Hoofdstuk 1: Volgende halte
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Volgende halte: Zuidplein.”
De stem in de metro klonk zoals altijd: een vrouw die nergens haast mee had. Yasmina keek niet op. Haar duim gleed over het scherm van haar telefoon, waar een notitie openstond die boodschappen heette. Er stonden geen boodschappen in.
Mijn moeder telt de treden van de trap / alsof ze ergens moet aankomen / mijn vader telt zijn diensten / ik tel woorden die ik nooit hardop zeg.
Ze las het terug en trok een gezicht. Te makkelijk. Tellen stond er twee keer in, en dat was niet slim, dat was lui. Ze wiste de laatste regel en begon opnieuw.
Tegenover haar zat een man met een tas van de Action op schoot, waar een rol keukenpapier uit stak. Naast hem een meisje van een jaar of zes dat met haar vinger smileys tekende op de beslagen ruit. Buiten schoof de Maashaven voorbij, grijs water, een kraan, de lichten van de kade die in de vroege schemering al aan waren. Begin februari. Om half vijf werd het donker en om vijf uur was het nacht, zo voelde het tenminste.
De metro remde. Yasmina sloot de notitie, stopte haar telefoon in haar jaszak en stond op voordat de deuren opengingen. Ze kende het moment precies, net als het piepje en de windvlaag die over het perron joeg.
Op de roltrap naar beneden zag ze hem al staan, bij de pilaar waar altijd een stuk kauwgom tegenaan geplakt zat dat niemand ooit weghaalde. Daan, met zijn board onder zijn arm en zijn capuchon zo ver over zijn hoofd dat alleen zijn neus eruit stak.
„Je bent laat,” zei hij.
„Ik ben precies op tijd. Jij bent te vroeg.”
„Ik ben nooit te vroeg. Ik ben er gewoon.” Hij trok zijn capuchon naar achteren. Zijn haar stond alle kanten op, blond met een groenige gloed aan de punten, van een experiment in de zomer dat volgens hem expres was mislukt. „Ik heb drie keer een kickflip geland bij de Westblaak. Drie keer. Achter elkaar.”
„Heb je het gefilmd?”
„Natuurlijk heb ik het gefilmd. Wat denk je dan. Dat ik dat aan jou ga vertellen? Dan geloof je me toch niet.”
Ze liepen samen naar de uitgang, langs de bakkerij die naar te zoete broodjes rook en de jongen die al maanden dezelfde gratis krant probeerde uit te delen. Buiten blies de wind recht in hun gezicht. Het winkelcentrum lag als een groot, verlicht schip aan de overkant, en de bussen stonden in een rij te ronken.
Daan liet haar het filmpje zien. Hij in zijn grijze hoodie, een sprongetje, het board dat onder zijn voeten draaide alsof het een eigen wil had. Landen, rollen, nog een keer. Op de achtergrond schreeuwde iemand iets wat je niet kon verstaan.
„Wie is dat?”
„Mo. Hij was jaloers.”
„Hij klinkt blij.”
„Jaloers en blij. Dat kan tegelijk.” Hij stak zijn telefoon weg. „En jij? Nog iets geschreven?”
Ze haalde haar schouders op. Daan was de enige die het wist. Niet omdat ze besloten had het hem te vertellen, maar omdat hij in de tweede klas een keer over haar schouder had meegelezen en had gevraagd waarom ze een boodschappenlijst schreef die rijmde. Toen had ze hem bijna een klap gegeven. Nu, vier jaar later, las ze hem dingen voor. Hardop, want lezen ging bij hem langzaam en de letters dansten, zei hij, als mieren op een warme stoep.
„Iets over tellen,” zei ze. „Het is nog niks.”
„Lees voor.”
„Hier? Nee.”
„Waarom niet? Niemand luistert. Kijk dan.” Hij spreidde zijn armen. Een vrouw met een kinderwagen liep om hen heen, een jongen op een fatbike scheurde over de stoep. „Rotterdam heeft wel wat anders aan zijn hoofd.”
Ze schudde haar hoofd en liep door. Bij de ingang van het winkelcentrum bleef Daan ineens staan.
„Yas.”
„Wat?”
Hij wees. Naast de deur hing een groot scherm met reclame: een parfum, een telefoonabonnement, een kortingsactie bij een schoenenzaak. En daarna, vijf seconden lang, een zwarte achtergrond met gele letters.
Heb jij iets te zeggen? Poëziewedstrijd voor jongeren van 15 tot 20. Voorronde en finale in de Centrale Bibliotheek. Stuur vóór 8 februari een filmpje van maximaal twee minuten in.
Toen kwam het parfum weer.
„Nee,” zei Yasmina.
„Ik heb nog niks gezegd.”
„Je gaat iets zeggen. En het antwoord is nee.”
„Wacht even. Het komt zo terug.” Daan bleef stokstijf staan tot de reclame weer rond was en maakte een foto. „Twee minuten. Dat is niks. Dat is korter dan jij nodig hebt om te kiezen wat je bij de Albert Heijn haalt.”
„Ik kies heel snel bij de Albert Heijn.”
„Je stond gisteren vier minuten voor de yoghurt.”
„Omdat ze die met honing niet meer hadden.”
Hij grijnsde. Ze liepen het winkelcentrum in, waar het warm was en naar friet en wasmiddel rook. Daan moest een nieuwe grip tape halen en zij moest niks, maar ze had nog geen zin om naar huis te gaan. Thuis was het half zes, en om half zes werd er gekookt, en tijdens het koken werd er gepraat. Over school. Over cijfers. Over de toekomst, een woord dat haar moeder uitsprak alsof het een gebouw was waar je de sleutel al van had.
„Ik meen het,” zei Daan bij de skatewinkel. Hij hield twee rollen grip tape omhoog, een zwarte en een zwarte met witte spikkels. „Je moet het doen.”
„Die met spikkels.”
„Ik bedoel de wedstrijd.”
„Ik weet wat je bedoelt.” Ze pakte de rol met spikkels uit zijn hand en legde hem op de toonbank. „Ik ga geen filmpje van mezelf maken waarin ik gedichten opzeg. Dat is iets voor mensen die Yasmina’s Gedachten boven hun Instagram zetten met een bloemetje erachter.”
„Je hoeft er toch geen bloemetje bij te zetten.”
„Daan.”
„Ik film wel. Ik ben goed in filmen. Ik heb drie kickflips gefilmd.”
„Je hebt jezelf drie kickflips zien doen op een filmpje dat Mo heeft gemaakt.”
Hij hield even zijn mond. Toen lachte hij, hard, zodat de verkoper opkeek. „Oké. Mo heeft gefilmd. Maar ik had het statief ingesteld.”
Het trappenhuis van haar flat rook naar koriander en bleekmiddel. Op de tweede verdieping stond de deur van mevrouw Kok open; haar tv stond te hard en er werd een quiz gespeeld. Op de derde verdieping lag een fiets zonder voorwiel. Op de vierde verdieping, achter de deur met het naambordje Amrani en een sticker van Feyenoord die haar vader er twaalf jaar geleden op had geplakt, wachtte de keuken.
„Je bent laat,” zei haar moeder.
Iedereen vond haar vandaag laat.
„Ik was met Daan.” Yasmina trok haar schoenen uit en zette ze netjes naast die van haar vader, die er niet stonden, want hij reed vanavond. Nadia Amrani stond bij het fornuis in haar werkbroek van de huisartsenpraktijk, het naamplaatje nog op haar borst. Ze roerde in een pan met linzensoep en tegelijk keek ze op haar telefoon, die tegen de suikerpot stond.
„Moet je horen,” zei ze. „Ik heb vandaag met Sevda gesproken. Haar dochter heeft vorig jaar die selectietoets gedaan. Weet je wat ze zei? Dat je de oude toetsen moet oefenen. Dat het niet alleen kennis is, het is ook strategie.” Ze sprak het woord uit met nadruk, alsof het een medicijn was. „Ik heb de datum in de agenda gezet. Zaterdag eenentwintig maart. Dat is over zeven weken.”
„Ik weet het, mam.”
„Je weet het, maar heb je het ook in jóúw agenda staan?”
„Het staat op de koelkast.” Yasmina wees. Op de koelkast hing een A4’tje met de dag in rood omcirkeld, vastgemaakt met een magneet in de vorm van een sinaasappel. Haar moeder had het daar zelf opgehangen.
„Goed zo.” Nadia proefde van de soep en schudde haar hoofd naar zichzelf. „Zout. Waar is Ilyas?”
„Weet ik niet.”
„Hij zou om vijf uur thuis zijn.”
Yasmina pakte de borden uit de kast. Drie, want haar vader kwam pas na middernacht thuis. Ze dekte de tafel, en terwijl ze de lepels neerlegde, dacht ze aan de gele letters op het scherm. Heb jij iets te zeggen? Natuurlijk had ze iets te zeggen. Iedereen had iets te zeggen. Dat was het probleem niet. Het probleem was dat je het dan ook moest zeggen, en dat er mensen waren die luisterden.
„Hoe was het met scheikunde?” vroeg haar moeder.
„Een zeven komma vier.”
Een korte stilte. De lepel tikte tegen de pan.
„Zeven komma vier is goed,” zei haar moeder. „Maar voor de toets moet het beter. Dat weet je.”
„Het is een schoolproefwerk. Geen selectietoets.”
„Alles is oefenen.”
Het was niet onaardig bedoeld. Dat wist Yasmina. Haar moeder werkte al negentien jaar achter de balie van een praktijk aan de Groene Hilledijk. Ze kende de namen van alle medicijnen, ze kon een wond beter verbinden dan de jonge dokters die er stage liepen, ze wist wanneer iemand echt ziek was en wanneer iemand vooral eenzaam was. En ze was nooit dokter geworden. Daar werd niet over gepraat. Het hing gewoon in de keuken, net als de geur van komijn.
Om tien over half zeven ging de voordeur open.
Ilyas kwam binnen zonder iets te zeggen. Hij was veertien en sinds de zomer tien centimeter gegroeid, alsof zijn lichaam ineens haast had gekregen. Zijn armen waren te lang voor zijn jas. Hij liep regelrecht door naar zijn kamer, maar hun moeder was sneller.
„Ilyas. Wacht.”
Hij bleef staan in de gang, met zijn rug naar hen toe.
„Waar was je?”
„Bij Rayan.”
„Je zou om vijf uur thuis zijn.”
„We waren aan het gamen. Ik was de tijd vergeten.” Hij draaide zich half om. „Sorry.”
Yasmina zag het als eerste. Zijn jas, de zwarte met de oranje voering waar hij in november voor gespaard had, was bij de schouder gescheurd. Niet een beetje. Een flap stof hing naar beneden, en de vulling stak eruit als wit schuim.
„Wat is er met je jas gebeurd?” vroeg ze.
Ilyas keek naar zijn schouder alsof hij het zelf ook nu pas zag.
„Ergens achter blijven haken,” zei hij. „Aan een hek.”
„Welk hek?”
„Gewoon. Een hek. Bij het park.”
Hun moeder zette de pan neer. Ze liep naar hem toe en voelde aan de stof, draaide hem een beetje bij zijn arm, zoals ze bij patiënten deed. Ilyas liet het toe, maar Yasmina zag hoe hij zijn kaken op elkaar klemde.
„Dat is geen hek,” zei hun moeder zacht. „Dat is gescheurd. Iemand heeft hieraan getrokken.”
„Het was een hek, mam.” Hij trok zich los. „Ik heb geen honger.”
De deur van zijn kamer ging dicht. Niet hard. Juist niet hard, en dat vond Yasmina erger.
Haar moeder bleef in de gang staan, met haar hand nog half omhoog. Toen draaide ze zich om en schepte zwijgend twee borden soep op. Ze aten tegenover elkaar. Op de koelkast gloeide de rode cirkel rond de eenentwintigste maart.
Later, in bed, met het licht uit en de geluiden van de stad door het raam heen, opende Yasmina de notitie die boodschappen heette. Ze las wat ze in de metro had geschreven. Ze wiste alles. Toen typte ze:
Mijn broertje zegt hek / en mijn moeder hoort het woord / dat hij niet zegt.
Ze keek er lang naar. Daarna zocht ze de foto op die Daan haar had doorgestuurd, van de gele letters op het zwarte scherm. Vóór 8 februari.
Nog zes dagen.