Hoofdstuk 4: Gele buizen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Ik ga naar de bieb,” zei Yasmina op zaterdagochtend, en dat was voor de verandering helemaal waar.
Haar moeder stond in de badkamer met een handdoek om haar haar. „Mooi. Neem je die oefenboeken mee? Die van Sevda’s dochter?”
„Ja.”
Ze stopte de oefenboeken in haar tas. Ze waren zwaar en dik en stonden vol met vragen over cellen en kansberekening en morele dilemma’s, met aan het eind een antwoordmodel in een klein lettertje. Ze zouden de hele middag ongeopend tegen haar rug drukken.
Ilyas zat aan het ontbijt met een kom cornflakes. Hij was donderdag weer naar school gegaan. Het onderzoek liep nog, had mevrouw Dekker gezegd, en het gesprek met hun ouders zou over een paar weken plaatsvinden, als alle betrokkenen gehoord waren. Tot die tijd mocht hij gewoon de lessen volgen. Alleen niet die van meneer Koppelaar, want meneer Koppelaar was er niet. Hij had zich ziek gemeld.
„Welke bieb?” vroeg Ilyas met zijn mond vol.
„De grote. In de stad.”
„Waarom niet die op Zuidplein? Die is dichterbij.”
„Omdat ik naar de grote wil.”
Hij kauwde. Hij keek haar aan. Hij zei: „Succes met leren,” en de manier waarop hij het laatste woord uitsprak, beviel haar niet.
Daan stond op het perron van Zuidplein met twee bekers koffie uit de automaat, waarvan hij er een aan haar gaf.
„Hij is vies,” waarschuwde hij.
Ze nam een slok. Hij was vies. Ze dronk hem toch op, tussen Zuidplein en Beurs, terwijl Daan naast haar zat en zijn knie op en neer liet wippen.
„Waarom ben jij zenuwachtig?”
„Ik ben niet zenuwachtig. Ik heb gewoon energie.”
„Je knie gaat als een naaimachine.”
Hij legde zijn hand op zijn knie. Die bleef even stil en begon toen weer.
Bij Beurs stapten ze uit en liepen ze naar boven, de koude in. De stad was op zaterdag anders dan doordeweeks. Er liepen toeristen met koffers, families met kinderwagens, groepjes meiden met tassen van de Lijnbaan. Ze staken over bij de Hoogstraat en liepen langs de Markthal, waar het naar gebakken vis en stroopwafels rook, en toen zag ze het gebouw.
Ze was er vaker geweest. In de brugklas, met school, voor een rondleiding waar ze vooral had onthouden dat je er goed kon zitten zonder dat iemand je wegstuurde. Maar nu keek ze er anders naar. Het grote, schuine gebouw, met die dikke gele buizen die over de gevel kronkelden alsof iemand de ingewanden aan de buitenkant had gezet. Daan floot.
„Het lijkt wel een fabriek.”
„Het is een fabriek. Voor woorden.”
„Dat moet je opschrijven.”
„Dat ga ik zeker niet opschrijven.”
Binnen was het warm en licht. Mensen zaten aan lange tafels met laptops, een oude man las een krant met een vergrootglas, een moeder en een peuter zaten op de grond bij de prentenboeken. De roltrappen zoemden. Op een standaard bij de ingang stond een bord met gele letters: Poëziewedstrijd – voorronde – volg de pijlen.
De pijlen leidden naar een open ruimte op een van de verdiepingen. Er stonden zo’n tachtig stoelen in rijen, en voorin een klein verhoogd podium met één microfoon op een standaard. Achter het podium keek je door het grote raam uit over de stad: daken, de spoorlijn, de lucht die grijswit was en zo laag hing dat het leek alsof je hem met een bezemsteel kon aanraken.
De stoelen waren al half bezet. Vriendinnen, ouders, een oma met een bos bloemen op schoot. Yasmina voelde haar maag samentrekken.
„Ben jij Yasmina?”
Een vrouw van eind twintig kwam op hen af, met een klembord in haar hand en een knalgele trui aan die precies de kleur had van de buizen buiten. Ze had een stem die je tot achter in de zaal zou horen zonder microfoon.
„Ik ben Imani. Ik heb je gemaild.” Ze gaf Yasmina een hand, stevig. „Ik vond je filmpje echt goed. Die vrachtwagen op de achtergrond. Was dat expres?”
„Nee,” zei Yasmina.
„Ja,” zei Daan tegelijk.
Imani lachte, een harde, blije lach. „Mooi. Dan heb je je cameraman al. Kom, ik stel je voor aan de anderen. Jullie zijn met zijn twaalven. Zes gaan er door naar de finale.”
De anderen zaten op een rij stoelen aan de zijkant, apart van het publiek. Ze keken op zoals mensen in een wachtkamer opkijken: snel, en dan weer weg. Een meisje met rood haar in een strakke knot zat met haar ogen dicht en haar lippen bewogen zonder geluid. Een lange jongen met een bril en een trainingsjack van een atletiekclub zat met zijn benen ver voor zich uit gestrekt en at een banaan.
„Dit is Liv,” zei Imani, en het meisje met de knot opende haar ogen en knikte. „En dit is Bayo.”
„Hoi,” zei Bayo. Hij hield de banaan omhoog. „Wil je de helft? Ik heb er twee.”
„Nee, dank je.”
„Ik eet altijd bananen voor ik optreed. Kalium. Of magnesium. Een van de twee. Het werkt in ieder geval.” Hij schoof een stoel op zodat ze naast hem kon zitten. „Eerste keer?”
„Ja.”
„Voor mij de derde keer. Vorig jaar was ik vierde in de finale. Het jaar daarvoor viel ik al af in de voorronde, omdat ik halverwege moest niezen.”
„Echt?”
„Echt. Midden in een zin over mijn opa. Iedereen moest lachen. Het was een triest gedicht.” Hij haalde zijn schouders op. „Sindsdien neem ik een antihistaminicum.”
Liv had haar ogen alweer dicht. Yasmina keek naar haar handen. Daan was in de tweede rij gaan zitten, schuin achter de microfoon, op dezelfde plek als waar hij bij de Westblaak had gestaan. Hij stak zijn duim op.
De jury bestond uit drie mensen aan een tafeltje opzij: een oudere man met een sjaal die hij binnen ophield, een jonge vrouw die volgens het programmaboekje zelf twee bundels had uitgebracht, en een medewerker van de bibliotheek met een vriendelijk gezicht en een stapel scoreformulieren.
Ze trad op als zevende. Dat betekende dat ze zes keer moest luisteren naar mensen die het goed deden, of minder goed, en zes keer moest uitrekenen of zij het beter of slechter zou doen. Liv was de derde. Ze stond doodstil achter de microfoon en sprak een tekst uit over haar zus, die anorexia had gehad, en ze deed het zonder één keer te haperen, met een stem als glas. Toen ze klaar was, bleef het even stil, en daarna klapte de oma met de bloemen zo hard dat de bos van haar schoot viel.
Bayo was de vijfde. Hij deed een tekst over de vriezer van zijn oma in Ommoord, waar volgens hem nog ijs in lag uit 1998, en hij liet de zaal lachen tot het laatste stuk, toen bleek dat zijn oma was overleden en hij de vriezer niet durfde leeg te maken. Daarna was niemand meer aan het lachen. Yasmina zag de jonge dichteres aan de jurytafel iets opschrijven en onderstrepen.
„Nummer zeven,” zei Imani in de microfoon. „Yasmina.”
Ze stond op. Haar benen deden het. Dat was het eerste wat ze dacht: mijn benen doen het. Ze liep naar het podium, drie treden, en ging achter de microfoon staan. Hij stond te hoog. Ze draaide aan de knop, en hij zakte met een schok, en iemand in het publiek gniffelde.
Ze keek de zaal in. Tachtig gezichten. Meer dan tachtig, want achterin stonden ook nog mensen. Ze zag niemand. Ze zag alleen licht en vormen.
Toen zag ze Daan. Tweede rij, schuin rechts. Hij trok geen gek gezicht. Hij keek gewoon naar haar, rustig, alsof ze bij het bankje op de Westblaak stonden en er een vrachtwagen voorbij kon komen.
„Mijn tekst heet Volgende halte,” zei ze.
Ze had hem langer gemaakt, voor de drie minuten. Er was een stuk bij gekomen over Ilyas, over een jas die gescheurd was en over het woord hek. Ze had getwijfeld of ze dat stuk zou doen. Nu ze hier stond, wist ze dat ze het moest doen, omdat het het enige deel was dat echt nieuw was, het enige deel waarvan ze zelf nog niet precies wist wat het betekende.
Ze begon. Ze sprak over de stem in de metro, die elke halte aankondigt alsof je weet waar je heen gaat. Ze sprak over haar moeder, die de trap op telt. Over haar vader en zijn diensten. Ze sprak over de rode cirkel op de koelkast zonder te zeggen wat er op die dag gebeurde, en ze merkte dat de zaal stil werd, een ander soort stil dan daarvoor. Bij het stuk over haar broertje ging haar stem omlaag, bijna fluisterend, en ze zag een man op de derde rij naar voren buigen.
Toen het af was, stapte ze een halve pas achteruit. Het applaus kwam van ver, alsof het eerst door een tunnel moest.
Daan stond op. Als enige. Hij ging meteen weer zitten, rood tot in zijn nek.
Na de laatste kandidaat trok de jury zich terug in een glazen hokje achter de boekenkasten. Imani zette muziek op. Iemand deelde bekertjes ranja uit, en de oma met de bloemen bood iedereen een stroopwafel aan uit een grote zak.
„Je was goed,” zei Bayo, die naast Yasmina tegen een boekenkast leunde. „Echt. Dat stuk over die jas.”
„Jij ook. Die vriezer.”
„Mijn moeder moest huilen. Ze zit daar.” Hij wees naar een vrouw achterin die haar neus snoot. „Ze heeft hem trouwens nog steeds niet leeggemaakt. De vriezer. We zijn allemaal bang dat er iets in ligt waar we niet tegen kunnen.”
Liv stond een eindje verderop, alleen, met haar telefoon. Ze keek op toen Yasmina naar haar keek, en knikte kort. Het was geen onvriendelijk knikje. Het was het knikje van iemand die al aan de finale dacht.
Na twintig minuten kwam de jury terug. Imani pakte de microfoon.
„Oké. Ik ga het niet spannend maken, want dat vind ik zelf ook vreselijk. Dit zijn de zes finalisten, in willekeurige volgorde.”
Liv was de eerste naam. Bayo de derde. Yasmina hoorde de tweede niet eens, en de vierde ook niet, omdat ze alleen nog maar luisterde naar een geluid in haar hoofd dat steeds harder werd.
„… en Yasmina Amrani.”
Ze hoorde Daan juichen. Bayo gaf haar een klap op haar schouder. Iemand duwde een bekertje ranja in haar hand. Imani las door, met haar luide stem, terwijl de mensen alweer opstonden en jassen pakten.
„De finale is over vier weken, op zaterdag eenentwintig maart, hier in deze zaal, om drie uur ’s middags. Jullie krijgen in de tussentijd twee workshops, en de finale wordt ook gestreamd, dus jullie familie kan thuis meekijken. Gefeliciteerd, allemaal.”
Yasmina stond stil.
Zaterdag eenentwintig maart.
Ze zag de koelkast. De sinaasappelmagneet. Het A4’tje met de rode cirkel, in het handschrift van haar moeder. Selectietoets geneeskunde. 12.30 – 17.00 uur. Niet te laat komen!!!
Daan was naast haar komen staan. Hij grijnsde van oor tot oor. Hij had zijn armen al half gespreid om haar te omhelzen, en toen zag hij haar gezicht.
„Wat is er?”
„Het is dezelfde dag,” zei Yasmina.