Hoofdstuk 12: Eindhalte

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het applaus begon op de vijfde rij. Ilyas was als eerste opgestaan, zo snel dat zijn telefoon op de grond kletterde. Daarna Daan, met het statief nog in zijn hand. Daarna haar vader, langzaam, in zijn witte overhemd, als iemand die opstaat voor een volkslied. En toen stond de hele rij, en de rij erachter, en ergens vooraan riep iemand iets wat ze niet kon verstaan, met een zware stem die verdacht veel leek op die van de vader van Bayo.

Yasmina stond achter de microfoon en wist niet wat ze met haar handen moest doen. Dus deed ze niets.

Ze keek naar de boekenkast achterin. Er stonden nu mensen voor. Ze zag een gele jurk, een cameraman, een oma met een programmaboekje. Ze zag haar moeder niet meer.

„Yasmina Amrani,” zei Imani in de microfoon, en haar luide stem was voor het eerst een beetje hees. „Dank je wel.”

Ze liep het podium af. Drie treden. Bayo stond onderaan en sloeg zijn armen om haar heen, met een bananenschil nog in zijn ene hand. „Dat stuk over je vader, man,” zei hij in haar oor. „Dat stuk over die deur.”

Ze knikte en hoorde het nauwelijks. Ze keek over zijn schouder.


De jury trok zich terug. Imani kondigde een pauze aan van twintig minuten. Er werd ranja uitgedeeld en koffie in kartonnen bekertjes. De mensen stonden op, rekten zich uit, liepen naar de wc of naar de ramen, en de zaal veranderde in een gezoem van stemmen.

Yasmina liep tussen de stoelen door, naar achteren. Iemand die ze niet kende, een vrouw met een kinderwagen, zei: „Prachtig, meid.” Een jongen van haar eigen leeftijd stak zijn duim op. Ze glimlachte naar hen en liep door. Bij de boekenkast was niemand. Bij de roltrap ook niet.

Toen zag ze haar. Een verdieping lager, op een bankje bij de tijdschriften, met haar tas op schoot. Ze zat heel rechtop. Ze keek naar haar handen.

Yasmina nam de roltrap naar beneden. Hij ging tergend langzaam. Haar moeder keek op toen ze er bijna was.

„Je bent gekomen,” zei Yasmina.

„Ilyas stuurde me de link.” Haar moeder hield haar telefoon omhoog, als bewijs. „Om tien voor drie. Ze begint zo, mam. Ik zat bij Latifa op de bank. Ze heeft helemaal geen probleem met haar gordijnen.”

„Dat weet ik.”

„Dat weet ik ook.” Ze legde de telefoon terug in haar tas. „Ik keek naar dat kleine schermpje en ik zag die andere kinderen, en ik dacht: ik ga niet naar mijn dochter kijken op zo’n klein schermpje. Dus ik heb de metro genomen. Ik ben het laatste stuk gerend.” Ze keek naar haar schoenen. „Ik had de verkeerde schoenen aan om te rennen.”

Yasmina ging naast haar op het bankje zitten. Om hen heen bladerden mensen door tijdschriften. Een jongen met een koptelefoon zat te studeren aan een tafel. Boven hen zoemde de roltrap.

„Hoeveel heb je gezien?” vroeg Yasmina.

„Vanaf de yoghurt.”

Ze lachten allebei, kort, verrast.

Toen werd het stil.

„Je hebt die van de loting erin gezet,” zei haar moeder.

„Mocht dat niet?”

Haar moeder dacht er lang over na. Ze draaide de ring om haar vinger, de gouden met het kleine steentje, die ze van haar eigen moeder had gekregen.

„Ik weet het niet,” zei ze. „Niemand heeft me dat ooit gevraagd. Hoe het was. Iedereen zei altijd: jammer, Nadia, volgend jaar. Of: je hebt toch een mooie baan. Niemand heeft het ooit hardop gezegd. Dat er iemand een nummer trok.” Ze haalde diep adem. „En toen zei jij het. Voor al die mensen. En het klopte.”

„Ik wilde je niet pijn doen.”

„Dat heb je ook niet gedaan. Niet daarmee.” Haar moeder keek haar aan. „Ik ben nog steeds boos. Over het liegen. Die weken. Dat wil ik dat je weet.”

„Dat weet ik.”

„Goed.” Ze knikte. „Dan weet je het.”

Ze zwegen. Boven hen begon iemand in een microfoon te praten, gedempt, door de verdiepingen heen. De pauze was voorbij.

„Die regel,” zei haar moeder, terwijl ze opstond en haar tas over haar schouder hing. „Over die jas. Dat je al zeventien jaar met je jas aan voor die deur stond.”

„Ja?”

„Dat was mijn jas, hè. Niet de jouwe.”

Yasmina keek naar haar moeder. Ze wist niet wat ze moest zeggen. Haar moeder wachtte ook niet op een antwoord. Ze pakte haar hand, iets wat ze niet vaak deed, en trok haar overeind.

„Kom,” zei ze. „Ik wil de uitslag niet missen. Ik ben er nou toch.”


Bayo won.

Het was terecht, en Yasmina wist het al voordat Imani zijn naam zei. Zijn vader op de eerste rij stond op, zo snel dat zijn gereserveerde stoel omviel, en hij klapte zijn handen boven zijn hoofd als iemand in de Kuip bij een doelpunt in de laatste minuut. Bayo liep naar voren met een gezicht alsof hij het niet kon geloven. Hij kreeg een glazen beeldje en een envelop, en hij zei in de microfoon: „Dit is voor mijn oma. En voor de erwten uit 2011.” Toen moest de hele zaal lachen, en zijn vader ook, door zijn tranen heen.

Yasmina werd tweede. Liv derde.

Ze kreeg een bos bloemen die zo groot was dat ze er niet overheen kon kijken, en een bon voor een boekhandel, en een hand van alle drie de juryleden. De oudere man met de sjaal hield haar hand een seconde langer vast dan nodig.

„Die laatste regel,” zei hij. „Niet aan veranderen.”

„Ik had hem vannacht pas.”

„Daarom.”


Na afloop, toen de stoelen al werden opgestapeld en de cameramensen hun kabels oprolden, kwam Imani naar hen toe. Ze had haar klembord eindelijk ergens neergelegd.

„Mag ik je ouders even lenen?” vroeg ze. Ze gaf haar vader een hand en haar moeder ook, en haar moeder keek even verbaasd, alsof ze niet had verwacht dat ze iemand iets zou moeten uitleggen.

„We hebben een schrijfgroep,” zei Imani. „Voor jongeren die door willen. Eén keer per maand, hier in het gebouw, met een begeleider. Het is gratis. Het is geen school, er zijn geen cijfers. Het is gewoon... een plek om te oefenen. En in de zomer is er een avond op een podium in de stad, waar een paar van hen optreden.” Ze keek naar Yasmina. „Ik zou het fijn vinden als jij erbij kwam. Als je wilt. Het hoeft niet.”

Yasmina keek naar haar moeder.

Haar moeder keek terug. Ze zei niets. Ze trok alleen één wenkbrauw op, heel licht. Het was niet ja. Het was ook niet nee. Het was: jij moet het zeggen.

„Ik wil het,” zei Yasmina.

„Mooi.” Imani glimlachte. „Ik mail je.”


Ze liepen met z’n vijven naar de metro, langs de Markthal, waar de kramen buiten aan het opruimen waren en het rook naar gebakken uien en natte kartonnen dozen. Haar vader droeg de bloemen, omdat Yasmina er niet doorheen kon kijken. Ilyas liep vooraan met Daan. Ze hoorde ze praten over een skatefilmpje dat Daan wilde maken, en dat Ilyas er misschien in mocht, als hij beloofde dat hij geen gezichten van leraren zou bewerken.

„Dat was één keer,” zei Ilyas.

„Eén keer is genoeg.”

„Je klinkt als mijn vader.”

„Dank je,” zei hun vader.

Yasmina liep een stukje achter de anderen, naast Daan, die was teruggezakt. Hij had zijn statief over zijn schouder als een geweer.

„Mag ik je iets vragen?” zei ze.

„Als het niet over lezen gaat.”

„Het gaat wel over lezen. Een beetje.” Ze schopte tegen een steentje. „Lijnen. Die tekst. Ooit. Niet nu. Als je het goed vindt. Mag ik hem dan ooit doen?”

Hij liep een tijdje zwijgend naast haar. De lichten van het station kwamen in zicht.

„Als ik de titel mag kiezen,” zei hij.

„Wat wordt de titel dan?”

„Weet ik nog niet.” Hij grijnsde. „Het duurt drie weken.”


De metro was vol, het was zaterdag en iedereen ging ergens naartoe. Ze stonden met z’n vijven tegen de deur geplakt, met de bloemen boven hun hoofden. Een man met een kinderwagen schoof op. Een groep meiden keek nieuwsgierig naar de bos, en een van hen zei „gefeliciteerd” zonder te weten waarmee. Bij Leuvehaven stapte de helft van de wagon uit en konden ze eindelijk zitten, Yasmina bij het raam, haar moeder naast haar.

„En nu?” vroeg ze. Zacht, zodat de anderen het niet hoorden. „Wat ga je doen? Volgend jaar?”

Yasmina keek naar buiten. De tunnel. Hun spiegelbeelden in het donkere glas, vaag, met de lichten die erdoorheen flitsten.

„Ik weet het niet,” zei ze. „Ik wil naar een paar open dagen. Niet alleen van geneeskunde. Ook van andere dingen. Taal. Journalistiek. Misschien iets waarvan ik nu nog niet weet dat het bestaat.” Ze haalde haar schouders op. „En misschien doe ik volgend jaar die toets. Als ik wil. Dan doe ik hem omdat ik het wil.”

Haar moeder knikte langzaam.

„Kijken is goed,” zei ze. En toen, na een tijdje: „Ik ga mee. Naar die open dagen. Als je dat wilt.”

„Ook naar die van taal?”

„Ook naar die van taal.” Haar moeder trok een gezicht. „Ik neem de goede schoenen mee.”

De metro schoot de tunnel uit, het viaduct op, het licht in. Achter hen stonden de torens van de Kop van Zuid, en onder hen lag de Maashaven, grijs en glinsterend, met een duwbak die langzaam langs de kade schoof. Verderop, kleiner, lager, de flats van de wijken waar ze woonden. Ilyas wees iets aan. Daan maakte een foto. Haar vader hield de bloemen een beetje hoger, zodat ze niet tegen het plafond kwamen.

Yasmina haalde haar telefoon uit haar jaszak. Ze opende de notitie die boodschappen heette. Ze keek er even naar.

Toen veranderde ze de naam. Ze typte: teksten.

Ze stopte haar telefoon weg.

„Volgende halte: Zuidplein,” zei de vrouw in de metro, zoals altijd, alsof er nooit iets onverwachts kon gebeuren.

Yasmina stond op voordat de deuren opengingen. Ze kende het moment precies.