Hoofdstuk 11: Zaterdag

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Zaterdagochtend regende het niet. Dat was het eerste wat Yasmina zag toen ze haar gordijn openschoof: een bleke, schone lucht boven de flat aan de overkant, en in het raam met de kerstster stond iemand eindelijk die ster eraf te halen.

In de keuken zat haar moeder aan tafel met een kop koffie en de krant van gisteren. Ze had haar gewone zaterdagkleren aan, een spijkerbroek en een grijze trui. Ze keek op toen Yasmina binnenkwam.

„Eet iets,” zei ze.

Dat was alles. Ze schoof het brood naar Yasmina toe, en de pot honing, en ging verder met de krant. Ze sloeg geen bladzijde om. Yasmina at een boterham met honing, langzaam, met haar ogen op de lege plek op de koelkast. Haar moeder zei niets meer. Om tien uur stond ze op, pakte haar tas en haar jas.

„Ik ga naar tante Latifa,” zei ze. „Ze heeft hulp nodig met haar gordijnen.”

Tante Latifa woonde in Hoogvliet en had nog nooit hulp nodig gehad met haar gordijnen.

„Oké,” zei Yasmina.

Haar moeder bleef even in de deuropening staan. Ze keek naar haar dochter, en heel even leek het alsof ze nog iets ging zeggen. Toen trok ze de rits van haar jas omhoog en ging. De deur viel zacht in het slot.


Haar vader had zijn nette overhemd aangetrokken, het witte met de dunne blauwe streep dat hij alleen droeg op bruiloften en bij ouderavonden. Ilyas had zijn jas aan, met de rechte naad op de schouder. Ze liepen met z’n drieën naar Zuidplein, door een wijk die op zaterdagochtend wakker werd: rolluiken die omhooggingen bij de bakker, een man die een stapel kratten sinaasappels voor zijn winkel zette, kinderen met een voetbal op een veldje tussen twee flats.

Voor ze vertrokken, had ze haar vader iets gevraagd.

„Pap. Je schrift. Mag ik er iets uit gebruiken? Eén zin. Ik zeg niet van wie hij is.”

Hij had lang naar haar gekeken. Toen had hij geknikt.

„Zeg maar van wie hij is,” had hij gezegd. „Het is al dertig jaar geleden. Ik schaam me er niet meer voor.”

Bij de ingang van het metrostation stond Daan, bij de pilaar met de kauwgom. Hij had zijn statief bij zich, maar niet de ringlamp. „Imani heeft een eigen cameraploeg voor de livestream,” zei hij. „Ik ben vandaag gewoon publiek.” Hij gaf haar vader een hand. „Goedemiddag, meneer Amrani.”

„Het is nog geen middag, Daan.”

„Voor mij wel. Ik ben al sinds zeven uur wakker.”

Ze gingen het perron op. De metro kwam binnen, met dat piepje en die windvlaag. Ze stapten in en gingen zitten, Ilyas naast Daan, Yasmina naast haar vader. De deuren sloten.

Volgende halte: Maashaven.

Haar vader keek op zijn horloge. Het was tien over half een. Ergens in de stad gingen nu de deuren van een zaal open, met rijen tafels en stoelen en op elke tafel een potlood en een stapel papier. Ergens schoof iemand een stoel aan, met haar naam erop, die leeg zou blijven.

Ze keek uit het raam. Het water van de Maashaven glinsterde. Een duwbak voer langzaam voorbij, beladen met zand.

„Gaat het?” vroeg haar vader.

„Ik weet het niet.”

„Dat is goed,” zei hij. „Dat is een eerlijk antwoord.”


De zaal was voller dan bij de voorronde. Veel voller. Er stonden extra stoelen in het gangpad en achterin, bij de roltrappen, stonden mensen tegen de boekenkasten geleund. Er hing een groot scherm aan de zijkant, met het logo van de wedstrijd en een rood bolletje met LIVE. Twee mensen met grote camera’s liepen heen en weer. Imani had een gele jurk aan in plaats van een trui, en ze rende van de ene kant van de zaal naar de andere met haar klembord.

Op de eerste rij stond een stoel met een jas eroverheen en een papiertje op de zitting waarop met stift was geschreven: GERESERVEERD – VADER VAN BAYO. Ernaast zat een grote man in een pak, met zijn armen over elkaar en een uitdrukking op zijn gezicht alsof hij een rechtszaak bijwoonde.

„Hij is er al sinds twaalf uur,” zei Bayo, die naast Yasmina kwam staan bij de rij stoelen voor de finalisten. Hij at een banaan. „Hij heeft de beveiliging gevraagd of ze zijn stoel wilden bewaken toen hij naar de wc ging.”

„En?”

„Ze hebben gezegd van wel. Ik denk dat ze bang voor hem waren.”

Liv zat al. Ze had haar ogen dicht. Jesse liep heen en weer met zijn handen in zijn zakken, zo snel dat hij bijna botste met een van de cameramensen. De twee anderen, een meisje uit Schiedam en een jongen uit Capelle, zaten naast elkaar en praatten zacht.

Haar vader, Ilyas en Daan zaten op de vijfde rij. Ilyas had een telefoon in zijn hand en was ergens op aan het tikken. Daan had zijn statief niet uitgeklapt, maar het lag over zijn knieën, alsof hij het nodig had om iets vast te houden.

Ze trad op als laatste. Dat had ze gisteren van Imani gehoord, met een berichtje: Je bent nummer 6. Dat is geen straf, dat is een compliment.


De eerste vijf vlogen voorbij en duurden eeuwen. Het meisje uit Schiedam deed een tekst over haar moeder die schoonmaakster was in een kantoor waar zij later wilde werken. De jongen uit Capelle deed iets grappigs over zijn rijexamen en liet de zaal brullen. Jesse praatte zo snel over zijn vader en een bezoekuur dat Yasmina de helft niet kon volgen en het toch begreep. Liv stond weer doodstil en deed een tekst over haar zus die nu beter was, en over hoe moeilijk dat was, het beter zijn, en ze haperde voor het eerst, bij één regel, en ging door, en het was daardoor beter dan alles wat ze bij de voorronde had gedaan.

Bayo was de vijfde. Hij deed een nieuwe tekst over de vriezer. Hij is leeg, begon hij. Vorige week hebben we hem leeggemaakt. Hij vertelde over wat er allemaal in had gelegen: soep in bakjes met de datum in het handschrift van zijn oma, een zak erwten uit 2011, een taart die nooit was opgegeten omdat het feest niet was doorgegaan. Zijn vader op de eerste rij zat er stijf bij, met zijn armen over elkaar. Bij het stuk over de taart haalde hij één arm van zijn borst en legde zijn hand over zijn ogen. Hij bleef zo zitten tot Bayo klaar was.

Toen zei Imani in de microfoon: „En dan als laatste. Yasmina Amrani.”


Ze liep naar het podium. Drie treden. De microfoon stond op de goede hoogte. Iemand had hem al voor haar laag gezet. Ze keek opzij en zag Imani, die even knikte.

Ze keek de zaal in. Het licht was feller dan bij de voorronde, door de camera’s. Ze zag de vijfde rij. Haar vader met zijn witte overhemd, rechtop, met zijn handen op zijn knieën. Ilyas, die zijn telefoon omhooghield en hem toen naar beneden deed, alsof hij iets had verstuurd. Daan, met het statief over zijn knieën. Hij trok geen gek gezicht. Hij keek gewoon.

Naast hen was een stoel leeg.

„Mijn tekst heet Uitstappen,” zei ze.

Ze ademde in.

„Er is een meisje dat altijd naast de camera staat.

Ze schrijft over haar moeder die de trap op telt, / over haar vader die zijn diensten telt, / over haar broertje en een hek dat geen hek was. / Ze schrijft over een jongen die de lijnen ziet / en over een man in de bus met een pan voor zijn zus. / Ze schrijft over iedereen. / Vraag haar wat ze zelf wil en ze zegt: / de yoghurt met honing, maar die is op.”

Er werd gelachen, zacht, verspreid. Ze voelde het lachen. Het hielp.

Ze sprak verder. Over de stem in de metro die elke halte aankondigt alsof jij weet waar je moet zijn. Over een rode cirkel op een koelkast, een sinaasappelmagneet, drie uitroeptekens van een vrouw die nooit uitroeptekens gebruikt. Over een vwo-diploma uit 1998 en een lot dat getrokken werd door iemand die haar moeder nooit had ontmoet. Ze zei het niet als een verwijt. Ze zei het zoals je iets vertelt wat je pas net hebt begrepen.

„Mijn moeder heeft nooit gezegd: je moet. / Ze zei: de deur is open. / En ik heb zeventien jaar voor die deur gestaan / met mijn jas al aan / omdat ik dacht dat dat hetzelfde was / als willen.”

Het werd stil in de zaal. Dat andere soort stil.

Ze vertelde over een man van achttien die in 1995 een schrift volschreef met teksten die niemand mocht lezen. Ze keek naar de vijfde rij toen ze het zei. Haar vader keek terug, en hij knikte één keer, heel klein.

„Mijn vader schreef: / ze vragen wat wil je worden / en ik zeg: wakker. / Dertig jaar later rijdt hij elke nacht / de laatste ronde door Zuid / en stopt bij elke halte / ook als er niemand uitstapt. / Hij zegt: ik kan de deur opendoen. / Uitstappen moet je zelf.”

Ze voelde haar stem trillen. Ze liet hem trillen. Ze ging door.

Het laatste stuk had ze vannacht pas geschreven, om half twee, met het schrift van haar vader onder haar kussen. Het ging over haar. Alleen over haar. Over een meisje dat niet weet wat ze wil worden, en dat dat niet erg vindt, voor het eerst. Over een meisje dat op een krijtkruis op de Westblaak stond en niets meer wist, en toen toch iets zei. Over hoe het voelt om een woord dat je al heel lang in je mond hebt, eindelijk los te laten.

Ze kwam bij de laatste regels. Ze keek op, de zaal in, langs de vijfde rij, langs de lege stoel, naar achteren, naar de roltrappen waar de mensen tegen de boekenkasten stonden.

En daar, half achter een boekenkast, met haar jas nog aan en haar tas nog over haar schouder, alsof ze net was binnengekomen en niet zeker wist of ze mocht blijven, stond haar moeder.

Ze keek recht naar Yasmina.

Yasmina hoorde zichzelf de laatste regel zeggen. Ze wist niet hoe. Haar mond deed het, terwijl de rest van haar stilstond.

„Volgende halte,” zei ze. „Ik stap uit.”