Hoofdstuk 6: Hardop

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Voor wie is je tekst?”

Imani stond voor een whiteboard in een klein lokaal achter in de bibliotheek, met dezelfde gele trui aan als op zaterdag, of een andere die er precies op leek. De zes finalisten zaten in een halve kring op stoelen die te laag waren. Buiten regende het tegen de ramen.

„Hoe bedoel je, voor wie?” vroeg de jongen met de krullen. Hij heette Jesse, wist Yasmina inmiddels, en hij schreef over gamen en over zijn vader die in de gevangenis zat, en hij praatte zo snel dat je soms een zin moest terugspoelen in je hoofd.

„Ik bedoel: als je daar staat, op de eenentwintigste, tegen wie praat je dan?” Imani tikte met haar stift op het bord. „Niet tegen de jury. Die vergeet je. Niet tegen het publiek, want dat bestaat niet. Er zitten tachtig losse mensen. Wie is de ene persoon die het moet horen?”

Liv stak haar hand op, alsof ze in de klas zat. „Mijn zus.”

„Goed. Bayo?”

„Mijn moeder. Zodat ze die vriezer eindelijk leegmaakt.”

Iedereen lachte. Imani ook. „Yasmina?”

Yasmina keek naar het notitieboekje op haar schoot. Ze had besloten om voor de finale een nieuwe tekst te schrijven. Volgende halte was voor de voorronde geweest; ze wilde niet twee keer hetzelfde doen. Maar het boekje was nog leeg, op een paar doorgestreepte regels na.

„Weet ik nog niet,” zei ze.

„Dan is dat je huiswerk.” Imani schreef haar naam op het bord, met een vraagteken erachter. „Niet erg. Het is beter om het niet te weten en te zoeken, dan het te weten en te liegen.”

Na de workshop liep Bayo met haar mee naar de metro. Het regende nog steeds. Hij hield een paraplu boven hen allebei die te klein was voor twee mensen, zodat ze allebei aan één kant nat werden.

„Je ziet eruit alsof je ergens mee zit,” zei hij.

„Ik zit nergens mee.”

„Oké.” Hij liet het even rusten. „Vorig jaar zei ik tegen mijn ouders dat ik bij een vriend ging huiswerk maken, elke keer als er een workshop was. Mijn vader vond poëzie iets voor mensen die geen echt werk hadden. Toen kwam hij toch naar de finale. Mijn tante had hem meegesleept.”

„En toen?”

„Toen zei hij dat mijn tekst te lang was.” Bayo grinnikte. „Maar hij kwam wel. Dit jaar zit hij vooraan, zegt hij. Hij heeft al een stoel gereserveerd. Ik heb hem verteld dat je geen stoelen kunt reserveren. Het maakt hem niks uit.”

Bij de ingang van het station gaf hij haar de paraplu.

„Hou maar. Ik woon vlak bij de halte.”

„Bayo, je woont in Ommoord.”

„Vlak bij de halte in Ommoord.”


Het huis van Daan stond in de Tarwewijk, in een straat met smalle portiekwoningen waar de voordeuren dicht op elkaar zaten en iedereen zijn vuilnisbak op een andere manier versierde. Die van Daans moeder had een sticker met een zonnebloem. Binnen rook het naar pindakaas en natte hond, hoewel ze geen hond hadden. „Het is van de buren,” zei Daan altijd. „Het komt door de muur.”

Zijn moeder, Ellen, werkte in een thuiszorgteam en was bijna nooit thuis voor zes uur. Zijn zusje Fem, negen, zat aan de keukentafel met een bak popcorn en een tekening van een paard met vleugels dat er volgens haar uitzag als een pony. „Het is een pegasus,” legde ze Yasmina uit. „Maar een kleine. Hij moet nog groeien.”

„Hij is mooi.”

„Daan zegt dat hij lijkt op een koe.”

„Dat zei ik niet,” zei Daan. „Ik zei dat hij gevlekt is. Net als een koe.”

Fem trok een gezicht naar hem en verdween met haar tekening en haar popcorn naar de woonkamer.

Daan haalde een map uit zijn tas en legde die op tafel alsof het iets was wat hij liever niet aanraakte. Nederlands – leesvaardigheid – oefenexamen. Hij had dinsdag weer een toets, de derde dit jaar. De eerste twee had hij onvoldoende gehaald. Een vier komma één en een vier komma acht.

„Ik weet de antwoorden,” zei hij. „Dat is het stomme. Als jij het voorleest, weet ik ze allemaal. Maar als ik het zelf lees, dan ben ik bij de derde zin en weet ik niet meer waar de eerste over ging.”

„Je krijgt toch extra tijd?”

„Twintig minuten. En een voorleesprogramma, op een laptop met een koptelefoon. Dat helpt. Maar die stem is zo vlak. Het is alsof een robot me een verhaal vertelt over gemeentebeleid.” Hij sloeg de map open. „Kijk. Tekst 3: De toekomst van de binnenstedelijke mobiliteit. Wie schrijft er nou zoiets?”

„Ambtenaren.”

„Ambtenaren mogen best eens wat leuks schrijven.”

Ze gingen naast elkaar zitten. Yasmina las de tekst voor, maar niet zoals de robot. Ze las hem zoals ze haar eigen teksten las: met pauzes op de goede plekken, met nadruk op de woorden die ertoe deden, en ze tikte bij elke alinea op het papier zodat zijn ogen konden volgen waar ze was. Daarna liet ze hem zelf lezen, langzaam, met een liniaal onder de regel.

„Wat staat er in deze alinea?” vroeg ze.

„Dat de stad te vol is met auto’s.”

„En deze?”

„Dat er meer fietspaden moeten komen. Maar dat winkeliers bang zijn dat er dan minder mensen komen.” Hij keek op. „Dat is een tegenargument, toch?”

„Ja.”

„Zie je. Ik snap het wel.”

„Ik weet dat je het snapt.”

Hij leunde achterover op zijn stoel, op twee poten, zoals zijn moeder hem al duizend keer had verboden. „Weet je wat het is? Als ik skate, dan denk ik niet in woorden. Ik denk in... ik weet niet. Lijnen. Ik zie een rand en ik zie al hoe mijn board eroverheen moet. Ik zie het gewoon. Als ik film, ook. Ik zie welk shot goed is voordat ik het heb opgenomen. Maar dan moet ik een verslag schrijven over waarom het goed is, en dan zit ik daar.”

„Je kunt het ook inspreken.”

„Mag niet bij het examen.”

„Dan schrijf je het in plaatjes. In je hoofd. En dan vertaal je het.”

„Vertalen is precies wat ik niet kan.” Hij liet de stoel met een klap terugvallen. „Maar jij wel. Jij doet het andersom. Jij hebt woorden en daar maak je plaatjes van. Toen je dat stuk deed over de rode cirkel op de koelkast. Ik zag die koelkast. Ik zag hem gewoon.”

Ze voelde haar wangen warm worden. „Het is jouw koelkast niet eens.”

„Maakt niet uit. Ik zag hem.”

Ze werkten nog een uur door. Tekst 4 ging over vogels in de stad, en die vond Daan wel leuk, omdat er een stuk in zat over slechtvalken die boven op hoge gebouwen in de stad broedden. Tekst 5 ging over pensioenen, en die vonden ze allebei vreselijk.

Toen ze klaar waren, pakte Daan zijn telefoon. „Nu jij.”

„Ik heb niks.”

„Je hebt altijd iets.”

Ze sloeg haar notitieboekje open. Er stonden drie doorgestreepte begins in en één regel die nog niet was doorgestreept: Er is een jongen die de letters ziet dansen. Ze had hem gisteravond geschreven, in bed, zonder na te denken. Ze wist niet waar hij heen ging. Ze klapte het boekje snel weer dicht, voordat Daan zijn ogen erheen kon draaien, wat hij toch niet zou doen, want hij las niet over schouders, niet meer, niet sinds de tweede klas.

„Ik heb nog niks wat het waard is,” zei ze.

„Imani vroeg voor wie het is.”

„Weet ik.”

„En?”

„Daan.” Ze stopte het boekje in haar tas. „Als ik dat wist, dan had ik al iets.”

Hij knikte, alsof dat logisch was. Hij legde zijn telefoon weg. Uit de woonkamer klonk het geluid van een tekenfilm, en Fem die hardop een paard nadeed.

„Je kunt het ook gewoon aan je moeder vertellen,” zei hij. „Alles. Die wedstrijd. Die dag.”

„Dat kan niet.”

„Waarom niet?”

„Omdat jij mijn moeder niet kent.”

„Ik ken je moeder al zes jaar. Ze heeft me couscous leren eten. Ze heeft me een keer naar de huisarts gestuurd met mijn enkel, terwijl mijn eigen moeder zei dat het wel over zou gaan.” Hij haalde zijn schouders op. „Het was gebroken. Je moeder had gelijk.”

„Precies,” zei Yasmina. „Mijn moeder heeft altijd gelijk.”

Hij keek haar aan, en ze zag dat hij nog iets wilde zeggen, en dat hij het inslikte.


Het was vrijdag en het was al donker toen ze thuiskwam. Het trappenhuis rook naar soep van iemand anders. Op de tweede verdieping zat mevrouw Kok met haar deur open in een stoel in de gang, met een kat op schoot die ze niet mocht hebben, en ze zwaaide naar Yasmina.

De voordeur van nummer 52 zat op slot. Ze draaide hem open en hoorde meteen dat er iets anders was. Geen tv. Geen radio met Arabische muziek, die haar moeder altijd aanzette als ze kookte. Geen gerinkel van pannen.

Alleen het tikken van de klok in de gang.

„Hoi,” riep ze.

Geen antwoord.

Ze trok haar schoenen uit. Het rek met schoenen: die van haar moeder. Die van Ilyas. Die van haar vader, voor de verandering, want hij had vandaag een vroege dienst gehad.

Ze liep naar de keuken.

Ze zaten aan tafel, alle drie. Haar vader met zijn armen over elkaar. Ilyas met zijn ogen op het tafelblad, als iemand die net heeft gezworen dat hij niks heeft gezegd en hoopt dat ze hem geloven. En haar moeder, in het midden, met haar telefoon voor zich op tafel en haar handen ernaast, plat, alsof ze hem tegenhield.

Op het scherm stond de foto. De zes finalisten voor het grote raam. Yasmina rechts, half achter Jesse, met haar mond open van het lachen.

Haar moeder keek op. Haar ogen waren droog. Dat vond Yasmina het ergste.

„Sevda stuurde me dit,” zei ze. „Haar dochter volgt die bibliotheek. Ze vroeg of ik wist dat jij in een finale zat. Ik zei ja. Want ik wilde niet dat ze zou denken dat ik het niet wist.”

Ze schoof de telefoon een paar centimeter naar voren, over het tafelblad, tot hij vlak voor Yasmina lag.

„Wat is dit?”