen, die er nu weer bijna als nieuw uitzag, op een rechte naad op de schouder na. Ze praatte tegen Yasmina over gewone dingen. Of ze nog melk wilde. Of ze haar sokken uit de droger wilde halen. Het was erger dan als ze had geschreeuwd.

’s Middags zat Yasmina met de oefenboeken aan het bureau in haar kamer. Ze maakte twaalf vragen over celdeling en haalde er tien goed. Ze maakte acht vragen over statistiek en haalde er vijf goed. Ze maakte vier vragen over een ethisch dilemma, over een arts die moest kiezen tussen twee patiënten, en ze wist niet of ze ze goed had, want bij elk antwoord dacht ze: maar waarom zou je dat willen beslissen?

Om half elf ’s avonds liep ze met haar vader naar de remise. Hij droeg zijn uniform, de donkerblauwe jas met het logo op de borst, en zijn tas met brood en een thermosfles. Het was koud en helder. Boven de daken stonden een paar sterren, voor zover je in Rotterdam sterren kon zien.

„Mag dit eigenlijk?” vroeg ze. „Dat ik meerijd?”

„Je hebt een abonnement. Je bent een passagier.” Hij grinnikte. „Je mag alleen niet tegen me praten terwijl ik rij. Dat staat op het bordje.”

„Je hebt nog nooit een bordje gelezen.”

„Daarom ben ik zo’n goede chauffeur.”


De laatste ronde begon bij Zuidplein. De bus stond te zoemen bij de halte, met de binnenverlichting aan, fel en wit. Yasmina ging op de eerste stoel zitten, schuin achter haar vader, waar ze zijn gezicht in de grote binnenspiegel kon zien. Hij stelde zijn stoel in, controleerde zijn spiegels, tikte twee keer op het stuur. Een ritueel dat ze nooit eerder had gezien.

„Elke keer?” vroeg ze.

„Elke keer. Twintig jaar lang.”

De eerste passagiers stapten in. Een vrouw in een verpleegstersjas onder haar winterjas, die meteen haar ogen dichtdeed. Twee meiden van een jaar of twintig met hoge hakken en blote benen, die nog nagiechelden over iets wat er op een feest was gebeurd. Een oude man met een pet en een plastic tas, die tegen haar vader goedenavond, chauffeur zei, en die haar vader terugknikte: „Goedenavond, meneer Visser.”

„Ken je hem?” fluisterde Yasmina toen de man naar achteren was gelopen.

„Hij rijdt elke zaterdag mee. Hij gaat naar zijn zus in Pendrecht. Hij heeft het me nooit verteld, maar hij heeft altijd een pan bij zich. Ze eten samen.”

De bus trok op. Ze reden door het donker van Zuid. De straten waren leeg, op een enkele fietser na en een pizzakoerier op een scooter die over de stoep scheurde. Langs de Slinge, langs portiekwoningen waar achter de gordijnen nog de blauwe gloed van tv’s scheen. Bij elke halte remde de bus zacht, bijna zonder schok, en de deuren gingen sissend open en weer dicht, ook als er niemand in- of uitstapte.

Haar vader praatte niet terwijl hij reed. Hij keek. Naar de weg, naar de spiegels, naar de mensen in de bus. Een keer stak een jongen zonder te kijken de weg over, en haar vader remde, zonder te toeteren, en wachtte tot de jongen veilig aan de overkant was. Toen reed hij weer verder.

Bij de eindhalte stapten de laatste passagiers uit. De verpleegster werd wakker toen haar vader vriendelijk riep: „Mevrouw, we zijn er.” Ze schrok, bedankte hem, stapte uit in het donker. Meneer Visser zwaaide met zijn tas.

Ze hadden zeven minuten pauze. Haar vader zette de motor uit. Het werd stil in de bus, op het zachte tikken van het afkoelende metaal na. Hij draaide zich om op zijn stoel, schonk thee uit zijn thermosfles in de dop en gaf hem aan haar.

„Mint,” zei hij. „Met suiker. Zoals je oma.”

Ze dronk. De thee was zoet en heet en smaakte naar zomers in een land waar ze maar vier keer was geweest.

„Weet je wat het moeilijkste is aan dit werk?” zei haar vader.

„Dronken mensen?”

„Nee. Die vallen in slaap.” Hij nam de dop terug en dronk zelf. „Het moeilijkste zijn mensen die niet weten waar ze uit moeten stappen. Ze drukken op de knop. Stop. Ik stop. De deuren gaan open. En dan blijven ze zitten. Ze kijken naar buiten, ze kijken naar mij, en ze blijven zitten. En dan gaan de deuren weer dicht en dan rijden we verder, en twee haltes later drukken ze weer op de knop.”

„Waarom doen ze dat?”

„Weet ik niet. Misschien dachten ze dat het hun halte was en toen niet. Misschien wilden ze eruit maar durfden ze niet.” Hij haalde zijn schouders op. „Ik kan stoppen. Ik kan de deur opendoen. Maar uitstappen moeten ze zelf.”

Yasmina keek naar hem. „Is dat een metafoor, pap?”

„Een wat?”

„Je weet wat ik bedoel.”

Hij lachte, een lage lach diep uit zijn buik. „Misschien. Ik weet niet. Ik ben maar een buschauffeur.”

Hij schroefde de dop terug op de thermosfles. Buiten, onder een lantaarn, stond een vos. Hij keek naar de bus, met zijn kop schuin. Toen draafde hij weg, de struiken in.

„Toen ik zo oud was als jij,” zei haar vader, „schreef ik ook.”

Yasmina draaide haar hoofd zo snel dat haar nek knakte.

„Wat?”

„Raps. In de jaren negentig. Iedereen deed het. In het buurthuis aan de Hillevliet hadden ze een klein studiootje, met een microfoon en een keyboard dat de helft van de tijd niet werkte. We gingen er na school heen, met een stel jongens uit de buurt. Ik schreef de teksten. Ik kon dat. De anderen konden beter rappen, maar ik schreef.” Hij keek naar buiten, naar de plek waar de vos was geweest. „Over de buurt. Over mijn vader, die in de haven werkte en elke avond met een kapotte rug thuiskwam. Over meisjes, natuurlijk. Over dingen die ik zag en niet mocht zeggen.”

„Waarom heb je dat nooit verteld?”

„Omdat het voorbij was.” Hij zei het zonder spijt, zonder drama. „We hebben één keer opgetreden. In een zaal in Feijenoord, met misschien vijftig mensen. Het was het beste gevoel van mijn leven, tot jij geboren werd. Toen ik thuiskwam, zat mijn vader in de keuken. Hij had het gehoord van iemand uit de moskee. Hij zei: Rachid, daar kun je niet van eten.” Haar vader imiteerde de stem, laag en moe, en Yasmina hoorde voor het eerst hoe haar opa had geklonken, die ze nooit had gekend. „En hij had gelijk. Ik ging werken. Eerst in de haven, net als hij, later in een magazijn in Barendrecht. Toen ik dertig was, haalde ik mijn papieren voor de bus. Ik verdiende geld. Ik leerde je moeder kennen. Ik heb er geen spijt van. Ik rijd graag. Ik vind deze stad mooi, vooral ’s nachts.”

„Maar?”

Hij keek haar aan in de spiegel.

„Maar ik heb er ook nooit meer iets mee gedaan. Niet omdat het niet kon. Omdat ik dacht dat het niet mocht.” Hij tikte op het stuur. Twee keer. „Ik ga je niet vertellen wat je moet kiezen, Yasmina. Dat kan ik niet. Je moeder kan het ook niet, al denkt ze van wel. Het is jouw bus.”

„Ik dacht dat het jouw bus was.”

„Vanavond wel.” Hij keek op de klok. Nog twee minuten. „Weet je, op de eenentwintigste rij ik niet. Ik heb vrij genomen. Ik heb dat al in januari aangevraagd. Om je naar die toets te brengen.” Hij zweeg even. „Ik kan je overal naartoe brengen. Waar je ook heen wilt.”


Op de terugweg zat er bijna niemand in de bus. Een jongen met een koptelefoon die zat te knikken op zijn muziek. Een stel dat ruzie had op fluistertoon. Yasmina keek naar buiten, naar de straten die ze haar hele leven had gekend en die er ’s nachts anders uitzagen, stiller, vriendelijker misschien, of juist niet. Bij elke halte gingen de deuren open en dicht. Bij één halte drukte iemand op de knop en bleef toen zitten. Haar vader keek in de spiegel, wachtte drie tellen, sloot de deuren en reed door. Hij keek even naar Yasmina. Ze keek terug. Geen van beiden zei iets.

Om kwart over een stonden ze weer bij de remise. Haar vader parkeerde de bus in de rij, zette de motor uit, schreef iets op een formulier en hing zijn sleutels aan het bord. Op weg naar buiten bleef hij staan bij zijn kluisje. Hij draaide het slot open en haalde iets uit de bovenste plank, achter een reservepet en een doos paracetamol.

Het was een schrift. Een oud, blauw schoolschrift met een kaft vol stickers die bijna helemaal waren afgesleten. Op de voorkant stond, in balpen, in een jongenshandschrift dat ze niet herkende en toch meteen herkende: R.A. – Teksten – NIET LEZEN.

„Dat ligt hier al twintig jaar,” zei haar vader. „Thuis lag het in de weg. Je moeder weet ervan, maar ze heeft het nooit gelezen. Dat heb ik haar gevraagd.”

Hij hield het haar voor.

„Niet lachen,” zei hij.