Hoofdstuk 7: Versjes
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Yasmina keek naar de foto. Toen naar haar moeder. Toen weer naar de foto, alsof die zou veranderen als ze er lang genoeg naar staarde.
„Het is een poëziewedstrijd,” zei ze.
„Dat zie ik.”
„In de bibliotheek. Voor jongeren. Ik heb een filmpje ingestuurd en ik ben door de voorronde gekomen. Er zijn zes finalisten.”
„Wanneer?”
„Wanneer wat?”
„Wanneer heb je dat filmpje ingestuurd?”
„Begin februari.”
Haar moeder knikte langzaam. Ze telde, zag Yasmina. Ze telde terug in haar hoofd, langs alle avonden dat Yasmina had gezegd dat ze bij Daan ging leren, langs de zaterdag in de bieb, langs de oefenboeken die haar dochter zonder morren had meegenomen.
„Vier weken,” zei ze.
„Mam—”
„Vier weken heb je tegen me gelogen.”
„Ik heb niet gelogen. Ik heb het alleen niet gezegd.”
„Je zei dat je ging leren.” De stem van haar moeder werd niet harder, maar wel scherper, als een mes dat over een slijpsteen was gehaald. „Je zei dat je naar de bieb ging, met de boeken van Sevda. Je zei het recht in mijn gezicht. In de badkamer. Weet je dat nog?”
Yasmina wist het nog. Ze gaf geen antwoord.
„En wanneer is die finale?”
Ze had gehoopt dat die vraag niet zou komen. Ze had gehoopt dat haar moeder het al wist, dat het op de foto stond of in het bericht van Sevda, zodat ze het niet zelf hoefde te zeggen.
„Zaterdag eenentwintig maart.”
Het werd stil in de keuken. Haar vader maakte zijn armen los van elkaar en legde zijn handen op tafel. Ilyas keek op, voor het eerst, en meteen weer weg.
Haar moeder draaide zich om op haar stoel en keek naar de koelkast. Naar het A4’tje. Naar de rode cirkel en de sinaasappelmagneet. Ze bleef ernaar kijken, en Yasmina zag hoe haar kaak zich spande.
„Dus je wist het,” zei haar moeder zonder zich om te draaien. „Je wist dat het op dezelfde dag was. En je hebt niks gezegd.”
„Ik wist niet hoe.”
„Je bent zeventien. Je kunt praten. Je hebt het net bewezen, voor tachtig mensen, zo te zien.” Ze draaide zich terug. „Maar niet tegen je eigen moeder.”
„Nadia,” zei haar vader zacht.
„Nee, Rachid. Nee.” Haar moeder haalde diep adem. „Ik wil het begrijpen. Ik wil gewoon begrijpen wat er in haar hoofd zit. Want dit,” ze tikte met haar vinger op de telefoon, „dit zijn versjes. Dit is iets leuks. Dat is prima. Ik heb er niks op tegen. Je mag van mij elke avond versjes schrijven. Maar dit,” ze wees naar de koelkast, „dit is je toekomst.”
„Het zijn geen versjes.”
„Wat zijn het dan?”
Yasmina opende haar mond. Er kwam niets uit. Dat was het rare: ze had weken geschreven, ze had voor een zaal gestaan, ze had woorden gevonden voor dingen die ze zelf niet eens begreep. En nu, aan haar eigen keukentafel, met haar eigen moeder tegenover zich, had ze geen enkel woord.
„Het is van mij,” zei ze uiteindelijk. Het klonk klein.
Haar moeder keek haar lang aan.
„Weet je wat van mij was?” zei ze toen. „Een vwo-diploma. Met een acht gemiddeld. In 1998. Van een school in de Afrikaanderwijk waar ze tegen mijn vader zeiden dat ik beter naar de huishoudschool kon. Ik had biologie en scheikunde en natuurkunde en wiskunde B, allemaal achten en negens. Ik wilde geneeskunde doen. In Rotterdam, bij het ziekenhuis waar ik ben geboren.”
Yasmina wist dit. Ergens. Het was een van die dingen die in de keuken hingen.
„Toen moest je loten,” ging haar moeder door. „Niet een toets. Loten. Iemand trok een nummer en dan wist je het. Ik ben uitgeloot. Ik dacht: dan probeer ik het volgend jaar. Ik ging werken bij de Hema, om te sparen. Volgend jaar weer uitgeloot. En toen werd mijn vader ziek en moest er geld komen, en toen werd het de opleiding tot doktersassistente, want dat was dichtbij, en kort, en je verdiende meteen.” Ze glimlachte, maar het was geen glimlach. „En nu sta ik negentien jaar achter een balie en zie ik elke dag jongens van vijfentwintig in een witte jas binnenkomen die mij vragen waar de pleisters liggen.”
Niemand zei iets. Ilyas zat zo stil dat Yasmina hem niet eens hoorde ademen.
„Ik heb nooit gezegd dat je dokter moet worden,” zei haar moeder. „Dat heb ik nooit gezegd. Ik heb alleen gezegd: jij hoeft niet te loten. Jij krijgt een eerlijke kans. Je hebt de cijfers. Je hebt het hoofd. Je mag een toets doen, en als je goed bent, dan kom je erin. Dat is alles wat ik ooit wilde. Dat de deur open is.”
„En als ik niet door die deur wil?” vroeg Yasmina.
Ze had het niet willen zeggen. Het was eruit voordat ze het kon tegenhouden.
Haar moeder keek alsof ze een klap had gekregen.
„Dan ga je er niet doorheen,” zei ze heel zacht. „Maar je gaat wel eerst kijken. Je gaat op de eenentwintigste naar die toets. Als je hem haalt, kun je nog steeds nee zeggen. Als je hem niet doet, dan is hij dicht. Dan heb jij hem zelf dichtgedaan. Voor een middag in de bibliotheek.”
„Het is niet zomaar een middag.”
„Wat is het dan?”
Weer die vraag. Weer geen antwoord.
Ilyas schoof zijn stoel naar achteren. „Mam, ze is echt goed. Ik heb het filmpje gezien. Ze heeft een stuk over—”
„Ilyas,” zei Yasmina scherp.
Hij hield zijn mond. Hun moeder keek van de een naar de ander.
„Een stuk over wat?”
„Over de metro,” zei Ilyas. „Over Zuidplein en zo.”
„Jij wist het ook.” Het was geen vraag. Haar moeder lachte, kort en ongelovig. „Natuurlijk wist jij het ook. Jullie allebei. Iedereen in dit huis heeft geheimen, behalve ik.” Ze stond op. Haar stoel schraapte over de vloer. „Weet je wat? Ik ben moe. Ik heb de hele dag mensen geholpen die me niet bedankten, en ik kom thuis en ik krijg een foto van Sevda. Ik ga naar bed.”
„Mam—”
„Je gaat naar die toets, Yasmina. Daar praten we niet meer over.”
De slaapkamerdeur ging dicht. Niet hard. Het was een familie van zachte deuren.
Haar vader bleef zitten. Hij keek naar zijn handen op het tafelblad, grote handen met een eeltplek op de zijkant van zijn rechterduim, van twintig jaar sturen. Toen keek hij naar Yasmina.
„Is het goed?” vroeg hij. „Wat je schrijft?”
Ze wist niet wat ze moest zeggen. „Ik denk het.”
„Hm.” Hij knikte. Hij stond op, pakte een glas uit de kast, vulde het met water uit de kraan en dronk het in één keer leeg. Daarna zette hij het glas in de gootsteen en bleef even met zijn rug naar haar toe staan.
„Ze is niet boos op je,” zei hij. „Niet echt. Ze is bang.”
„Waarvoor?”
„Dat je straks achter een balie staat.” Hij draaide zich om. „Dat is haar ergste nachtmerrie. Niet voor haar. Voor jou.”
Hij legde even zijn hand op haar hoofd, zoals hij deed toen ze klein was, en liep toen ook naar de slaapkamer.
Ilyas en zij bleven over. De klok in de gang tikte.
„Sorry,” zei hij.
„Waarvoor?”
„Dat ik bijna iets zei.”
„Je zei niks.”
„Bijna.” Hij keek naar de telefoon die haar moeder op tafel had laten liggen. Het scherm was op zwart gegaan. „Ik heb het niet verteld, Yas. Echt niet. Het was Sevda.”
„Weet ik.”
„Ga je nou naar die toets?”
Ze keek naar de koelkast. De rode cirkel. Het handschrift van haar moeder. Niet te laat komen!!! Drie uitroeptekens. Haar moeder gebruikte nooit uitroeptekens, nergens, behalve hier.
„Ja,” zei ze.
Die nacht zat ze op haar bed met haar laptop op schoot. Haar kamer was klein en het raam keek uit op de flat aan de overkant, waar in de meeste huizen het licht al uit was. In één raam brandde een kerstster, eind februari, die niemand had weggehaald.
Ze opende haar mail en klikte op het bericht van Imani. Ze drukte op beantwoorden.
Beste Imani,
Ze stopte. Ze wiste Beste. Dat klonk alsof ze een sollicitatiebrief schreef.
Hoi Imani, Ik moet je helaas laten weten dat ik niet mee kan doen aan de finale. Er is op dezelfde dag iets anders wat ik niet kan verzetten. Het spijt me heel erg. Misschien kan iemand anders mijn plek krijgen. Bedankt voor alles. Yasmina
Ze las het drie keer. Het waren de lelijkste zinnen die ze in maanden had geschreven. Er zat niets in. Geen metro, geen koelkast, geen jas. Alleen een deur die dichtging.
Ze drukte op verzenden.
Het geluidje van een vertrekkende mail, dat kleine woesj, klonk harder dan het ooit had geklonken.
Ze sloot haar laptop. Ze opende haar notitieboekje, op de pagina met de enige regel die niet was doorgestreept. Er is een jongen die de letters ziet dansen. Ze keek er een tijdje naar. Toen trok ze er een streep door, heel netjes, met een liniaal.
Ze lag nog wakker toen haar vader om half twee de keuken in sloop. Ze hoorde hem thee zetten. Ze hoorde hem lang aan tafel zitten.
En toen, vlak voordat ze in slaap viel, hoorde ze een klop op haar deur. Heel zacht, met één knokkel.
„Yasmina,” fluisterde haar vader. „Slaap je?”
„Nee.”
„Morgen heb ik de late dienst. Ik rij de laatste ronde.” Een pauze. „Ga je mee?”