Hoofdstuk 2: Twee minuten
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Die week schreef Yasmina overal. In het tweede uur, onder de tafel, tijdens een uitleg over de wet van Hess. In de pauze, op het bankje bij de fietsenstalling waar het naar natte jassen rook. In de metro, tussen Zuidplein en Rijnhaven, met haar knieën tegen de stoel voor haar. Ze schreef over haar broertje en over de rode cirkel op de koelkast, en ze schreef over de stem in de metro die elke halte aankondigde alsof er nooit iets onverwachts kon gebeuren.
Ze vertelde niemand dat ze het voor de wedstrijd deed. Zelfs zichzelf niet helemaal.
Ilyas ging elke ochtend vroeger de deur uit dan nodig was. Zijn jas lag in een plastic tas in de gang, met een briefje erop in het handschrift van hun moeder: naar de kleermaker bij de Beijerlandselaan. Hij droeg nu zijn oude jas, die te kort was in de mouwen. Als Yasmina hem op school tegenkwam, in de gang bij de kluisjes, keek hij net langs haar heen. Niet boos. Eerder alsof hij heel erg zijn best deed om er niet te zijn.
Op woensdag probeerde ze het.
„Hé,” zei ze, toen ze hem in de kantine zag staan met een flesje water. „Die jas. Dat was geen hek, hè?”
„Waarom kan niemand gewoon geloven wat ik zeg?”
„Omdat je slecht liegt.”
Hij keek haar aan, en heel even dacht ze dat hij iets ging zeggen. Toen riep iemand achter hem zijn naam, een jongen met een pet die hij binnen niet mocht ophebben, en Ilyas draaide zich om en liep weg.
Op zaterdag stuurde Daan haar een spraakbericht van drie minuten. Ze luisterde het af op de wc, omdat dat de enige plek in huis was waar niemand haar iets vroeg.
„Yas. Ik heb het reglement gelezen. Nou ja, ik heb het laten voorlezen door mijn telefoon, maar dat telt ook. Het moet een eigen tekst zijn, je mag geen muziek gebruiken, en het filmpje mag niet bewerkt zijn. Gewoon één take. Dat is beter, toch? Dan hoef ik niet te knippen. En je moet je naam en leeftijd zeggen aan het begin. En je moet in de regio Rotterdam wonen, en dat doe je, want ik zie je elke dag, dus. Morgenavond om negen uur bij de Westblaak? Er is dan bijna niemand, alleen die gast met de longboard die altijd in kringetjes rijdt. Ik heb een lamp geleend van mijn tante. Het is een ringlamp. Je weet wel, voor influencers. Lach niet.”
Ze lachte niet. Ze zat op de wc-deksel en staarde naar de tegels.
Toen typte ze: oké.
En meteen erachter: maar als ik het niet kan, gaan we gewoon naar huis.
Hij stuurde een duim terug. En daarna nog een, alsof hij bang was dat ze de eerste niet had gezien.
Zondagavond vertelde ze thuis dat ze bij Daan ging leren. Dat was half waar: Daan had een toets Nederlands op dinsdag en ze had beloofd hem te helpen. Haar moeder keek op van de bank, waar ze met een plaid over haar benen naar een Turkse serie zat te kijken die ze altijd zei niet te volgen.
„Om negen uur? Op zondag?”
„Hij heeft dinsdag een toets.”
„Je hebt zelf ook toetsen.”
„Ik ben om elf uur thuis.”
Haar moeder zuchtte, maar ze knikte. Daan was een vaste waarde in hun huis, al sinds de brugklas. Hij at alles wat je hem voorzette, hij zei dank u wel, mevrouw Amrani op een manier die net niet overdreven was, en hij had een keer de wasmachine gerepareerd toen hun vader drie dagen dubbele diensten draaide. Daan was veilig.
Ilyas lag op zijn kamer. Onder zijn deur scheen een blauw licht.
De metro naar Beurs was bijna leeg. Een vrouw in een schoonmaakpak sliep met haar hoofd tegen het raam. Twee meisjes deelden een zak chips en keken samen naar één telefoon. Yasmina zat bij de deur en las haar tekst voor de vijftigste keer. Ze kende hem uit haar hoofd. Dat was het punt niet.
Bij de Westblaak waaide het. Het skatepark lag tussen de twee rijbanen in, een lang lint van beton en metalen randen, verlicht door hoge lantaarns die alles een gelige kleur gaven. Overdag was het er een herrie van wieltjes en geschreeuw. Nu reed er inderdaad alleen een jongen met een longboard rondjes, met oortjes in en zijn ogen half dicht.
Daan stond bij een van de bankjes. Hij had een statief opgezet met zijn telefoon erop, en ernaast een ring van wit licht die zo fel was dat Yasmina ervan moest knipperen.
„Is dat niet een beetje veel?”
„Je wilt toch niet dat je eruitziet als een geest?”
„Ik zie er nu uit als iemand die verhoord wordt.”
Hij draaide aan een knopje. Het licht werd warmer. „Beter?”
„Een beetje.”
Hij wees naar een plek op het beton, waar hij met krijt een kruis had getekend. „Daar. Dan heb je de lichten van de stad achter je. En die vrachtwagens die af en toe langskomen, dat is sfeer.”
„Dat is lawaai.”
„Sfeer.”
Ze ging op het kruis staan. De wind trok aan haar sjaal. Ze stopte hem in de kraag van haar jas en deed toen haar handen in haar zakken, en daarna weer eruit, omdat dat er raar uitzag.
„Wat moet ik met mijn handen?”
„Wat doe je er normaal mee?”
„Normaal denk ik niet aan mijn handen.”
„Denk er dan nu ook niet aan.” Daan keek op zijn scherm. „Ik druk op opnemen. Je zegt je naam en je leeftijd. En dan ga je.”
Hij drukte. Een klein rood lampje ging aan.
„Ik heet Yasmina Amrani,” zei Yasmina. „Ik ben zeventien jaar. Mijn tekst heet—”
Ze wist het niet meer.
Ze wist de titel niet meer. Ze wist de eerste regel niet meer. Alles wat ze de hele week in haar hoofd had gedragen, was weggestroomd, alsof iemand de stop uit een bad had getrokken. Ze stond op een krijtkruis op de Westblaak en voor haar brandde een ring van licht en ze had niets. Helemaal niets.
„Stop,” zei ze. „Stop, stop, stop.”
Daan drukte het lampje uit.
„Geeft niks,” zei hij.
„Het geeft wel wat.” Haar stem klonk hoger dan ze wilde. „Ik weet het niet meer. Ik weet het gewoon niet meer. Hoe kan dat nou? Ik heb het honderd keer gelezen.”
„Lees het dan nog een keer.”
„Ik mag het niet voorlezen. Dan ziet het er niet uit.”
„Wie zegt dat?”
Ze gaf geen antwoord. Ze ging op het bankje zitten en trok haar knieën op. De jongen met het longboard reed langs, keek niet op of om. Een tram belde in de verte. Op de overkant van de weg, achter de bomen, lichtten de ramen op van kantoren waar niemand meer werkte.
Daan kwam naast haar zitten. Hij zei een tijdje niks. Toen haalde hij zijn telefoon van het statief en hield hem haar voor.
„Weet je wat ik doe als ik een trick niet durf?”
„Je doet hem toch.”
„Nee. Ik doe hem eerst heel klein. Dan ga ik bijvoorbeeld een ollie doen op de stoep, op een plek waar het niks uitmaakt. Gewoon om mijn voeten te laten weten wat ze moeten doen.” Hij haalde zijn schouders op. „Mijn hoofd weet het allang. Maar mijn voeten moeten het ook weten.”
„Ik heb geen voeten in dit verhaal.”
„Je hebt een mond.”
Ze keek hem aan. Hij keek terug, met die blik die hij had als hij iets serieus bedoelde en het niet serieus wilde laten klinken.
„Lees het aan mij voor,” zei hij. „Niet aan de camera. Gewoon aan mij. Zoals altijd.”
„En dan?”
„Dan zie je wel.”
Ze haalde diep adem. Ze pakte haar eigen telefoon, opende de notitie, en las het eerste stuk aan Daan voor, zachtjes, met haar schouder bijna tegen de zijne. Het ging. Natuurlijk ging het. Daan luisterde zoals hij altijd luisterde, met zijn hoofd een beetje schuin, en bij een regel over haar vader die zijn diensten telde knikte hij even, alsof hij die regel herkende van ergens.
„Oké,” zei hij toen ze klaar was. „En nu staan.”
„Daan.”
„Je hoeft niet naar de camera te kijken. Kijk naar mij. Ik sta er vlak naast.”
Ze stond op. Ze liep naar het kruis. Daan zette zijn telefoon weer op het statief en ging er schuin achter staan, zodat zijn gezicht net naast de lens zat. Hij trok een gek gezicht, en ze moest lachen, en het lachen maakte iets los in haar borst.
Het rode lampje ging aan.
„Ik heet Yasmina Amrani. Ik ben zeventien jaar. Mijn tekst heet Volgende halte.”
En toen begon ze.
Ze zei het niet zoals ze het geoefend had. Ze zei het sneller op sommige plekken en langzamer op andere, en bij de regel over haar broertje stokte haar stem, maar ze ging door. Ze keek naar Daan. Daan keek naar haar. Een vrachtwagen denderde over de Westblaak en ze praatte erdoorheen, harder, en het voelde alsof ze iets terugriep naar de stad. De wind nam haar woorden mee de straat in.
Toen het af was, bleef het stil. Daan drukte het lampje uit.
„Een minuut zevenenvijftig,” zei hij.
„Was het goed?”
Hij zei niks. Hij keek naar zijn scherm en speelde het terug, zonder geluid. Toen keek hij op.
„Yas. Je moet het zelf zien.”
„Ik wil het niet zien.”
„Dan stuur ik het in.”
„Nee!”
„Waarom niet?”
Omdat dan iemand het zou zien. Omdat het dan bestond, ergens op een computer in een gebouw met gele buizen aan de gevel, waar mensen met een kop koffie naar haar zouden kijken en een cijfer zouden geven. Omdat dit het moment was waarop haar notitie geen boodschappenlijst meer was.
„Geef maar,” zei ze.
Ze vulde het formulier zelf in, op het bankje, met koude vingers. Naam. Leeftijd. Postcode. Telefoonnummer. Hoe heb je van de wedstrijd gehoord? Ze typte: Een scherm op Zuidplein. Ze uploadde het filmpje. Het balkje kroop vooruit. Om negen over half twaalf stond er op het scherm: Bedankt voor je inzending! Je hoort uiterlijk 11 februari of je door bent naar de voorronde.
Daan stak zijn hand op voor een high five. Ze sloeg ertegen, hard, en haar hand tintelde.
Thuis was ze om vijf over twaalf. Haar moeder sliep al. Haar vader was nog niet terug. Onder de deur van Ilyas scheen nog steeds dat blauwe licht.
De volgende ochtend, maandag, zat ze in het derde uur bij economie toen haar telefoon trilde in haar tas. Ze keek niet, want mevrouw Bakkal zag alles. Hij trilde weer. En nog een keer.
In de pauze haalde ze hem tevoorschijn. Vier gemiste oproepen van haar moeder. Eén bericht.
School heeft gebeld over Ilyas. Waar ben je? Bel me NU.