Hoofdstuk 10: Over mij
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De nieuwe tekst kwam in drie nachten.
Ze had de doorgestreepte regel teruggevonden in haar notitieboekje, Er is een jongen die de letters ziet dansen, en ze had de streep genegeerd en verder geschreven. Over een jongen die de wereld ziet in lijnen, die een stoeprand bekijkt en al weet hoe zijn board eroverheen gaat. Over letters als mieren op een warme stoep. Over een vier komma één en een vier komma acht. Over een robotstem in een koptelefoon die vertelt over binnenstedelijke mobiliteit. Het werd goed. Dat merkte ze aan hoe het ging: de regels kwamen achter elkaar aan, zonder dat ze hoefde te duwen. Ze schreef het in de metro en in de pauze en ’s nachts onder haar dekbed, met het schrift van haar vader nog onder haar kussen.
Op maandag zestien maart was de laatste workshop. Imani had gevraagd of iedereen een eerste versie van zijn finaletekst wilde laten horen, en of Daan wilde komen filmen, voor een promotiefilmpje van de bibliotheek. „Je cameraman,” had ze gezegd, met een knipoog in haar stem. „Met de vrachtwagens.”
Daan was er een kwartier te vroeg. Hij had het statief bij zich, en de ringlamp van zijn tante, en hij grijnsde breder dan Yasmina hem in weken had gezien.
„Raad,” zei hij.
„Wat?”
„Raad gewoon.”
„Je hebt een nieuw board.”
„Nee.” Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn en hield hem omhoog. Een schermafbeelding van het cijferoverzicht van school. Nederlands – leesvaardigheid – 6,2. „Zes komma twee, Yas. Zes komma twee.”
Ze gilde. Ze kon er niets aan doen. Liv, die net binnenkwam, keek geschrokken op. Yasmina sloeg haar armen om Daans nek, en hij tilde haar een stukje op, en liet haar toen weer vallen omdat het statief bijna omkiepte.
„Het kwam door die tikjes,” zei hij. „Bij elke alinea. Ik deed het zelf, met mijn pen. En de liniaal. En ik las het eerst heel snel, alleen de eerste zinnen, zoals jij zei.” Hij schudde zijn hoofd. „Mijn moeder heeft gehuild. Om een zes. Fem heeft een tekening voor me gemaakt. Er staat een zes op met vleugels.”
„Een pegasus-zes.”
„Precies.”
Ze ging als vierde. Daan stond achter het statief, schuin, zodat zijn gezicht naast de lens zat, zoals altijd. Ze had het met opzet zo gedaan, dat ze deze tekst voor het eerst hier liet horen, met hem erbij. Het moest een cadeau zijn. Dat had ze zich voorgesteld: dat hij het zou horen en dat hij zou zien hoe zij hem zag.
„Deze heet Lijnen,” zei ze.
Ze begon. Het ging goed. Ze voelde het. Ze voelde hoe de anderen stil werden, Bayo die naar voren leunde, Jesse die voor één keer niet met zijn voet tikte. Ze sprak over de jongen die de letters ziet dansen. Over de vier komma één. Over de robotstem. Ze deed de robotstem na, vlak en mechanisch, en iedereen lachte, en ze voelde het lachen als wind in haar rug. Ze sprak over de toets die hij elke keer weer maakt, terwijl hij weet dat zijn hoofd het antwoord al heeft en alleen zijn ogen niet meewerken. Over de manier waarop hij luistert, met zijn hoofd schuin.
Pas bij de laatste regel keek ze naar Daan.
Hij keek niet terug. Hij keek naar het schermpje van zijn telefoon, op het statief. Zijn gezicht was leeg.
Het applaus was hard. Imani zei: „Wauw.” Bayo zei: „Dat stuk met die robot, man.” Liv zei niets, maar knikte, langzaam, wat bij Liv veel was.
Daan stopte de opname. Hij zei niets.
Na de workshop liep hij met grote passen naar de uitgang, met het statief onder zijn arm en de ringlamp in een plastic tas. Yasmina moest bijna rennen om hem bij te houden. Buiten, op de Binnenrotte, waar de marktkramen al waren afgebroken en meeuwen tussen de lege kratten liepen, haalde ze hem in.
„Daan. Wacht nou.”
Hij bleef staan. Hij draaide zich om.
„Wat was dat?” vroeg hij.
„Wat bedoel je?”
„Dat. Daarbinnen.” Hij wees met het statief naar het gebouw met de gele buizen. „Die tekst.”
„Het is over jou.”
„Ja. Dat had ik door.” Zijn stem was anders dan ze hem kende. Niet hard. Juist heel rustig. „Over mijn cijfers. Over mijn ogen. Over die robotstem. Voor zes mensen die ik niet ken en een camera die ik zelf vasthield.”
„Het is een compliment, Daan. Het gaat erover hoe slim je bent. Hoe je de dingen ziet.”
„Het gaat erover dat ik niet kan lezen.”
„Dat is niet waar.”
„Het is wel waar. Daar gaat het over. Dat is de hele tekst. Jongen kan niet lezen, maar hij is wel heel lief.” Hij lachte, zonder plezier. „Weet je hoeveel mensen weten van mijn cijfers? Mijn moeder. Mijn mentor. Jij. Dat is het. Ik heb er zes jaar over gedaan om ervoor te zorgen dat niemand het wist. Dat niemand op school wist dat ik een voorleesprogramma heb. Dat ik in de brugklas elke keer naar de wc ging als we om de beurt moesten voorlezen.”
Ze had dat niet geweten. Het voorlezen. De wc.
„Ik dacht...”
„Je dacht niet. Je schreef.” Hij keek naar de meeuwen. „En op zaterdag ga je het doen voor tachtig mensen en een livestream. Met mijn cijfers erin.”
„Ik zeg je naam niet.”
„Yas. Iedereen weet wie je cameraman is.”
Een meeuw vloog op, krijsend, met een stuk brood in zijn snavel. Een andere ging erachteraan. Yasmina stond op de Binnenrotte en voelde het warme gevoel van de workshop uit haar wegstromen, en daarvoor in de plaats kwam iets kouds en zwaars.
Ze dacht aan het filmpje van Ilyas. Aan het gezicht van meneer Koppelaar, gepakt zonder te vragen. Aan haar vader aan de keukentafel. Iemand heeft zijn gezicht gepakt en daar een grap van gemaakt.
Het was geen grap. Het was liefde, of iets wat erop leek. Maar ze had het gepakt. Zonder te vragen.
„Sorry,” zei ze.
Hij knikte. Hij zei niet dat het goed was.
„Ik ga naar huis,” zei hij. „Ik moet nog leren. Voor geschiedenis. Ik heb een programma dat het voorleest.”
Hij liep weg, richting de metro, met het statief onder zijn arm. Hij keek niet om.
Ze sliep slecht die nacht. Om drie uur zat ze rechtop in bed met haar notitieboekje open. Ze las Lijnen van begin tot eind en ze zag het nu, wat hij had gezien. Het was mooi. Het was het beste wat ze ooit had geschreven. En het ging over iemand anders.
Ze bladerde terug. Volgende halte: over haar moeder, haar vader, haar broertje. De doorgestreepte begins: over de metro, over Zuidplein, over meneer Visser met zijn pan, die ze maar één keer had gezien. Over de vos onder de lantaarn.
Overal stonden mensen. Overal stonden andere mensen.
Zij stond er niet in.
Om half vier stuurde ze Daan een bericht. Ze verwachtte niet dat hij zou antwoorden.
Je hebt gelijk. Ik doe hem niet. Niet zonder dat je het goed vindt, en ook niet als je het goed vindt. Het is jouw verhaal. Sorry.
Om vier uur antwoordde hij.
kom morgen naar de westblaak. na school.
Hij zat op het bankje. Hetzelfde bankje. Het krijtkruis op het beton was allang weggeregend. Hij had zijn board op zijn knieën en draaide aan een van de wieltjes.
„Ik ben niet meer boos,” zei hij toen ze naast hem kwam zitten. „Een beetje nog. Maar niet zoals gisteren.”
„Oké.”
„Je mag best over mij schrijven. Echt. Als je het vraagt. Ik vind het eigenlijk ook wel...” Hij zocht naar het woord. „Het is raar, als iemand je zo ziet. Raar goed. Maar ik wil het eerst weten. Ik wil niet in een zaal ontdekken wat iemand van mij vindt.”
„Dat snap ik.”
„En weet je wat het andere is?” Hij liet het wieltje los. „Ik heb nu al jouw teksten gehoord. Sinds de tweede klas. Honderden. En weet je waar ze over gaan?”
„Over mensen.”
„Over je moeder. Je vader. Ilyas. Mij. De mevrouw van de tweede verdieping met haar kat. Zelfs over die gast in de metro met zijn keukenpapier.” Hij keek haar aan. „Maar nooit over jou. Jij staat er nooit in. Jij staat altijd net naast de camera. Net als ik.”
Ze zei niets. Een skater raasde langs, sprong over een rand, landde slecht en vloekte.
„Imani vroeg voor wie je tekst is,” zei Daan. „Je wist het niet. Ik denk dat ik het wel weet.”
„Voor wie dan?”
„Dat moet je zelf zeggen.” Hij grijnsde, voor het eerst. „Anders schrijf ik het op, en dan duurt het drie weken.”
Op woensdagavond achttien maart stond ze in de keuken. Haar moeder stond bij het aanrecht en sneed uien, met een theedoek over haar schouder. De radio stond aan, Arabische muziek, zacht. Op de koelkast hing het A4’tje.
„Mam.”
„Hm.”
„Ik ga zaterdag niet naar de toets.”
Het mes stopte.
„Ik ga naar de finale,” zei Yasmina. „Ik weet niet of ik dokter wil worden. Misschien wel. Misschien over een jaar. Misschien nooit. Ik weet het echt niet. Maar ik weet wel dat ik niet op een stoel wil zitten om te bewijzen dat ik het kan, terwijl ik niet weet of ik het wil. Dat zou ik doen voor jou. En dan is het jouw deur, niet de mijne.”
Haar moeder draaide zich niet om. Haar schouders waren gespannen onder haar trui.
„Ik heb niet gelogen deze keer,” zei Yasmina. „Ik wilde dat je het van mij hoorde. Niet van Sevda.”
De muziek op de radio ging door. Een vrouw zong iets over een rivier. Haar moeder legde het mes neer, heel voorzichtig, naast de snijplank.
Toen pakte ze de theedoek van haar schouder, droogde haar handen af, en liep de keuken uit zonder een woord te zeggen. De slaapkamerdeur ging dicht. Zacht.
Yasmina bleef alleen achter, met de uien.
De volgende ochtend, toen ze in haar pyjama de keuken binnenkwam om ontbijt te maken, was het A4’tje van de koelkast verdwenen.
Alleen de sinaasappelmagneet hing er nog. Op een lege plek.