Hoofdstuk 3: De video
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Haar moeder nam op voordat de eerste toon was afgelopen.
„Waar zit je?”
„In de kantine. Mam, wat is er?”
„Ik weet het niet precies. Mevrouw Dekker belde. Ilyas is uit de les gehaald, er is iets met een filmpje. Ze willen dat iemand hem komt halen, maar ik sta hier alleen, Sevda is ziek, de wachtkamer zit vol.” Op de achtergrond hoorde Yasmina een telefoon rinkelen en een kind huilen. „Je vader slaapt, hij heeft tot drie uur gereden. Kun jij gaan? Je zit in hetzelfde gebouw.”
„Ik heb zo wiskunde.”
„Yasmina.”
„Ik ga al.”
Het kantoortje van mevrouw Dekker zat op de eerste verdieping, naast de kopieerruimte. Er hing een poster aan de deur met een foto van een bos en de tekst Samen maken we de school. Yasmina klopte en ging naar binnen.
Ilyas zat op een stoel bij het raam. Hij had zijn capuchon op en zijn handen tussen zijn knieën. Hij keek niet op toen ze binnenkwam.
Mevrouw Dekker was een lange vrouw met grijs, kortgeknipt haar en een bril aan een koordje. Ze was teamleider van de onderbouw en Yasmina had haar zes jaar lang op het schoolplein zien staan, bij weer en wind, met een fluitje dat ze nooit gebruikte.
„Fijn dat je er bent,” zei ze. „Ga zitten. Je moeder heeft je verteld wat er aan de hand is?”
„Niet echt.”
Mevrouw Dekker keek even naar Ilyas, alsof ze hem de kans wilde geven het zelf te zeggen. Hij bewoog niet. Ze draaide haar laptop om.
Het filmpje duurde veertig seconden. Het was gemaakt van een stukje dat iemand in de les had opgenomen: meneer Koppelaar, de wiskundeleraar van de derde klassen, die bij het bord iets uitlegde over grafieken. Maar zijn gezicht was bewerkt. Zijn ogen waren groot gemaakt, zijn mond bewoog op een stem die niet de zijne was, een hoge, piepende stem die dingen zei als ik snap zelf ook niks van wiskunde en mijn vrouw is weggelopen met de conciërge. Er zat muziek onder. Aan het eind draaide het hoofd van meneer Koppelaar rond als een tol en ontplofte het in een wolk van confetti.
Het was, Yasmina moest het toegeven, goed gemaakt. Dat maakte het erger.
„Dit is sinds vrijdagavond rondgegaan,” zei mevrouw Dekker. „In groepsapps, op TikTok, tot in de bovenbouw. Meneer Koppelaar heeft het vanochtend gezien, toen hij zijn les binnenliep en de halve klas het geluid nadeed. Hij is naar huis gegaan.”
Yasmina keek naar haar broertje. „Jij hebt dit gemaakt?”
Ilyas zei niks.
„Het is gepost vanaf een account dat we hebben kunnen terugvoeren naar Ilyas,” zei mevrouw Dekker. „Hij heeft het ook niet ontkend. Hij heeft eigenlijk helemaal niets gezegd.”
„Wat gaat er nu gebeuren?”
„Ilyas is voor drie dagen geschorst. In die tijd gaan we uitzoeken wat er precies is gebeurd en wie er nog meer bij betrokken waren. Daarna volgt er een gesprek met jullie ouders.” Ze zette haar bril af en liet hem aan het koordje hangen. „Ik moet eerlijk zijn. Dit is ernstig. Een docent is persoonlijk beschadigd. Als het onderzoek uitwijst dat Ilyas dit alleen en met opzet heeft gedaan, dan wordt er ook gesproken over de vraag of hij op deze school kan blijven.”
Het woord blijven bleef in de lucht hangen. Ilyas trok zijn capuchon verder over zijn hoofd.
„Waarom?” vroeg Yasmina. Niet aan mevrouw Dekker. Aan hem.
Hij haalde zijn schouders op.
„Ilyas. Waarom heb je dit gedaan?”
„Omdat het grappig was,” zei hij. Zijn stem was vlak, alsof hij een tekst voorlas die iemand anders had geschreven.
Mevrouw Dekker keek Yasmina aan over de laptop heen. Ze zei niets, maar Yasmina kon zien dat ze het ook niet geloofde.
Ze liepen samen naar huis, over de Pleinweg, langs de snackbar waar al om half twaalf de frituur aanstond en de kapperszaak met de foto’s van kapsels uit 2009 in de etalage. Het motregende. Ilyas liep een halve meter voor haar uit, met zijn handen in de zakken van zijn te korte jas.
„Je weet dat papa slaapt,” zei Yasmina.
„Weet ik.”
„Je weet dat hij wakker wordt als we binnenkomen.”
„Weet ik.”
„Ilyas, kun je één keer iets anders zeggen dan weet ik?”
Hij bleef staan, midden op de stoep. Een man met een hond moest om hen heen. Ilyas draaide zich om, en voor het eerst die dag keek hij haar recht aan. Zijn ogen waren rood.
„Wat wil je dat ik zeg? Dat het me spijt? Het spijt me. Oké? Blij?”
„Ik wil weten waarom.”
„Dat heb ik gezegd.”
„Je zei dat het grappig was.”
„Nou dan.”
Hij liep weer door. Yasmina bleef even staan in de regen. Toen haalde ze hem in.
Hun vader zat aan de keukentafel toen ze binnenkwamen. Hij had zijn ochtendjas aan, de blauwe met de rafelige mouw, en voor hem stond een glas thee waar hij niet van dronk. Rachid Amrani was geen man die hard praatte. Hij had twintig jaar bussen door Rotterdam gereden, door spits en sneeuw en dronken nachten, en hij had geleerd dat je met harde woorden niets bereikte wat je niet ook met zachte kon bereiken. Daarom was het zo erg als hij helemaal niets zei.
Hij keek naar Ilyas. Ilyas keek naar de vloer.
„Ga zitten,” zei hun vader.
Ilyas ging zitten.
„Je moeder heeft me gebeld. Ik heb het filmpje gezien.” Hij draaide het glas thee een kwartslag. „Ken je die man? Die meneer Koppelaar?”
„Hij is mijn wiskundeleraar.”
„Dat vroeg ik niet. Ik vroeg of je hem kent.”
Ilyas gaf geen antwoord.
„Hij heeft een vrouw, zeker. Misschien kinderen. Een moeder. En die zien dit nu.” Hun vader praatte langzaam. „Iemand heeft zijn gezicht gepakt en daar een grap van gemaakt. Zonder te vragen. Weet je hoe dat voelt?”
„Pap, ik—”
„Ik ben nog niet klaar.” Hij zei het niet hard. „Ik rijd elke dag mensen rond die mij niet zien. Voor hen ben ik de bus. Ik ben een pet en een stuur. Als ze boos zijn op de vertraging, dan zijn ze boos op mij. Ze schelden. Ze filmen soms. Het kan me niks schelen, dat hoort erbij.” Hij keek Ilyas aan. „Maar als iemand mijn gezicht zou pakken en er een clown van zou maken, en dat zou mijn zoon zien, of mijn dochter—”
Hij maakte de zin niet af. Hij stond op, liet zijn thee staan en liep terug naar de slaapkamer. De deur ging zachtjes dicht.
Ilyas zat aan de tafel. Zijn schouders schokten één keer, en toen niet meer.
Yasmina wilde iets zeggen. Ze wist niet wat. Ze zette water op en maakte twee tosti’s, omdat dat het enige was wat ze kon bedenken, en zette er een voor hem neer. Hij at hem op zonder op te kijken. Daarna ging hij naar zijn kamer.
Haar moeder kwam om zes uur thuis. Ze had het hele verhaal al aan de telefoon gehoord, van mevrouw Dekker en van haar man, en ze had onderweg in de metro zitten huilen, dat kon Yasmina zien aan de vlekken onder haar ogen. Ze ging naar Ilyas’ kamer en bleef daar een uur. Yasmina hoorde stemmen door de muur: eerst die van haar moeder, hoog en snel, en dan stilte, en dan weer haar moeder, zachter, en heel af en toe een laag gebrom dat Ilyas moest zijn.
Toen ze naar buiten kwam, was haar gezicht strak.
„Hij zegt niks,” zei ze. „Hij zegt alleen dat het een grap was.”
„Dat zei hij tegen mij ook.”
Haar moeder ging aan de keukentafel zitten, op de plek waar haar vader die ochtend had gezeten. Ze wreef met haar vingers over haar slapen.
„Drie dagen thuis. Je vader werkt, ik werk.” Ze keek op. „Kun jij de komende dagen meteen na school naar huis komen? Ik wil niet dat hij hier alleen zit. Niet nu.”
„Mam, ik heb—”
„Ik weet dat je het druk hebt. Ik weet dat je moet leren. Dat kan hier ook.” Ze pakte Yasmina’s hand, iets wat ze niet vaak deed. Haar vingers waren koud. „Jij bent de verstandige van ons. Dat ben je altijd geweest. Ik reken op je.”
De verstandige. Het was een compliment. Het was altijd bedoeld als een compliment.
„Oké,” zei Yasmina.
Woensdagmiddag zat ze aan de keukentafel met haar scheikundeboek open en een bak druiven die ze niet at. Ilyas lag op de bank met zijn telefoon, die hun moeder hem had teruggegeven met de belofte dat hij er niets mee zou posten. Hij scrolde. Af en toe lachte hij, kort, om iets wat Yasmina niet kon zien. Het was het eerste geluid dat ze in twee dagen van hem had gehoord.
„Wat is er zo grappig?”
„Een kat die bang is voor een komkommer.”
„Dat is al tien jaar oud.”
„Het blijft grappig.”
Ze glimlachte, ondanks alles. Toen trilde haar telefoon.
Van: Poëziewedstrijd Jongeren Onderwerp: Je bent door!
Beste Yasmina, Wat fijn dat je hebt meegedaan. We hebben meer dan honderdtwintig inzendingen ontvangen en de jury was het snel eens: we willen jou graag horen op de voorronde. Die vindt plaats op zaterdag 21 februari om 14.00 uur in de Centrale Bibliotheek. Je draagt een tekst van maximaal drie minuten voor, live, voor publiek. Laat je ons vóór vrijdag weten of je erbij bent? Hartelijke groet, Imani Lont namens de organisatie
Ze las het drie keer. Bij de derde keer zag ze dat haar hand trilde.
„Wat?” zei Ilyas vanaf de bank.
„Niks.”
„Je kijkt alsof je de loterij hebt gewonnen.”
„Het is niks. School.”
Hij keek haar een tijdje aan. Toen ging hij weer liggen en scrolde verder. Maar voordat hij zijn ogen weer op zijn scherm richtte, zag ze iets in zijn blik wat ze herkende, omdat ze het zelf ook had.
Het was de blik van iemand die wist dat er werd gelogen, en die besloot er niks van te zeggen.