Hoofdstuk 5: Wat Ilyas niet zegt

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

„Dus je gaat gewoon niet naar die toets,” zei Daan in de metro terug.

„Ik kan niet gewoon niet naar die toets gaan.”

„Waarom niet? Je bent zeventien. Je mag zelf weten waar je op zaterdag heen gaat.”

„Daan.” Ze leunde met haar hoofd tegen het raam. Buiten was het donker en ze zag alleen hun eigen spiegelbeelden, vaag, met de lichten van de tunnel die er doorheen flitsten. „Mijn moeder heeft die datum al een jaar in haar hoofd. Ze heeft oefenboeken geleend. Ze heeft het aan haar collega’s verteld. Aan mijn tantes. Aan de vrouw van de groenteboer.”

„Aan de vrouw van de groenteboer?”

„Ze vroeg hoe het met me ging. Mijn moeder zei: goed, ze gaat dokter worden.”

Daan zweeg even. „En wil jij dokter worden?”

Het was een simpele vraag. Ze had hem nooit zo simpel gesteld gekregen.

„Weet ik niet,” zei ze.

„Dat is geen nee.”

„Het is ook geen ja.”

De metro remde. Volgende halte: Rijnhaven. Een man stapte in met een grote tas vol lege flessen die tegen elkaar rinkelden. Daan schoof een stukje op.

„Je kunt toch ook volgend jaar die toets doen,” zei hij.

„En dan een jaar niks?”

„Niet niks. Iets anders. Werken. Reizen. Gedichten schrijven op een bankje bij de Westblaak.” Hij grijnsde. „Ik zou het niet erg vinden.”

„Jij zou het nergens erg vinden, zolang er maar ergens een stoeprand is.”

„Klopt,” zei hij tevreden.


Op maandagavond plaatste de bibliotheek een foto van de zes finalisten op Instagram. Yasmina zag hem pas om tien uur, toen Bayo haar een berichtje stuurde: we zijn beroemd. Op de foto stonden ze naast elkaar voor het grote raam, met de stad achter hen. Liv keek serieus. Bayo maakte een duim. Yasmina stond aan de rechterkant, half achter een jongen met krullen, en ze lachte op een manier die ze niet van zichzelf kende: met haar mond open, haar ogen half dicht.

Onder de foto stonden hun namen. Voluit.

Ze voelde het bloed uit haar gezicht wegtrekken. Toen dacht ze: mijn moeder zit niet op Instagram. Haar moeder had Facebook, waar ze filmpjes van recepten deelde en verjaardagen van nichten in Utrecht, en verder WhatsApp, voor alles. Haar vader had alleen WhatsApp, en dat gebruikte hij voornamelijk om duimpjes te sturen.

Er waren honderdtwaalf likes. Ze scrolde door de namen. Ze kende er niemand van.

Toen klopte er iemand op haar deur.

„Wat?”

De deur ging een stukje open. Ilyas stak zijn hoofd naar binnen. Hij had zijn telefoon in zijn hand en hield het scherm naar haar toe.

Het was de foto.

„Kom even mee,” zei hij.


De galerij van hun flat liep langs alle voordeuren op de vierde verdieping, een lange betonnen strook met een reling, waar de buren hun fietsen stalden en hun planten neerzetten en waar je, als je ver genoeg naar links liep, tussen twee andere flats door de lichten van het winkelcentrum zag. Het was koud. Ilyas had een deken om zijn schouders. Hij leunde tegen de reling bij de plek waar meneer Bouzid van nummer 47 zijn kruidenbakken had staan, die in de winter alleen nog stengels waren.

„Je zei dat je ging leren,” zei hij.

„Ik heb ook geleerd.”

„Dat lieg je.”

„Oké. Ik heb niet geleerd.” Ze trok haar vest strakker om zich heen. „Hoe heb je het gevonden?”

„Joep volgt de bieb. Weet ik veel waarom. Hij stuurde het in de klassenapp. Is dit niet de zus van de lantaarnpaal?” Ilyas zei het zonder emotie, alsof hij het weerbericht voorlas.

„De lantaarnpaal?”

Hij gaf geen antwoord. Hij keek naar beneden, naar de parkeerplaats, waar een auto met een kapotte uitlaat stond te ronken.

„Ilyas.”

„Zo noemen ze me.”

„Wie?”

„Joep. Kerem. Die gast met die pet. Sinds de zomer. Omdat ik zo lang ben geworden.” Hij trok de deken strakker. „In het begin was het gewoon een grapje. Ik lachte mee. Je lacht mee, toch? Anders ben je een zeur. Maar het hield niet op. Ze deden mijn stem na. Die is... hij doet raar, af en toe. Hij slaat over. Dan zeiden ze dingen met zo’n piepstem. Ik ben Ilyas, ik ben zo lang, ik kan de wolken aanraken. In de gang. In de kantine. Bij gym.”

Yasmina hield haar adem in. Ze dacht aan het filmpje. Aan de hoge, piepende stem die uit de mond van meneer Koppelaar kwam.

„Die stem,” zei ze langzaam. „In de video.”

„Dat was hun stem. De stem die ze voor mij doen. Ik heb hem nagedaan.” Hij lachte, kort en zonder vrolijkheid. „Ik ben er best goed in geworden. Ik heb hem vaak genoeg gehoord.”

„En de jas?”

„Joep trok eraan. Op het veldje achter school. Hij wilde hem afpakken en kijken of hij ook mij paste, zei hij. Als een grap. Hij trok en ik trok, en toen scheurde hij.”

„Dus het was geen hek.”

„Het was geen hek.” Hij keek haar eindelijk aan. „Ben je nou blij dat je gelijk had?”

„Nee,” zei ze. En dat was waar.

Een tijd lang zeiden ze niets. De auto met de kapotte uitlaat reed weg. Beneden bij de ingang kwam een vrouw thuis met boodschappentassen. Ze hoorden de liftdeuren dichtschuiven.

„Maar waarom meneer Koppelaar?” vroeg Yasmina. „Waarom niet Joep?”

Ilyas haalde diep adem. Zijn adem maakte een wolkje.

„Omdat hij het zag,” zei hij. „Hij zag het, Yas. Elke keer. Joep deed die stem in de les, achter mijn rug, en iedereen lachte, en meneer Koppelaar keek op en hij grijnsde. Eén keer zei hij: Ilyas, jij kunt het bord vast zonder trapje schoonmaken. En toen lachte de hele klas. Hij is de leraar. Hij hoort te zeggen dat het ophoudt. Hij hoort niet mee te lachen.”

Zijn stem sloeg over op het laatste woord. Hij werd rood, in het halfdonker van de galerij, en draaide zijn hoofd weg.

„Zie je,” zei hij zacht. „Daar heb je het.”

Yasmina voelde iets in haar keel wat geen woorden had. Ze dacht aan alle keren dat ze hem de afgelopen maanden had gezien, in de gang bij de kluisjes, en had gedacht dat hij gewoon veertien was, gewoon chagrijnig, gewoon een broertje dat niet met zijn zus gezien wilde worden.

„Je moet dit vertellen,” zei ze. „Aan mevrouw Dekker. Aan mam en pap.”

„Nee.”

„Ilyas, ze willen je van school sturen. Als ze weten waarom—”

„Dan wat? Dan krijgt Joep een gesprekje. En meneer Koppelaar zegt dat het een grapje was. En volgend jaar zit ik nog steeds in dezelfde klas als Joep, en dan weet iedereen dat ik ben gaan klikken.” Hij schudde zijn hoofd. „Ik heb een filmpje gemaakt. Dat was dom. Ik weet dat het dom was. Maar ik ga er niet nog iets doms bovenop doen.”

„Het is niet dom om te zeggen wat er gebeurd is.”

„Zegt degene die op zaterdag gedichten gaat voordragen en tegen mam zegt dat ze in de bieb gaat leren.”

Dat kwam aan. Ze wist niet wat ze moest antwoorden, en hij zag dat, en hij keek er niet blij om.

„Sorry,” zei hij. „Dat was gemeen.”

„Het was ook waar.”

Ilyas trok de deken van zijn ene schouder en hing hem om haar heen, zodat ze er allebei half onder stonden. Hij was echt lang geworden. Ze kwam nu tot zijn kin.

„Ik zeg niks,” zei hij. „Over jouw ding. Aan niemand.”

„En ik?”

„Jij zegt ook niks. Over mijn ding.”

„Dat is geen eerlijke ruil. Jouw ding is groter.”

„Het is wel een ruil.” Hij keek naar de lichten tussen de flats door. „Hoe was het eigenlijk? Daar staan, bedoel ik. Voor al die mensen.”

Ze dacht na. Aan de microfoon die met een schok zakte. Aan het gniffelen. Aan Daan in de tweede rij. Aan het moment waarop de zaal stil werd, dat andere soort stil.

„Eng,” zei ze. „Heel eng. En ook... ik weet niet. Alsof ik eindelijk iets zei wat ik al heel lang in mijn mond had.”

Ilyas knikte langzaam.

„Ik heb je filmpje gezien,” zei hij. „Die van de inzending. Die staat ook online, wist je dat? Op hun site. Ik heb hem drie keer bekeken.”

„En?”

„Dat stuk over mij.” Hij slikte. „Hoe wist je dat?”

„Wat?”

„Dat het geen hek was. Toen. Je had het al opgeschreven voordat ik het je vertelde.”

Ze wist het niet. Ze had het niet geweten. Ze had het alleen gevoeld, ergens, en opgeschreven voordat haar hoofd het had begrepen.

„Ik ken je,” zei ze.

Hij snoof. Het was bijna een lach.

Binnen ging een licht aan. Het keukenlicht. Hun moeder was wakker geworden, of had nog niet geslapen. Ze zagen haar schaduw achter het matglas van het keukenraam bewegen, naar de kraan, terug.

„We moeten naar binnen,” zei Ilyas.

„Nog even.”

Ze bleven staan. Onder de deken was het warm. Vanuit de verte klonk een sirene, die aanzwol en weer wegebde ergens richting de Maas.

„Yas,” zei hij. „Op de eenentwintigste. Wat ga je doen?”

Ze keek naar het keukenraam, naar de schaduw van haar moeder, die stil was blijven staan, alsof ze luisterde.

„Ik weet het niet,” zei ze.

Het was het eerlijkste wat ze in weken had gezegd, en het klonk als het minst behulpzame antwoord ter wereld.